Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 14 september 1999

ECLI:NL:RBROT:1999:AA3679Zaaknummer VTELEC 99-1642

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
VTELEC 99-1642
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

-

3. Beslissing

De president,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr drs Th.G.M. Simons als

president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr P. Hirschhorn als

griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 1999.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op:

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. Ontstaan en loop van de procedure
  2. 2. Overwegingen
  3. 3. Beslissing

443 /ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VTELEC 99/1642-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als

bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in

verband met het geding tussen

A te B, verzoekster,

gemachtigde mr D.J. Oranje, advocaat te Amsterdam,

en

de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit,

verweerder,

gemachtigde mr G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam,

met als derde-partij

Canal+ Nederland B.V., gevestigd te Hilversum (hierna: Canal+),

gemachtigde mr J.A. Schaap, advocaat te Amsterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 9 juli 1999 heeft verweerder op grond van artikel 8.7,

eerste volzin, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) aan

verzoekster bindende aanwijzingen gegeven.

Bij brief van 28 juli 1999 heeft de gemachtigde van verzoekster

bezwaar gemaakt tegen een deel van de bindende aanwijzingen.

Voorts heeft de gemachtigde van verzoekster bij brief van 30 juli

1999 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de president bij het inzenden van de op de zaak

betrekking hebbende stukken verzocht toepassing te geven aan

artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Awb) (beperking van de kennisneming).

Bij beslissing van 18 augustus 1999 heeft de president een

rechter-commissaris benoemd en hem opgedragen om in het kader

van het verzoek om voorlopige voorziening terzake een beslissing

te nemen.

Bij beslissing van 24 augustus 1999 heeft de rechter-commissaris

ten aanzien van enkele (onderdelen van) stukken beperking van de

kennisneming gerechtvaardigd geacht.

Verzoekster en Canal+ hebben toestemming verleend als bedoeld

in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Bij brieven van 30 augustus 1999 - en derhalve met overschrijding

van de termijn van artikel 8:83, tweede lid, eerste volzin, van de

Awb - heeft de gemachtigde van Canal+ enkele nadere stukken

ingezon-den.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus

1999. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar

gemachtigde, met bijstand van L. Pasman en J. Meurs.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn

gemachtigde, met bijstand van drs W.G.J. Penris, mr S.V.

Vermeulen, mr drs J.J.F. Versluys en ing. P.J. Nuhoff. Canal+ heeft

zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, met bijstand

van K. Färber, F. van den Engel en W. Moerer.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen

een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel,

voor-afgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar

is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van

de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op

verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde

spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat het

geschil in het tussen partijen aanhangige geding wordt beoordeeld,

heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat

oordeel niet bindend voor de beslissing in dat geding.

Ingevolge artikel 8.7, eerste volzin, van de Tw is, indien de

aan-bieder van een omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1, aanhef

en onder o, van de Tw en de aanbieder van een programma als

bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de Mediawet geen

overeenstemming bereiken over de toegang van het aangeboden

programma tot het desbetreffende omroepnetwerk, verweerder

bevoegd op verzoek van de aanbieder van het programma terzake

bindende aanwijzingen te geven.

Op grond van artikel 8.7, tweede volzin, in verbinding met artikel

8.6, tweede lid, van de Tw is de aanbieder van het omroepnetwerk

verplicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 8.7, eerste volzin, van

de Tw op te volgen.

In artikel 18.3, derde lid, van de Tw is bepaald dat voorzover bij de

uitoefening van bevoegdheden van verweerder begrippen worden

uitgelegd die worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 24

van de Mededingingswet, de uitoefening van die bevoegdheden

geschiedt overeenkomstig door verweerder in overeenstemming

met de directeur-generaal van de Nederlandse

mededingingsautoriteit (hierna: de dg Nma) vastgestelde algemene

richtlijnen, waarvan de dg Nma mededeling doet in de

Staatscourant.

Op grond van artikel 18.3, vierde lid, van de Tw maken verweerder

en de dg Nma in het belang van een effectieve en efficiënte

besluitvorming gezamenlijk afspraken over de wijze van

behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang.

Ter uitvoering van artikel 18.3, derde en vierde lid, van de Tw

hebben verweerder en de dg Nma op 4 januari 1999 het

Samenwerkingsprotocol OPTA/NMa (Stcrt. 1999, nr. 2)

vastgesteld.

