Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Overijssel, 22 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6375Zaaknummer 08.142359.26
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 08.142359.26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt. De verdachte heeft het muntgeld zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken dat de wegneming als voltooid kan worden beschouwd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het muntgeld heeft weggenomen nadat de caissière de kassalade had geopend vanwege zijn slaande bewegingen met een boor en de uitlatingen: ‘Open doen, open doen, geef mij het geld, anders ga ik jou slaan.’ De verdachte heeft met zijn hand in de kassa gegrepen en er is muntgeld uit zijn hand gevallen. Hieruit volgt dat de verdachte feitelijke heerschappij heeft gehad over het muntgeld. Dat het muntgeld maar kort aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken is geweest omdat het uit de handen van de verdachte viel toen een omstander de boor van hem probeerde af te pakken, maakt dat niet anders.
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1 primair
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de reclassering, zo frequent en zo lang de reclassering dat nodig vindt (de reclassering zal contact opnemen voor de eerste afspraak);
- gedurende de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door de forensische GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- de reclassering inzicht geeft in zijn sociale netwerk;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2026 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. ter Riet, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. I.E. Voorberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.
Mr. G.H. Meijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.142359.26 (P)
Datum vonnis: 22 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats],
wonende aan [adres],
nu verblijvende in de PI [verblijfplaats].
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Wieten, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 17 mei 2026 in Zwolle met (bedreiging met) geweld geld van Albert Heijn heeft gestolen (primair), danwel heeft geprobeerd om met (bedreiging met) geweld de caissière van Albert Heijn te dwingen tot de afgifte van geld (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 17 mei 2026 te Zwolle
een geldbedrag, althans een aantal munten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan Albert Heijn B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke
diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging
met geweld tegen [slachtoffer],
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een ijzeren staaf/boor te tonen,
- met die ijzeren staaf/boor op de kassa te slaan,
- meermalen de ijzeren staaf/boor dreigend boven zijn hoofd te houden,
- slaande bewegingen te maken met die ijzeren staaf/boor in de richting van die
[slachtoffer],
- te zeggen "Geef mij het geld, anders ga ik jou slaan", althans woorden van gelijke
strekking,
- geld, althans munten, uit de muntenbak van de kassalade te pakken,
- een medewerkster van de Albert Heijn en een getuige tijdens het wegrennen aan
de kant te duwen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 mei 2026 te Zwolle
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een contant geldbedrag, in elk geval enig
goed, dat geheel of ten dele aan Albert Heijn B.V. toebehoorde,
- een ijzeren staaf/boor heeft getoond,
- met die ijzeren staaf/boor op de kassa heeft geslagen,
- meermalen de ijzeren staaf/boor dreigend boven zijn hoofd heeft gehouden,
- slaande bewegingen heeft gemaakt met die ijzeren staaf/boor in de richting van
die [slachtoffer],
- heeft gezegd "Geef mij het geld, anders ga ik jou slaan", althans woorden van
gelijke strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3 De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken moet worden, omdat hij niet de feitelijke heerschappij over de munten heeft gehad. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank [_43dadd72-0538-4411-abb3-2c4258acebae]
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – omdat verdachte heeft bekend en door de verdediging geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn:
- Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 oktober 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
- Het proces-verbaal van aangifte van 17 mei 2026 van [slachtoffer], pagina 7 tot en met 9;
- Het proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2026 van verbalisant [verbalisant], over haar waarnemingen op de camerabeelden, voor zover relevant, inhoudende: ‘Ik zag (...) dat de verdachte met zijn linkerhand in het rechtervak met muntgeld van de kassalade grijpt. (...) Ik zag dat de linkerhand van de verdachte (...) uit de kassalade gaat. Ik zag vervolgens dat er muntgeld op de grond valt vanuit de hand van de verdachte’), pagina 16 tot en met 20.
