Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6397Zaaknummer 12102035 \ CV EXPL 26-565
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12102035 \ CV EXPL 26-565
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Aanneming van werk. Gebreken niet hersteld. Tekortkoming van aannemer is toerekenbaar. Vervangende schadevergoeding toegewezen.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 2.218,97, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 332,85 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.051,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12102035 \ CV EXPL 26-565
Vonnis van 13 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser],
te [woonplaats 1],2. [eiseres],
te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
gemachtigde: mr. J.R.T. Jonker,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 februari 2026- de conclusie van antwoord (getiteld verweer en aanvullend verweer)- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 12 augustus 2026 met producties van [eisers]- de mondelinge behandeling van 10 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Hoewel [gedaagde] aanvankelijk bij conclusie van antwoord heeft gereageerd op de dagvaarding is hij, hoewel hij deugdelijk is opgeroepen, zonder bericht niet op de mondelinge behandeling verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eisers] hebben in november 2024 een overeenkomst gesloten met [bedrijf 1] voor het renoveren van de badkamer in hun woning.
[bedrijf 1] was de eenmanszaak van [gedaagde] en is per 8 november 2025 opgeheven.
Op 11 september 2025 heeft [gedaagde] de werkzaamheden afgerond en de factuur aan [eisers] gemaild. Hij heeft daarbij, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:
“Vanmiddag waren we bij jullie en hebben we de laatste dingen afgemaakt!
qua de kit wij hebben expres potje gekocht voor de resten weg te werken,
omdat antraciet namelijk dunne kit is net zoals alle andere donkere
kleuren krijg je dit, we hebben bewust was benzine gehaald en laten staan om dingen schoon te maken. […]
Net zoals de tegels er is meer dan 14 zakken lijm in gegaan wat niet normaal is, krijg ik ja is hol, nee is niet hol komt door de ondergrond want de laag wat er is zat is hol. […]
En de douche kraan sorry maar ik heb niet aan de knoppen gezeten normaal is het altijd afgesteld en klaar. Maar ik heb hem terug gezet voor je. […]
Ik laat het hierbij want we verschillen van mening!
Je sleutels liggen in de brievenbus omdat je lag te slapen.”
Op 12 september 2025 hebben [eisers] het volgende per e-mail aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier van belang:
“Het is fijn dat jullie dat potje hebben gehaald, maar wij zijn van mening dat dit aan jullie is om weg te halen aangezien het ‘gesmeer’ is. Zo draag je een badkamer niet over.
Zoals al aangegeven zijn we blij met de badkamer hoe het betegeld is maar niet met de
afwerking, voornamelijk het kitten niet.”
Op 16 september 2025 is een kitspecialist bij de woning van [eisers] geweest om het kitwerk te inspecteren. Hij heeft in een WhatsAppbericht van het volgende geschreven, voor zover hier van belang:
“Het kitwerk is zo dusdanig slecht aangebracht dat het niet goed waterdicht is en er ook nog eens heel erg lelijk uitziet.”
Op 17 september 2025 hebben [eisers] [gedaagde] in gebreke gesteld en hem een termijn van 10 dagen gegeven om de gebreken te herstellen. In het e-mailbericht hebben [eisers], voor zover hier van belang, melding gemaakt van de volgende gebreken:
“- […] Er zitten gaten in het voegwerk, wat bij sommige delen voor lekkage kan zorgen aangezien daar water tegen aan kan komen. Een deel waar voegwerk miste, is gekit met gekleurde kit in plaats van dit te voegen zoals het hoort. Ook zitten er dikke klodders lijm in sommige delen van de voegen die niet weggehaald kunnen worden zonder de voeg zwaar te beschadigen. Ook ziet het kitwerk er niet uit en sluit dit niet overal aan waardoor dit voor lekkage kan zorgen. […] Wij hebben een kitspecialist langs laten komen op 16 september 2025 die dit heeft geconstateerd.
[…]
- Er zijn 3 tegels, waaronder 1 aan de wand, die hol klinken.
- De douchekop zou vast worden gemaakt, maar zit nog steeds los.”
Op 27 september 2025 heeft [gedaagde] daarop het volgende, voor zover hier van belang, geschreven:
“Bij deze willen wij u mededelen dat wij het hier totaal niet mee eens zijn!
[…]
Wij gaan er zeer zeker niet mee akkoord dat u op deze manier ons in een hoek probeert te
drijven, en dingen op ons probeert te verhalen.
Als u andere bedrijf in schakelt is u eigen recht, maar wij vergoeden helemaal niks […]
Ik laat het hier bij.”
Op 22 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] [gedaagde] opnieuw in gebreke gesteld. In deze brief is melding gemaakt van de volgende gebreken:
“1. Kitwerk is niet goed aangebracht;
2. diverse tegels bevatten kitvlekken;
3. het antracieten voegwerk bevat diverse gaten en delen zijn gekit in plaats van gevoegd waardoor er ook sprake is van kleurverschil;
4. douchekop is onjuist gemonteerd;
5. tegel klinkt hol waardoor er een grote kans is dat die breekt.”
