Uitspraak · Insolventierecht
Rechtbank Rotterdam, 28 januari 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:748Zaaknummer C/10/629990 / FT EA 21/1534
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 januari 2022
- Publicatiedatum
- 4 februari 2022
- Zaaknummer
- C/10/629990 / FT EA 21/1534
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing wsnp-verzoek. Verzoekster niet te goeder trouw bij het onbetaald laten van huur, omdat zij uitkering heeft laten storten op haar leefgeldrekening. Geen saneringsgezinde houding.
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van
M. Melissant, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2022. [_d3fc2fd5-ae16-48b5-afcb-3def2b423416]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 28-01-2022
[naam verzoekster],
[adres]
[woonplaats],
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 9 december 2021 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van
21 januari 2022.
2. De feiten
Verzoekster ontvangt inkomsten uit een WIA-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 37.377,46.
3. De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Tijdens de terechtzitting is naar voren gekomen dat de WIA-uitkering van verzoekster – wiens goederen onder beschermingsbewind zijn gesteld – recentelijk voor een periode van twee maanden is uitbetaald op haar leefgeldrekening (in plaats van op de beheerrekening). Verzoekster heeft desgevraagd op zitting verklaard dat zij dit geld heeft besteed aan uitgaven voor haar auto, een kinderwagen voor haar kleinkind en aankopen voor haarzelf. Door de – niet-noodzakelijke – uitgaven van verzoekster is een huurachterstand ontstaan. Aannemelijk is dat de uitkering op verzoek van verzoekster is overgemaakt naar de leefgeldrekening. Ook als dat niet het geval is, geldt dat verzoekster wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij dit geld niet mocht besteden en dat zij dit geld had moeten reserveren voor het voldoen van haar vaste lasten. De recente huurschuld is dus, gelet op het voorgaande, niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten. Daarnaast geeft deze handelwijze geen blijk van een saneringsgezinde houding bij verzoekster. De rechtbank is derhalve niet ervan overtuigd dat verzoekster kan voldoen aan de zware verplichtingen die gelden in de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk «gemaakt/geworden»geworden.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van
M. Melissant, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2022. [_d3fc2fd5-ae16-48b5-afcb-3def2b423416]
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHDHA:2022:455 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2022:455 Gerechtshof Den Haag, 14 maart 2022 (insolventierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.