Op 17 augustus 1999 hebben verweerder en de dg NMa - door hen

als beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb

aangemerkte - Richtsnoeren met betrekking tot geschillen over

toegang tot omroepnetwer-ken (hierna: de Richtsnoeren)

vastgesteld. Punt 18, eerste en tweede volzin, van de

Richtsnoeren luidt:

"18. Bij de beoordeling van geschillen over andere

toegangsvoorwaarden dan de gevraagde doorgiftetarieven zullen

deze voorwaarden op hun redelijkheid worden getoetst. Bij deze

toetsing zal het belang van de aanbieder van een omroepnetwerk

bij het stellen van deze voorwaarden afgewogen worden tegen het

belang van de programma-aanbieder.".

Verzoekster is aanbieder van een omroepnetwerk als bedoeld in

artikel 1, aanhef en onder o, van de Tw in het verzorgingsgebied

Amsterdam, Abcoude, Diemen, Landsmeer, Nigtevegt, Oostzaan

en Weesp. Canal+ is aanbieder van een programma als bedoeld in

artikel 1, aanhef en onder f, van de Mediawet. Verzoekster zendt,

analoog, twee abonneetelevisieprogramma's uit van Canal+.

Uit een besluit van de dg Nma van 28 december 1998 vloeit voort

dat verzoekster in haar verzorgingsgebied een economische

machtpositie heeft op de markt van toegang tot een kabelnetwerk

voor aanbieders van een programma.

Bij brief van 16 december 1998 heeft Canal+ verweerder gevraagd

verzoekster zo spoedig mogelijk een bindende aanwijzing als

bedoeld in artikel 8.7, eerste volzin, van de Tw te geven met

betrekking tot de vergoeding die verzoekster aan Canal+ over de

jaren 1998 en daarna kan vragen voor de doorgifte van de

programma's van Canal+ via het kabelnetwerk van verzoekster.

Voorts heeft Canal+ in verband met het voorgaande gevraagd om

een bindende aanwijzing met betrekking tot de weigering van

verzoekster Canal+ de mogelijkheid te bieden dat haar

programma's digitaal worden uitgezonden.

Ter voorbereiding van de brief van 9 juli 1999 zijn verzoekster en

Canal+ - met het oog op de bescherming van wederzijdse

bedrijfsvertrouwelijke gegevens deels niet in elkaars aanwezigheid

- gehoord en zijn zij in de gelegenheid gesteld stukken in te dienen.

- Voorts heeft verweerder (technici van) verzoekster in de

gelegenheid gesteld uiteen te zetten welke technische

belemmeringen aan de zijde van verzoekster er zijn om op korte

termijn tot digitale doorgifte van de programma's van Canal+ over

te gaan.

Bij brief van 1 juni 1999 heeft verweerder aan de dg Nma een

concept-beslissing op de aanvraag van Canal+ voorgelegd. Bij brief

van 17 juni 1999 heeft verweerder een aangepaste concept-

beslissing voorgelegd. Bij brief van 25 juni 1999 heeft de dg Nma

daarop gereageerd.

Bij brief van 9 juli 1999 - waaraan de brief van de dg Nma van 25

juni 1999 is gehecht - heeft verweerder, "(v)ooruitlopend op de

eindbeslissing op het verzoek van Canal+" en onder aanhouding

van "iedere verdere beslissing op het verzoek van Canal+"

voorzover thans van belang de volgende bindende aanwijzingen

aan verzoekster gegeven:

"a.Het college is gelet op de specifieke omstandigheden

van dit geval van oordeel dat KTA in staat moet worden geacht, zo

door Canal+ gewenst, de programma's van Canal+ met ingang van

15 september 1999 digitaal door te geven.

KTA dient dan ook met ingang van 15 september

1999 aan Canal+ de mogelijkheid te bieden dat haar programma's

digitaal worden doorgegeven.

KTA dient binnen twee weken na dagtekening van dit

besluit en met inachtneming van de overwegingen van dit besluit

aan Canal+ een daartoe strekkend aanbod te doen met een

gespecificeerde opgave van de kosten die gemoeid zijn met het

aanbrengen van de extra voorzieningen die in het omroepnetwerk

nodig zijn om de door Canal+ gevraagde digitale doorgifte van haar

programma's mogelijk te maken.

Indien KTA en Canal+ niet binnen vier weken na

dagtekening van dit besluit tot overeenstemming op dit punt zijn

gekomen, dient dit onder opgave van de redenen daarvan aan het

college te worden gerapporteerd, waarna het college, zo door

Canal+ gewenst, een tussenbeslissing op dit punt zal nemen;".

