Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Rotterdam, 1 mei 2020

ECLI:NL:RBROT:2020:4286Zaaknummer 7908318 CV EXPL 19-30144

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
1 mei 2020
Publicatiedatum
13 mei 2020
Zaaknummer
7908318 CV EXPL 19-30144
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering is ingetrokken tijdens de mondelinge behandeling, proceskostenveroordeling op verzoek van gedaagde.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart dit vonnis voor zover het de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44485

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. Het verloop van de procedure
  2. 2. De vordering
  3. 3. Het verweer
  4. 4. De beoordeling
  5. 5. De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7908318 CV EXPL 19-30144

uitspraak: 1 mei 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. S. Aksu-Ari, advocaat te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

gemachtigde: mr. R. Vane, advocaat te Waddinxveen.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • het exploot van dagvaarding van 9 juli 2020, met producties;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek;
  • het tussenvonnis van 28 februari 2020 waarbij een mondelinge behandeling tussen partijen is gelast;
  • de brief van 13 maart 2020 aan de zijde van [eiseres], met producties.
1.2

Tijdens de mondelinge behandeling op 20 april 2020 heeft [eiseres] aangegeven dat zij de procedure wenst in te trekken. Dit is op 20 april 2020 ook door [eiseres] per e-mail bevestigd. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling en bij e-mail van 20 april 2020 aangegeven dat hij niet akkoord is met doorhaling van de procedure en verzocht om [eiseres] te veroordelen in de proceskosten.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis vervolgens bepaald op heden.

2. De vordering

2.1

Aanvankelijk heeft [eiseres] gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het geweldsincident dat [eiseres] op 31 augustus 2015 is overkomen, [gedaagde] te veroordelen de schade die nader opgemaakt moet worden bij staat, te vergoeden binnen twee weken na deze uitspraak, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.000,00 bij wijze van voorschot op de totale schadevergoeding, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het totale schadebedrag vanaf 31 augustus 2015 en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3. Het verweer

3.1

[gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd betwist en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van de vordering van [eiseres]. Tevens met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4. De beoordeling

4.1

Op grond van artikel 246 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan doorhaling van de procedure alleen plaatsvinden op verzoek van beide partijen. Doorhaling op eenzijdig verzoek is niet mogelijk. Het afzien van [eiseres] om verder te procederen wordt zo begrepen dat zij haar vordering tegen [gedaagde] niet langer handhaaft. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.2

[eiseres] heeft gelet op het voorgaande te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde], die tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] (bestaande uit 1 punt à € 480,00). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt ook toegewezen. Aan de door [gedaagde] genomen conclusie van dupliek en de gehouden mondelinge behandeling worden geen salarispunten toegekend, omdat [eiseres] al in haar conclusie van repliek heeft aangegeven haar vordering te willen intrekken. De daarna door [gedaagde] gemaakte kosten zijn dan ook nodeloos gemaakt, zodat deze op grond van artikel 237 lid 1 Rv voor zijn rekening blijven.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart dit vonnis voor zover het de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44485

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.