De gemachtigde van [eisers] heeft [gedaagde] een termijn gesteld van veertien dagen om de gebreken te herstellen.
Daarop heeft [gedaagde] per e-mail van 6 november 2025, voor zover hier van belang, als volgt gereageerd:
“Ben met sommige dingen niet eens, maar u mag u client door geven dat ik begin december kom. Exacte datum laat ik nog weten.”
Op 10 november 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] de verbintenis omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, omdat [gedaagde] niet binnen de gestelde termijn alsnog heeft nagekomen.
Op 5 december 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] een offerte aan [gedaagde] gestuurd voor herstel van de gebreken, zoals vermeld in de ingebrekestelling van 22 oktober 2025 en gevorderd het daarop vermelde bedrag van € 2.218,97 te betalen binnen vijftien dagen nadat [gedaagde] de brief heeft ontvangen.
Daarna heeft de gemachtigde van [eisers] [gedaagde] nog gesommeerd tot betaling op 15 december 2025 en 23 december 2025.
3 Het geschil
[eisers] vorderen - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.218,97, vermeerderd met rente en kosten.
[eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis die is ontstaan op grond van de aannemingsovereenkomst die partijen hebben gesloten. De werkzaamheden voor renovatie van de badkamer voldoen niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Het kitwerk is niet goed aangebracht, het voegwerk bevat gaten en delen zijn gevoegd in plaats van gekit, de douchekop is onjuist gemonteerd en er zijn tegels die hol klinkt en kunnen breken. [gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om deze gebreken te herstellen, maar dat heeft hij niet gedaan. Omdat [gedaagde] in verzuim is, hebben [eisers] de verbintenis tot nakoming omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, gebaseerd op de kosten van herstel door een derde.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] betwist dat hij het werk niet deugdelijk heeft uitgevoerd. De problemen met het kitwerk zijn volgens [gedaagde] veroorzaakt door [eisers] zelf, omdat zij de badkamer hebben schoongemaakt met chemicaliën waardoor de kit niet goed hecht en omdat zij al gebruik hebben gemaakt van de douche terwijl het kitwerk nog niet overal was uitgevoerd. Ook hebben [eisers] zelf gekozen voor verschillende soorten voegsel en verschillende kleuren kit. [gedaagde] betwist dat sprake is van holle tegels. Het holle geluid heeft te maken met de ondergrond. Ook voert [gedaagde] het verweer dat hij niet voldoende de gelegenheid heeft gekregen om over te gaan tot herstel. Het was voor hem niet mogelijk om voor december 2025 langs te komen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De tussen [eisers] en [gedaagde] gesloten overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst van aanneming van werk. De aannemer (hier: [gedaagde]) is op grond van artikel 7:750 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verplicht om een deugdelijk werk tot stand te brengen en op te leveren.
[gedaagde] heeft de verplichting op zich genomen om de badkamer van [eisers] te renoveren. Partijen zijn overeengekomen dat [eisers] zelf voor het sanitair en de tegels zou zorgen. De werkzaamheden van [gedaagde] bestonden onder andere uit het plaatsen van het sanitair, plaatsen van tegels, afvoegen en kitten.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] met het e-mailbericht van 11 september 2025 te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd. [eisers] hebben – onweersproken – gesteld dat zij al vanaf 5 september 2025 zagen dat het werk gebrekkig was uitgevoerd en dat zij [gedaagde] daarvan via WhatsApp op de hoogte hebben gesteld. Ook hebben zij na voornoemde kennisgeving van [gedaagde] per ommegaande schriftelijk laten weten dat zij niet tevreden zijn met de afwerking van de badkamer (het e-mailbericht van 12 september 2025) en hebben zij [gedaagde] op 17 september 2025 onder aanwijzing van de gebreken in gebreke gesteld. [gedaagde] is vervolgens niet tot herstel van de gebreken overgegaan. Het werk is dus slechts onder voorbehoud door [eisers] aanvaard en kan voor wat betreft het kitwerk, het voegwerk, het plaatsen van de tegels en het plaatsen van de douchekop niet als opgeleverd en aanvaard worden beschouwd.
Dat betekent dat [gedaagde] tekort is geschoten in zijn verplichting uit de overeenkomst om een deugdelijk werk op te leveren.
Toerekenbaarheid
De kantonrechter is van oordeel de geconstateerde tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming ook aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend en oordeelt als volgt.
[gedaagde] voert het verweer dat de tekortkoming aan het kitwerk hem niet kan worden toegerekend, omdat hij door toedoen van [eisers] niet in staat was om het kitwerk goed aan te brengen. Daarvoor voert hij aan dat [eisers] de badkamer hadden schoongemaakt met een chemicaliënmateriaal waardoor de kit niet goed hecht. Ook hadden [eisers] de badkamer te vroeg in gebruik genomen. Maar dit is door [eisers] weersproken. Zij stellen dat zij pas ná instructies van [gedaagde] gebruik hebben gemaakt van de douche en dat zij de badkamer in overleg met [gedaagde] hebben schoongemaakt met water en schoonmaakazijn. Omdat [gedaagde] in reactie hierop niets meer heeft aangevoerd, gaat de kantonrechter uit van wat [eisers] hebben gesteld. Onder die omstandigheden komt het niet juist uitvoeren van het kitwerk voor rekening en risico van [gedaagde].