Bij brief van 28 juli 1999 heeft de gemachtigde van verzoekster

bezwaar gemaakt tegen deze bindende aanwijzingen.

In zijn verzoekschrift van 30 juli 1999 heeft de gemachtigde van

verzoekster de president - uitsluitend - verzocht om schorsing "voor

zover het betreft de bindende aanwijzing dat KTA met ingang van

15 september 1999 aan Canal+ de mogelijkheid dient te bieden

dat haar programma's digitaal worden doorgegeven".

Bij brief van 23 juli 1999 heeft verzoekster een aanbod aan Canal+

gedaan, waarop Canal+ bij brief van 4 augustus 1999 - afwijzend –

heeft gereageerd.

Bij brief van 9 augustus 1999 heeft Canal+ aan verweerder bericht

dat zij en verzoekster niet tot overeenstemming zijn gekomen over

het doorgiftetarief bij digitale uitzending en over (de betaling van)

de extra kosten en heeft zij verweerder verzocht op dit punt een

beslissing te nemen.

Bij brief van 25 augustus 1999 heeft verzoekster gereageerd op de

brief van Canal+ van 4 augustus 1999, waarna Canal+ bij brief van

26 augustus 1999 weer een reactie heeft gegeven.

Van de zijde van verweerder is ter zitting verklaard dat verweerder

voornemens is op of omstreeks 15 september 1999 zowel een

beslissing te nemen op het bezwaar van verzoekster van 28 juli

1999 als op het verzoek van Canal+ van 9 augustus 1999.

Ter zitting hebben verzoekster en verweerder kenbaar gemaakt

geen bedenkingen te hebben tegen het als gedingstuk aanmerken

van de bij de brieven van de gemachtigde van Canal+ van 30

augustus 1999 ingezonden nadere stukken.

De president ziet zich allereerst gesteld voor het volgende.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster het verzoek om

voorlopige voorziening uitgebreid, in die zin dat tevens wordt

verzocht om schorsing van de bindende aanwijzing inhoudende dat

verzoekster binnen twee weken een aanbod moet doen aan Canal+

met betrekking tot de kosten van digitale doorgifte van de

programma's van Canal+, met een gespecificeerde opgave van de

extra kosten.

De president is van oordeel dat deze - wezenlijke - uitbreiding van

het verzoek om voorlopige voorziening in de gegeven

omstandigheden in strijd met de goede procesorde moet worden

geacht. Verweerder en Canal+ zijn hiermee immers eerst ter zitting

geconfronteerd en worden aldus onredelijk in hun verweer

bemoeilijkt. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de

gemachtigde van verzoekster niet in de gelegenheid is geweest het

verzoek om voorlopige voorziening uit te breiden in de - op verzoek

van partijen ruime - periode tussen het doen van het verzoek en het

onderzoek ter zitting.

De president stelt vervolgens vast dat verweerder heeft beoogd

met de door verzoekster in bezwaar bestreden bindende

aanwijzingen te bewerkstelligen dat indien en zodra tussen Canal+

en verzoekster overeenstemming is bereikt over het doorgiftetarief

bij digitale uitzending en over (de betaling van) de extra kosten, dan

wel verweerder op verzoek van Canal+ een beslissing op dit punt

heeft genomen, Canal+ door verzoekster ook daadwerkelijk in de

gelegenheid wordt gesteld om op korte termijn tot digitale doorgifte

over te gaan. Een en ander blijkt ook uit het in de brief van 9 juli

1999 door verweerder uitgezette tijdpad.

De president ziet zich voorts gesteld voor de vraag naar het

rechtskarakter van de bindende aanwijzing waarop het verzoek om

voorlopige voorziening betrekking heeft.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een

besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een

bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke

rechtshandeling.

Buiten twijfel is dat sprake is van een schriftelijke beslissing van

een bestuursorgaan, genomen op grond van een aan het

publiekrecht ontleende bevoegdheid.

