Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6325Zaaknummer C/08/350254 / JE RK 26-1267

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/350254 / JE RK 26-1267
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken. Huidige frequentie vastleggen + regie over eventuele wijzigingen bij minderjarige neerleggen gezien leeftijd en verleden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijzigt ten aanzien van [minderjarige 1] de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt deze als volgt:

  • [minderjarige 1] heeft één zondag in de twee weken van 10:00 uur tot 12:00 uur omgang met de vader bij de grootouder vz;
  • Eventuele wijziging (waaronder uitbreiding of inperking) van die regeling vindt onder regie van [minderjarige 1] plaats.
6.2.

wijzigt ten aanzien van [minderjarige 2] de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt dat tussen [minderjarige 2] en de vader geen vaste regeling geldt, zodat [minderjarige 2] zelf kan bepalen wanneer hij contact heeft met de vader.

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026 door mr. M. van der Hoeven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mahmoud als griffier, en op schrift gesteld op 22 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Zwolle

Zaaknummers: C/08/350254 / JE RK 26-1267 ([minderjarige 1]) en C/08/350260 JE RK 26-1269 ([minderjarige 2])

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

Beschikking wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd in Zwolle,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 1].

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. S.M. Wolff,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. R.P. Adema,

en [minderjarige 1].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de verzoekschriften met bijlagen, ontvangen op 30 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2026. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak over de ondertoezichtstelling met zaaknummer C/08/350262 JE RK 26-1270. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat,

- de moeder met haar advocaat,

- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1].

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 10 oktober 2026.

2.4.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 september 2025 ook de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de duur van de ondertoezichtstelling gewijzigd in die zin dat:

  • de omgang onder de regie van de GI komt te staan;
  • het uitgangspunt hierin is dat er omgang dient te zijn tussen de vader en de kinderen, maar dat er geen enkele vorm van geweld mag plaatsvinden;
  • de vader zich dient te houden aan de gestelde veiligheidsafspraken.

3 Het verzoek

In de zaak met zaaknummer C/08/350254 / JE RK 26-1267 ( [minderjarige 1])

3.1.

De GI verzoekt, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de door de kinderrechter op 11 september 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat:

  • [minderjarige 1] één zondag in de twee weken van 10:00 uur tot 12:00 uur omgang heeft met de vader bij de grootouder vz;
  • Eventuele wijziging (waaronder uitbreiding of inperking) van die regeling onder regie van [minderjarige 1] plaatsvindt.
3.2.

Ter onderbouwing van dit verzoek wordt verwezen naar het verzoekschrift en de bijlagen. De GI heeft ter aanvulling tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het passend is bij de leeftijd en het leven van [minderjarige 1] om meer regie te krijgen over de omgang. Zij kan heel goed aangeven wat voor haar prettig is en kan haar mening duidelijk vertellen. [minderjarige 1] is ook aan het puberen en heeft een druk leven met school, trainingen en zwemwedstrijden. Het is belangrijk dat zij hierin balans weet te houden zodat zij daarin rust kan ervaren. Een regeling waarbij zij meer de verantwoordelijkheid heeft is hierbij helpend.

In de zaak met zaaknummer C/08/350260 JE RK 26-1269 ( [minderjarige 2])

3.3.

De GI verzoekt, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de door de kinderrechter op 11 september 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat er tussen [minderjarige 2] en de vader geen vaste regeling geldt, zodat [minderjarige 2] zelf kan bepalen wanneer hij contact wil hebben met de vader.

3.4.

