Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6309Zaaknummer C/08/351286 / JE RK 26-1470
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/08/351286 / JE RK 26-1470
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Toewijzing schorsing van het gezag van de vader. LEC EEG schat situatie in als hoog risico op eergerelateerd geweld.
De rechtbank:
schorst [de vader], geboren op [geboortedatum 5] 1985 in [geboorteplaats 5] in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] met ingang van heden tot 7 januari 2027;
bepaalt dat de schorsing ook na 7 januari 2027 doorloopt, wanneer voor die datum bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is ingediend. De schorsing loopt dan door totdat op dit verzoek tot beëindiging van het gezag is beslist;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. Couperus - van Kooten, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026, in aanwezigheid van M.E. Sijnstra als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/351286 / JE RK 26-1470
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
Beschikking van de rechtbank over de schorsing van het gezag
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen de raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen [minderjarige 2],
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats 3],
hierna te noemen [minderjarige 3],
[minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2021 in [geboorteplaats 4],
hierna te noemen [minderjarige 4].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. M. van de Burg uit Zwolle,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te Zwolle, hierna te noemen de GI,
en [minderjarige 1].
1 Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 18 september 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang tot 7 december 2026 en het door de raad op de mondelinge behandeling van [geboortedatum 4] 2026 ingediende verzoek tot schorsing van het gezag van de vader over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] aangehouden. Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de andere gezaghebbende ouder (moeder) heeft de kinderrechter afgewezen.
2 De standpunten
De moeder heeft haar standpunt ten aanzien van het verzoek naar voren gebracht middels de brief van mr. van de Burg, binnengekomen op 10 september 2026 en de toelichting op de mondelinge behandeling op [geboortedatum 4] 2026. De moeder is het eens met het verzoek van de raad. Zij verwacht dat met de toewijzing van het verzoek kan worden bewerkstelligd dat de vader juridisch niet meer in staat is om de kinderen mee te nemen buiten Nederland. De moeder wil niet dat de kinderen een risico lopen.
Aangezien de vader niet aanwezig was bij de zitting van [geboortedatum 4] 2026, heeft de rechtbank de vader tot 24 september 2026 de gelegenheid gegeven om zijn reactie te geven op het aangehouden verzoek van de raad. Nu de rechtbank vòòr 24 september 2026 geen reactie heeft ontvangen van de vader concludeert de rechtbank dat de vader afziet van een reactie op het aangehouden verzoek van de raad.
3 De beoordeling
De rechtbank dient nog een beslissing te nemen op het aangehouden verzoek van de raad om het gezag van de vader over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te schorsen. De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:268, eerste lid, onder a BW is voldaan en wijst het verzoek tot schorsing van de vader in de uitoefening van het gezag toe. De kinderrechter legt dit hieronder uit.
Op grond van artikel 1:268, eerste lid, sub a, Burgerlijk Wetboek (BW), kan de rechtbank een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen, indien de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Er dient dan een ernstig vermoeden te bestaan dat een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.
Nu de kinderrechter bij beschikking van 18 september 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling heeft verleend ten aanzien van de kinderen is er een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van de kinderen acuut en ernstig wordt bedreigd. Het gaat daarbij om de veiligheid van de kinderen. De vader heeft zich in de afgelopen periode bedreigend gedragen tegenover de kinderen. De vader heeft [minderjarige 1] naar aanleiding van een incident over haar hoofddoek geslagen. Daarnaast zouden de kinderen de vader eens in de twee weken moeten bellen. Als de kinderen dat niet doen zou de vader boos worden. De grootste bedreiging is echter dat de vader geprobeerd heeft om [minderjarige 3] met geweld mee te nemen in de auto zonder toestemming van de moeder. De vrees is dat de vader de kinderen tegen hun wil en die van de moeder mee wil nemen naar Syrië. Veilig Thuis heeft het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEC EEG) gevraagd de situatie in te schatten en het LEC EEG heeft de situatie ingeschat als hoog risico op eergerelateerd geweld. Nu gelet hierop, de kans groot is dat de vader de veiligheid van de kinderen in gevaar kan brengen, is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is dat het gezag van de vader over de kinderen wordt geschorst. Gezien de geschetste situatie verwacht de rechtbank niet dat de vader in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de persoon en ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn te dragen.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst er op dat ingevolge artikel 1:268, vijfde lid, BW de schorsing in de uitoefening van het gezag vervalt na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van de termijn beëindiging van het gezag is verzocht.
4 De beslissing
De rechtbank:
schorst [de vader], geboren op [geboortedatum 5] 1985 in [geboorteplaats 5] in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] met ingang van heden tot 7 januari 2027;
bepaalt dat de schorsing ook na 7 januari 2027 doorloopt, wanneer voor die datum bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is ingediend. De schorsing loopt dan door totdat op dit verzoek tot beëindiging van het gezag is beslist;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. Couperus - van Kooten, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026, in aanwezigheid van M.E. Sijnstra als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.