Naar het oordeel van de president is de aanwijzing van verweerder

op grond van artikel 8.7, eerste volzin, van de Tw, inhoudende dat

verzoekster met ingang van 15 september 1999 aan Canal+ de

mogelijk-heid dient te bieden dat de programma's van Canal+

digitaal worden doorgegeven, ook op rechtsgevolg gericht. Met de

onderhavige bepaling is ten aanzien van geschillen over de

toegang tot een omroepnetwerk een stelsel van - publiekrechtelijke

- arbitrage in het leven geroepen. Een kenmerkend aspect van

deze vorm van conflictoplossing is in algemene zin dat daarbij

wordt voorzien in een materiële oplossing van het geschil in de

vorm van een voor alle bij het conflict betrokken partijen bindend

advies. Met het geven van de thans in geding zijnde bindende

aanwijzing heeft verweerder voor een deel van het tussen partijen

bestaande conflict - namelijk de vraag of verzoekster digitale

doorgifte van de programma's van Canal+ mogelijk moet maken –

een dergelijke materiële oplossing gegeven. Deze aanwijzing heeft

daarmee (een zelfstandig) rechtsgevolg. Dat nog niet vaststaat of

Canal+ met ingang van 15 september 1999 van deze mogelijkheid

daadwerkelijk gebruik zal maken, doet daaraan niet af.

De bindende aanwijzing waarop het verzoek om voorlopige

voorziening betrekking heeft (hierna: de bestreden aanwijzing) is

dan ook een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb,

hetgeen overigens ook geldt voor de overige door verzoekster in

bezwaar bestreden bindende aanwijzingen.

Verzoekster heeft - samengevat - de volgende grieven

aange-voerd:

- Canal+ wenst in feite over te gaan tot een andere - nieuwe –

voorwaardelijketoegangstechnologie die ruimte biedt voor het

aanbieden van andere diensten dan

abonneetelevisieprogramma's. Om die reden verlangt Canal+ van

verzoekster dat zij haar kabelnetwerk aanpast. Hetgeen Canal+

van verzoekster verlangt, gaat daarmee echter de reikwijdte van

artikel 8.7, eerste volzin, van de Tw - dat immers slechts ziet op

toegang tot een omroepnetwerk van een aangeboden programma

- te buiten. Verweerder was dan ook niet bevoegd de bestreden

aanwijzing te geven.

- Verzoekster heeft herhaaldelijk aangegeven niet in staat te

zijn op de door verweerder en Canal+ gewenste termijn over te

gaan tot digitale doorgifte van de programma's van Canal+.

Verzoekster is zelf bezig met het volledig digitalise-ren van haar

kabelnetwerk. Dat is een omvangrijke en gecompliceerde operatie,

die eerst in de loop van 2000 haar beslag zal kunnen krijgen en

waarvoor verzoekster al haar technische (perso-neels)capaciteit

nodig heeft. Voorts heeft verweerder zich er geen rekenschap van

gegeven dat, gelet op het feit dat digitale uitzending voor

verzoekster iets geheel nieuws is, een uitvoerige testperiode (van

tenminste drie maanden) nodig is. Het is onverantwoord zonder

meer met digitale uitzendingen te beginnen, omdat het risico van

storingen op het kabelnetwerk van verzoekster (onder meer ten

aanzien van de telefoniediensten) groot is. In dat verband heeft

verzoekster verwezen naar een door haar in het geding gebracht

rapport van Intercai Nederland B.V. van 29 juli 1999.

- Verweerder heeft onvoldoende kennis vergaard omtrent de

af te wegen belangen, dan wel de betrokken belangen op onjuiste

wijze afgewogen. Verzoekster bestrijdt het - acute - financiële

belang van Canal+, dat door verweerder mede aan de bestreden

aanwijzing ten grondslag is gelegd. Voorts is verweerder er ten

onrechte van uitgegaan dat verzoekster terzake uitsluitend een

bedrijfs-ma-tig (bedrijfseconomisch) belang heeft, daarmee

voorbijgaand aan het belang van verzoekster dat onomsto-telijk

komt vast te staan dat de gewenste digitale doorgifte niet leidt tot

storingen op het kabelnetwerk van verzoekster.

- Verweerder heeft onvoldoende recht gedaan aan het

beginsel van hoor en wederhoor en heeft voorts de dga Nma ten

behoeve van diens advisering onvoldoende geïnformeerd.

Verweerder en Canal+ hebben hetgeen van de zijde van

verzoekster is aangevoerd gemotiveerd weersproken.

Verweerder heeft daarbij herhaald dat verzoekster niet heeft

kunnen aantonen dat digitale doorgifte op korte termijn van de

programma's van Canal+ technisch niet mogelijk zou zijn en dat op

verzoekster dan ook de verplichting rust deze doorgifte toe te

staan en zo nodig haar kabelnetwerk daarvoor geschikt te maken.

Canal+ heeft daarbij aangegeven dat het haar, mede gelet op haar

financiële situatie, erom gaat het doorgiftetarief voor haar huidige

abonneetelevisieprogramma's substantieel verlaagd te krijgen.