Ter onderbouwing van dit verzoek wordt verwezen naar het verzoekschrift en de bijlagen. De GI heeft ter aanvulling tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het afgelopen jaar hard gewerkt is om beweging te krijgen in het contactherstel tussen [minderjarige 2] en de vader. De GI is daarin niet alleen afhankelijk van de vader, maar ook van [minderjarige 2]. De jeugdbeschermer probeert zich tussen hen te positioneren. De jeugdbeschermer begrijpt dat er in de ogen van de vader niets gebeurt. [minderjarige 2] heeft echter heel hard gewerkt aan het krijgen van vertrouwen, aan zijn zelfbeeld en aan zijn trauma’s. De GI ziet daardoor zelfs al een kleine ingang bij [minderjarige 2]. Hij benoemt hier en daar al positieve dingen over zijn vader. [minderjarige 2] gaat met de therapeut van [instelling] verder werken aan zijn zelfbeeld. Het is belangrijk dat [minderjarige 2] meer zelfvertrouwen krijgt en meer ontspannen wordt. Daar moet hij in rust aan kunnen werken. De GI denkt dat dit [minderjarige 2] kan helpen in het aangaan van contact met zijn vader. De kleine opening die [minderjarige 2] nu lijkt te hebben kan nog verder groeien als hij zelfverzekerder en ontspannen is. De jeugdbeschermer heeft daar ook vertrouwen in. Daar wil de GI nog wel voorzichtig mee zijn, om [minderjarige 2] daarin niet te forceren. De voorgestelde regeling is daarom passend en biedt duidelijkheid en ruimte.

4 De standpunten

4.1.

[minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat het goed gaat zoals het nu gaat. De omgang met de vader bij oma komt soms niet uit door de wedstrijden van [minderjarige 1]. Dan spreekt zij met de vader af dat zij niet komt of dat zij korter blijft. Zij zou het fijn vinden dat de vader begrijpt dat als zij niet kan, het voor haar moeilijk is om de omgang in te halen. [minderjarige 1] vindt het ook niet fijn dat de vader en de oma met elkaar kibbelen. Zij wil daar liever niet bij zijn. [minderjarige 1] is het ermee eens om de regeling te wijzigen.

4.2.

[minderjarige 2] heeft aan de kinderrechter verteld dat het goed gaat. Hij zou omgang met zijn vader nog wel spannend vinden en wil dat liever niet. Hij heeft geen vertrouwen in zijn vader. Hij gaat met de therapeut werken aan zijn zelfverzekerdheid.

4.3.

De moeder is het eens met de verzoeken van de GI. [minderjarige 2] heeft hard gewerkt en zij heeft het vertrouwen dat de opening die hij nu biedt zou kunnen groeien als hij daarvoor de rust en ruimte krijgt. Met de voorgestelde regeling wordt vooral het vertrouwen aan de kinderen gegeven dat waar zij mee bezig zijn, ergens toe leidt. Het gaat er niet om de verantwoordelijkheid volledig bij de kinderen te leggen. De moeder is het ook eens om de regie over de wijziging van de omgang bij [minderjarige 1] neer te leggen om haar vertrouwen en rust geven.

4.4.

De vader is het niet eens met het verzoek van de GI ten aanzien van [minderjarige 2]. De vader vindt het lang duren dat hij geen contact heeft met [minderjarige 2] en in zijn beleving verandert er niet veel. Er wordt door de GI geen begin gemaakt met het contactherstel met [minderjarige 2]. De vader vindt het wel fijn om te horen dat er een kleine opening bij [minderjarige 2] lijkt te ontstaan en hoopt dat hij en [minderjarige 2] de kans krijgen om dat te laten groeien. De vader is echter bang dat als de verantwoordelijkheid voor de omgang volledig bij [minderjarige 2] gelegd wordt, het contact helemaal stuk gaat. De vader heeft dan geen houvast meer voor omgang en vindt daarom juist dat de regie bij de GI moet blijven liggen. De vader wil dat er een plan van aanpak komt met een basis voor omgang zodat van daaruit stappen gezet kunnen worden. Hij verzoekt daarom de door de GI voorgestelde regeling af te wijzen. De vader is het eens met het verzoek met betrekking tot [minderjarige 1] als het om de frequentie gaat. De vader is het echter niet eens met het voorstel om de regie over eventuele wijzigingen bij [minderjarige 1] neer te leggen. Die verantwoordelijkheid hoort niet bij haar te liggen. De vader zou dat ook te spannend vinden en dan komen er negatieve gedachten bij hem op. Hij heeft de angst dat hij [minderjarige 1] dan verliest.

5 De beoordeling

Het wettelijk criterium

5.1.

Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedtaken of regeling inzake de uitoefening van het recht om omgang vaststellen of wijzigen voor zover

dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De kinderrechter kan de regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Het inhoudelijk oordeel

5.2.