Ook voert [gedaagde] aan dat het kleurverschil niet komt door een ondeugdelijke uitvoering van het werk. [eisers] hebben volgens [gedaagde] zelf gekozen voor drie verschillende kleuren voegsel en meerdere kleuren kit. Maar ook dit is door [eisers] weersproken. Zij stellen dat zij weliswaar in eerste instantie meerdere kleuren hadden gekozen, maar uiteindelijk toch voor één kleur zijn gegaan. Omdat [gedaagde] dit niet nader heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van wat [eisers] hebben gesteld. Bovendien heeft [gedaagde] niet betwist dat het voegwerk gaten bevat en dat delen zijn gevoegd in plaats van gekit. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan deze tekortkomingen niet aan hem zouden kunnen worden toegerekend.
[gedaagde] erkent dat er tegels zijn die hol klinken. Maar [gedaagde] voert aan dat de ondeugdelijke uitvoering te wijten is aan de ongeschiktheid van de ondergrond waarop hij de tegels moest aanbrengen. Volgens hem zijn niet de tegels, maar is de laag eronder hol, waardoor hij een abnormale hoeveelheid lijm nodig had om de tegels vast te maken. Als van de juistheid van die stelling van [gedaagde] zou worden uitgegaan, geldt het volgende. Het ligt op de weg van [gedaagde] als aannemer om voor aanvang van een werk zich ervan te vergewissen dat dit werk onder de gegeven omstandigheden deugdelijk kan worden uitgevoerd en te waarschuwen voor – in dit geval – de ongeschiktheid van de ondergrond. Dat [gedaagde] dat niet heeft gedaan is niet in geschil. Onder die omstandigheden komen de gevolgen van het werken op een ongeschikte ondergrond voor rekening van [gedaagde].[_53d4b707-d3b0-4fc1-a351-be01a0187121]
Verzuim
Op grond van artikel 6:82 lid 1 BW treedt het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.
In artikel 6:83 BW is bepaald dat het verzuim ook intreedt als de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
[gedaagde] heeft op 17 september 2025 een termijn van twee weken gekregen om de gebreken te herstellen. Gelet op de aard van de gebreken en het eerdere contact over de gebreken, is de kantonrechter van oordeel dat dit een redelijke termijn is. Bovendien heeft [gedaagde] in zijn reactie van 27 september 2025 geen herstel aangeboden, maar juist laten weten dat hij het niet eens is met de ingebrekestelling, dat hij ook niets zal vergoeden als [eisers] een ander bedrijf inschakelen om de gebreken te herstellen en dat hij het hierbij wil laten. De kantonrechter is van oordeel dat [eisers] uit deze mededeling konden afleiden dat [gedaagde] in de nakoming van zijn verbintenis zou tekortschieten, zodat op 27 september 2025 het verzuim is ingetreden. Dat [gedaagde] naar aanleiding van het e-mailbericht van 22 oktober 2025 nog heeft aangeboden langs te komen in december, ondanks dat hij het met sommige dingen niet eens was, is (ook gelet op de in die brief gestelde termijn) te laat en onvoldoende concreet.
Vervangende schadevergoeding
Op grond van art. 6:74 en 6:87 BW hebben [eisers] nu het recht om [gedaagde] schriftelijk te berichten dat zij schadevergoeding vorderen in plaats van nakoming. Dat hebben zij gedaan op 10 november 2025.
De vervangende schadevergoeding moet de schuldeiser in staat stellen om de gemiste prestatie alsnog bij een derde in te kopen. De schade van [eisers] moet dus worden begroot op het moment van omzetting. [eisers] hebben verschillende offertes overgelegd en voor de hoogte van de gevorderde schade aangesloten bij de laagste offerte. In deze offerte van [bedrijf 2] zijn de werkzaamheden begroot met betrekking tot het verwijderen van de kit en van de holle tegel, het plakken van twee nieuwe vloertegels, het opnieuw kitten van de badkamer, het vastzetten van de inbouwdouchekop en het bijwerken van het voegwerk. [gedaagde] heeft tegen de hoogte van dit bedrag geen concreet verweer tegen gevoerd, zodat de kantonrechter bij deze offerte aansluiting zal zoeken bij het bepalen van de hoogte van de vervangende schadevergoeding. Er zal daarom een bedrag van € 2.218,97 worden toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
[eisers] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisers] hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisers] hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ad € 332,85 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 153,77 | |
| - griffierecht | € | 265,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 506,00 | (2 punten × € 253,00) |
| - nakosten | € | 126,50 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.051,27 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 2.218,97, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 332,85 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.051,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Voetnoten
- Zie artikel 7:760 lid 2 BW.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 7:750 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:82 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:83 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:74 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:87 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:96 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:119 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 7:760 BW meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.