Digitale uitzending van haar programma's moet, althans in de visie

van Canal+, door het verminderde capaciteitsbeslag op het

kabelnetwerk van verzoekster leiden tot tenminste een halvering

van het tarief bij analoge uitzending. Indien en zodra duidelijkheid

bestaat over het doorgiftetarief bij digitale uitzending en de extra

kosten, zal Canal+ kunnen beslissen of zij daadwerkelijk van de

mogelijkheid van digitale doorgifte gebruik zal maken, waarbij

Canal+ dan bereid is de reële extra kosten te betalen. Canal+ heeft

niet bestreden dat voor het mogelijk maken van digitale uitzending

een zekere implementatieperiode nodig is. Zij begroot die op twee

weken. Een testperiode van drie maanden acht Canal+ gelet op de

aard van de technische voorzieningen die voor de door haar

verlangde digitale doorgifte nodig zijn, echter niet reëel.

Naar aanleiding van de grieven van verzoekster overweegt de

president het volgende.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan niet

worden afgeleid dat in het onderhavige geval sprake is van een

geschil dat verder strekt dan de doorgifte van de huidige twee

abonneetelevisie-programma's van Canal+. In het bijzonder is niet

gebleken dat het gaat om het aanbieden van andere diensten over

het kabelnetwerk van verzoekster. Dat zulks mogelijk in de

toekomst anders zou kunnen zijn, is thans niet relevant. Dat geldt

temeer nu de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft

beklemtoond dat de in de brief van 9 juli 1999 vervatte bindende

aanwijzingen geen betrekking hebben op en ook geenszins

toestemming inhouden voor het aanbieden van andere diensten

dan pro-gramma's. Verweerder was dan ook bevoegd in het

onderhavige geval een bindende aanwijzing op grond van artikel

8.7, eerste volzin, van de Tw te geven.

Voorafgaand aan de bespreking van de grieven van materiële aard

stelt de president vast dat verweerder bij de beslissing op het

bezwaar met betrekking tot de bestreden aanwijzing toepassing

dient te geven aan punt 18, eerste en tweede volzin, van de

Richtsnoeren. Het daarin neergelegde beleid acht de president

voorshands niet onredelijk.

Naar het oordeel van de president berusten de overwegingen van

verweerder met betrekking tot de door verzoekster opgeworpen

technische belemmeringen voor digitale doorgifte van de

programma's van Canal+ niet op onvoldoende grond. Verzoekster

heeft ook de president er niet van kunnen overtuigen dat digitale

doorgifte van die programma's met ingang van 15 september 1999

op de door Canal+ voorgestane wijze zodanige technische

problemen oplevert dat verweerder op 9 juli 1999 in redelijkheid niet

tot het geven van de bestreden aanwijzing had kunnen besluiten.

Het rapport van Intercai Nederland B.V. is niet toegesneden op het

kabelnetwerk van verzoekster en is aldus in te algemene termen

gesteld om daaraan overwegende betekenis te kunnen hechten.

Ook overigens is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat digitale

doorgifte van de program-ma's van Canal+ op de door haar

gewenste wijze op korte termijn technisch gezien niet mogelijk is.

De door Canal+ in het geding gebrachte notitie van prof. mr dr J.M.

Smits, hoogleraar Recht en Techniek aan de Technische

Universiteit Eindhoven, van 26 augustus 1999 alsmede diens

commentaar op het rapport van Intercai Nederland B.V. van 30

augustus 1999 ondersteunen de stellingen van verzoekster

evenmin en bieden veeleer aanknopingspunten voor de vaststelling

dat slechts een korte implementatieperiode nodig is. De president

acht tevens van belang dat Canal+ heeft aangegeven zelf een

oplossing te kunnen bieden voor mogelijke tijdelijke

capaciteitsproblemen op het kabelnetwerk van verzoekster en

voorts de kosten die zijn gemoeid zijn met het plaatsen van een

andere modulator en het testen daarvan voor haar rekening te

willen nemen. Voorts heeft meegewogen dat het verzoek van

Canal+ al van 16 december 1998 dateert en verzoekster sindsdien

- en ook sedert 9 juli 1999 - voldoende tijd heeft gehad om de

consequenties van digitale doorgifte van de programma's van

Canal+ te bezien en vervolgens de nodige voorzieningen te

treffen. Aan het feit dat verzoekster zelf bezig is met het volledig

digitaliseren van haar kabelnetwerk kan de president tenslotte niet

de door verzoekster gewenste betekenis hechten.