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte het muntgeld zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende, Albert Heijn, heeft onttrokken dat de wegneming als voltooid kan worden beschouwd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte het muntgeld heeft weggenomen nadat de caissière de kassalade had geopend vanwege zijn slaande bewegingen met een boor en de uitlatingen: ‘Open doen, open doen, geef mij het geld, anders ga ik jou slaan.’ Verdachte heeft met zijn hand in de kassa gegrepen en er is muntgeld uit zijn hand gevallen. Hieruit volgt dat verdachte feitelijke heerschappij heeft gehad over het muntgeld. Dat het muntgeld maar kort aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken is geweest omdat het uit de handen van verdachte viel toen een omstander de boor van hem probeerde af te pakken, maakt dat niet anders.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 17 mei 2026 te Zwolle,
een aantal munten die aan Albert Heijn B.V. toebehoorden heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke
diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging
met geweld tegen [slachtoffer],
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te
maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een ijzeren boor te tonen,
- met die ijzeren boor op de kassa te slaan,
- meermalen de ijzeren boor dreigend boven zijn hoofd te houden,
- slaande bewegingen te maken met die ijzeren boor in de richting van die
[slachtoffer],
- te zeggen "Geef mij het geld, anders ga ik jou slaan",
- munten uit de kassalade te pakken,
- een medewerkster van de Albert Heijn en een getuige tijdens het wegrennen aan
de kant te duwen;
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
5 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, dat een onvoorwaardelijk strafdeel niet heel veel langer moet duren dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en dat een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden kan worden opgelegd.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt. Hij is met gezichtsbedekking de supermarkt binnengegaan, en heeft de caissière bedreigd met een grote stalen boor. Nadat zij de kassa opende heeft hij muntgeld uit de kassa gepakt. Nadat een omstander op enig moment de boor van hem afpakte, heeft verdachte een winkelmedewerker en omstander geduwd tijdens zijn poging te winkel te ontvluchten. Uiteindelijk is hij in de winkel overmeesterd.
Overvallen zijn ernstige strafbare feiten, die heel beangstigend zijn voor de slachtoffers. Uit de onderbouwing van de vordering benadeelde partij van de caissière blijkt dat de overval een grote impact op haar heeft gehad. Daar heeft verdachte niet bij stil gestaan. Hij heeft alleen snel geld willen verdienen. Daar komt bij dat dit soort feiten gevoelens van angst en gevoelens van onveiligheid veroorzaken in de samenleving.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 7 oktober 2026. Hoewel hij niet eerder voor een overval is veroordeeld, is hij wel eerder veroordeeld voor verschillende geweldsfeiten.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 6 juli 2026. Daaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen jaren diverse vormen van hulp en aansturing heeft gehad, waaronder een jeugdreclasseringsmaatregel. Deze is voortijdig negatief retour gezonden. Alle interventies ten spijt, heeft de geboden aansturing en hulp niet geleid tot gedragsverandering. De reclassering maakt zich grote zorgen over de gewetenontwikkeling van verdachte en de normen en waarden die hij hanteert. Verdachte handelt niets ontziend als hij denkt dat het doel de middelen rechtvaardigt. De reclassering vindt het belang van diagnostiek groot. Hoewel de reclassering zich afvraagt of een reclasseringstoezicht van toegevoegde waarde is, vinden zij het van belang dat te overwegen gezien de leeftijd van verdachte en de ernst van de verdenking. De reclassering hoopt dat verdachte door zijn huidige detentie zelf gaat inzien dat een verandering van houding helpend kan zijn. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, deelname aan een gedragsinterventie (na zich te hebben laten diagnosticeren), behandelverplichting, vinden en houden van dagbesteding, aflossing van schulden en inzicht geven in het sociale netwerk.
Tijdens de zitting heeft verdachte verteld dat hij voor het eerst gedetineerd zit en dat hij als gevolg van zijn detentie is veranderd. Hij is bereid om zich aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te houden.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin wordt voor ‘overval bedrijf (zoals een winkel, bank, benzinestation)’ met licht geweld/bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren als oriëntatiepunt gegeven. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gezien de ernst van het feit is alleen een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van veertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Daaraan zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.
De inbeslaggenomen voorwerpen
Tijdens de zitting heeft de verdachte mondeling afstand gedaan van het onder hem in beslag genomen boor (voorwerpnummer: BZBD8355NL). Daarom zal de rechtbank daarover geen beslissing nemen.
7 De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.555,-- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.000,--.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair betoogd de vordering af te wijzen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft zij betoogd de vergoeding te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij is immers overvallen tijdens haar werk als caissière en werd daarbij onder andere door verdachte bedreigd met een stalen boor en achtervolgd toen zij probeerde te vluchten. In haar vordering beschrijft de benadeelde partij de grote impact die de overval op haar heeft gehad.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,-- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte ten opzichte van de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8 De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1 primair
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de reclassering, zo frequent en zo lang de reclassering dat nodig vindt (de reclassering zal contact opnemen voor de eerste afspraak);
- gedurende de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door de forensische GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- de reclassering inzicht geeft in zijn sociale netwerk;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2026 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. ter Riet, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. I.E. Voorberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.
Mr. G.H. Meijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
- Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie met bestandsnaam ‘ON00000_2026241396_Pv voorgeleiding op eind-pv.pdf’. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 359 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 312 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:106 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36f Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1 WID meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.