De kinderrechter moet beslissen welke zorgregeling het beste is voor [minderjarige 1] en

[minderjarige 2].

[minderjarige 1]

5.3.

De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is om de contactregeling met de vader te wijzigen. [minderjarige 1] ziet haar vader een keer per twee weken op zondag bij haar oma. Dat gaat al een tijdje goed volgens de vader en [minderjarige 1]. Het is daarom een goed idee om dat vast te leggen. De kinderrechter vindt het ook passend dat de regie over eventuele wijzigingen van de omgang bij [minderjarige 1] komt te liggen. Dat betekent dat de omgang niet altijd zal gaan zoals de vader dat graag zou willen. [minderjarige 1] heeft echter een leeftijd bereikt waarop zij hierin een eigen rol kan spelen. Zij heeft het druk met school, zwemmen en haar sociale leven. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] hierin een goede balans kan behouden en rust voor haarzelf kan bewaren. Zij kan dan het beste bedenken wat voor haar passend en belangrijk is in het contact met de vader. [minderjarige 1] wil dit contact immers behouden. De kinderrechter heeft de indruk dat [minderjarige 1] ook goed kan aangeven wat zij wil, waarbij zij voor zichzelf afwegingen maakt, weloverwogen beslissingen neemt en zich daaraan houdt. Dat vindt de kinderrechter knap van haar. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] voldoende rust en ruimte krijgt om de omgang met haar vader af te stemmen op haar eigen bezigheden.

5.4.

De kinderrechter zal gelet op het voorgaande, conform het verzoek van de GI en de wensen van [minderjarige 1], de regeling wijzigen als na te melden.

[minderjarige 2]

5.5.

De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 2] noodzakelijk is om de contactregeling met de vader te wijzigen. Buiten het blikveld van de vader zijn er al veel stappen gezet in de voorwaarden voor eventueel contactherstel met [minderjarige 2]. [minderjarige 2] heeft hard gewerkt aan zijn trauma’s en aan zijn zelfvertrouwen. Het is bewonderenswaardig dat [minderjarige 2] stappen zet, bezig is met zijn behandeling en dat hij kleine positieve signalen afgeeft over de vader. Dat ziet de kinderrechter samen met de GI juist als een resultaat van de rust en ruimte die hij krijgt. De kinderrechter begrijpt dat het voor de vader lastig is en dat hij de angst heeft dat het contact juist verloren gaat. De kinderrechter vindt het echter belangrijk dat de therapie wordt voortgezet zodat [minderjarige 2] nog sterker in zijn schoenen komt te staan. Door hem niet onder druk te zetten en bij zijn eigen tempo aan te sluiten, kan er ruimte ontstaan voor contact dat ook voor hem prettig voelt. Het vrijlaten van [minderjarige 2] kan er daarmee juist aan bijdragen dat er bij [minderjarige 2] een (verdere) opening groeit en dat [minderjarige 2] uit eigen beweging het contact met de vader wil opzoeken. Daarmee kan de vader op de langere termijn juist meer bereiken dan wanneer hij nu zou opgeven. De kinderrechter hoopt dat de vader, net zoals de moeder en de GI, daarin vertrouwen kan krijgen. De door de GI voorgestelde regeling acht de kinderrechter dan ook noodzakelijk in het belang van [minderjarige 2].

5.6.

De kinderrechter zal gelet op het voorgaande, conform het verzoek van de GI, de regeling wijzigen als na te melden.

Voor beide kinderen

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijzigt ten aanzien van [minderjarige 1] de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt deze als volgt:

  • [minderjarige 1] heeft één zondag in de twee weken van 10:00 uur tot 12:00 uur omgang met de vader bij de grootouder vz;
  • Eventuele wijziging (waaronder uitbreiding of inperking) van die regeling vindt onder regie van [minderjarige 1] plaats.
6.2.

wijzigt ten aanzien van [minderjarige 2] de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt dat tussen [minderjarige 2] en de vader geen vaste regeling geldt, zodat [minderjarige 2] zelf kan bepalen wanneer hij contact heeft met de vader.

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026 door mr. M. van der Hoeven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mahmoud als griffier, en op schrift gesteld op 22 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.