Verzoeksters grief met betrekking tot de belangenafweging slaagt

evenmin. Vaststaat dat Canal+ belang heeft dan wel zal kunnen

hebben bij digitale doorgifte van haar programma's. Of daarbij

sprake is van een acuut financieel belang acht de president minder

relevant. Niet kan worden gezegd dat verweerder aan het

bedrijfsmatige (bedrijfseconomische) belang van verzoekster –

nog daargelaten of, en zo ja in hoeverre, uit mededingingsrechtelijk

oogpunt dat belang in het onderhavige geval al een rol zou mogen

spelen - een groter gewicht had dienen toe te kennen dan aan het

belang van Canal+. Uit de gedingstukken en verhandelde ter zitting

kan voorts niet worden afgeleid dat verweerder is voorbijgegaan

aan het belang van verzoekster dat haar kabelnetwerk geen storing

ondervindt. Verweerder heeft echter, zo volgt uit het hiervoor

overwogene, niet op onvoldoende gronden vastgesteld dat daarvan

feitelijk geen sprake zal zijn.

De door verzoekster aangevoerde grieven van materiële aard

slagen derhalve niet.

Dat geldt ook voor de grieven van formele aard. Al hetgeen

verzoekster heeft aangevoerd om te betogen dat sprake is van

schending van het beginsel van hoor en wederhoor, komt in de

kern hierop neer dat de wijze waarop verweerder procedureel

heeft geopereerd bij de voorbereiding van de bestreden aanwijzing

ertoe heeft geleid dat verweerder is uitgegaan van een deels

onjuiste voorstelling van zaken, terwijl verzoekster voorts niet in de

gelegenheid is geweest ten volle haar zienswijze kenbaar te

maken. De president laat in het midden of wellicht ten aanzien van

een of meer van de door verzoekster genoemde concrete

voorvallen zou moeten worden geoordeeld dat het beginsel van

hoor en wederhoor niet (ten volle) is nageleefd. Uit hetgeen

hiervoor is overwogen vloeit immers voort dat verzoek-ster

daardoor niet in haar belangen kan zijn geschaad. Voorts is van

belang dat de gemachtigde van verweerder ter zitting

onweersproken heeft verklaard dat in elk geval bij de voorbereiding

van de beslissing op het bezwaar verzoekster de beschikking heeft

gehad over alle relevante informatie. Tenslotte heeft de president

geen aanknopingspunten kunnen vinden om te oordelen dat de dg

Nma niet ten volle in staat is geweest vanuit zijn - niet technische,

maar mededingingsrechtelijke - expertise een oordeel over de bij

brief van 17 juni 1999 aan hem voorgelegde concept-beslissing van

verweerder te geven.

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat verweerder

op 9 juli 1999 op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoekster

op 15 september 1999 in staat moet zijn digitale doorgifte van de

programma's van Canal+ te verzorgen en vervolgens niet ten

onrechte heeft geoordeeld dat verzoekster daartoe ook gehouden

is. De president ziet dan ook geen aanleiding de bestreden

aanwijzing te schorsen, zodat het verzoek om voorlopige

voorziening dient te worden afgewezen.

Wel merkt de president nog het volgende op. Hiervoor heeft de

president vastgesteld dat verweerder heeft beoogd met de door

verzoekster in bezwaar bestreden bindende aanwijzingen te

bewerkstelligen dat indien en zodra tussen Canal+ en verzoekster

overeenstemming is bereikt over het doorgiftetarief bij digitale

uitzending en over (de betaling van) de extra kosten, dan wel

verweerder op verzoek van Canal+ een beslissing op dit punt heeft

genomen, Canal+ door verzoekster ook daadwerkelijk in de

gelegenheid wordt gesteld om op korte termijn tot digitale doorgifte

over te gaan. Het door verweerder daartoe uitgezette tijdpad is

echter door het tijdsverloop na 9 juli 1999 niet meer haalbaar.

Daarom zal, rekening houdend met hetgeen de president in deze

uitspraak heeft overwogen, in de beslissing op het bezwaar moeten

worden voorzien in een korte periode tussen het tijdstip waarop

verweerder een beslissing neemt over het doorgiftetarief bij digitale

uitzending en over (de betaling van) de extra kosten enerzijds en

het tijdstip waarop Canal+ door verzoekster ook daadwerkelijk in de

gelegenheid moet worden gesteld om tot digitale doorgifte over te

gaan anderzijds.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president geen

aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr drs Th.G.M. Simons als

president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr P. Hirschhorn als

griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 1999.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op:

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.