Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Overijssel, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6265Zaaknummer ZWO 25/2284
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 25/2284
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Wet waardering onroerende zaken; gecorrigeerde vervangingswaarde kinderdagverblijf; stelplicht en bewijslast; beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier.
| griffier | rechter |
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoge beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2284
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
en
de invorderingsambtenaar van het GBLT,
gemachtigde: mr. K.M.H. de Boer.
Procesverloop
1. De invorderingsambtenaar heeft namens het waterschap Zuiderzeeland in februari 2025 aan belanghebbende vier gecombineerde aanslagen opgelegd voor zuiveringsheffing, gemeentelijke belastingen en waterschapsbelastingen voor het belastingjaar 2025.
De aanslagen zijn bekend gemaakt in de Berichtenbox van MijnOverheid
met de aanslagnummers: [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4].
Omdat belanghebbende deze aanslagen niet heeft betaald binnen de gestelde termijnen, heeft de invorderingsambtenaar voor elke aanslag een aanmaning verstuurd, wederom naar de Berichtenbox. Daarbij is totaal € 48,- aan aanmaningskosten in rekening gebracht
Vervolgens zijn per post vier dwangbevelen naar belanghebbende verstuurd. Daarin staat dat belanghebbende de openstaande bedragen binnen twee dagen moet betalen. Daarbij is in totaal € 762,- aan kosten van de dwangbevelen in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt, omdat hij het niet eens is met de aanmaningskosten en kosten van de dwangbevelen. Hij stelt dat de automatische incasso om voor hem niet bekende redenen in 2022 is gestopt en dat hij in 2024 de Berichtenbox heeft uitgezet wat kennelijk is mislukt, en los daarvan dat hij de afspraak maakte dat hij voortaan opnieuw post op papier zou krijgen.
Partijen hebben een betalingsregeling getroffen van achtmaal € 759,16 per maand voor het totaalbedrag van € 6.073,29. Dit is door de heffingsambtenaar vermeld in de brief van 27 juni 2025 en is inmiddels door belanghebbende naar eigen zeggen geheel voldaan.
Met de uitspraken op bezwaar van 14 en 15 juli 2025 heeft de invorderingsambtenaar de bezwaren ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en de gemachtigde van de invorderingsambtenaar.
Standpunt van belanghebbende
2. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van onwil om de aanslagen te betalen, maar dat de aanmaningskosten en de kosten van de dwangbevelen onterecht zijn. Deze kosten zouden voorkomen zijn als het GBLT een herinnering of aanmaning per post zou hebben verstuurd of als er telefonisch contact was opgenomen. Anders dan in de uitspraken op bezwaar staat, heeft hij de brief van 24 november 2022 met informatie veranderingen bij belastingzaken bij GBLT. Pas bij de uitspraken op bezwaar heeft hij deze brief voor het eerst gezien. Mogelijk was zijn accountant van destijds wel op de hoogte, maar dat zou hij moeten navragen. Ook vraagt belanghebbende zich af waarom de dwangbevelen – zonder een naam van een medewerker - wel per post zijn verstuurd.
Daarnaast voert belanghebbende aan dat tijdens een gesprek in 2024 met een medewerker van GBLT is afgesproken dat hij de aanslagen in het vervolg weer per post zou ontvangen. De betalingsachterstand is ontstaan doordat hij in 2023 en 2024 geen aanslagen meer per post ontving, terwijl hij dat jarenlang wel gewend was. Ook bleek dat de termijnbedragen niet meer automatisch geïncasseerd werden omdat het GBLT dat heeft beëindigd.
Op 20 juni 2025 ontving hij echter de dwangbevelen van 17 juni 2025 waarin staat dat hij voor 19 juni 2025 moest betalen. Hij heeft direct telefonisch contact opgenomen. Er werd hem verteld dat het regelmatig voorkomt dat de uiterlijke betalingstermijnen van de dwangbevelen eerder zijn dan de datums van ontvangst. Er werd de mogelijkheid geboden om bezwaar te maken en er zou een betalingsregeling worden gemaakt. Belanghebbende stelt verder dat hij geen toestemming heeft gegeven voor het beëindigen van automatische incasso in 2022. Ook staan in het verweerschrift onjuiste datums vermeld.
Standpunt van de invorderingsambtenaar
3. Volgens de invorderingsambtenaar zijn de aanslagen en de aanmaningen op de juiste wijze bekend zijn gemaakt in de Berichtenbox van MijnOverheid, omdat belanghebbende ver voor of uiterlijk sinds 2024 de Berichtenbox heeft aangezet en hiervan dus op de hoogte was en kon zijn. Dat belanghebbende de aanslagen en aanmaningen naar eigen zeggen niet heeft gezien en daarom niet heeft betaald, komt voor zijn risico.
Volgens de invorderingsambtenaar heeft belanghebbende een historie van niet tijdig betalen van aanslagen en aanmaningen. Vanaf belastingjaar 2023 is niet tijdig betaald en voor het belastingjaar 2024 is destijds met belanghebbende een betalingsregeling getroffen. Daarbij zijn eenmalig alle opgelegde aanmaningskosten van het belastingjaar 2024 vernietigd. Belanghebbende is deze regeling volledig en tijdig nagekomen. Anders dan belanghebbende stelt, is niet toegezegd dat hij de aanslagen weer per post zou ontvangen. Dit kan ook niet omdat alleen belanghebbende zelf de digitale Berichtenbox aan of uit kan zetten en een juist e-mailadres kan/moet invullen voor notificaties per mail. De heffingsambtenaar kan dat niet voor belanghebbende doen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De aanslagen als zodanig zijn niet in geschil. De rechtbank beoordeelt slechts of de aanmaningskosten en kosten van de dwangbevelen terecht in rekening zijn gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar deze kosten terecht in rekening heeft gebracht en licht dit als volgt toe.
Vast staat dat Berichtenbox in ieder geval sinds 2024 was ingeschakeld om post digitaal te ontvangen. Dat brengt met zich dat de invorderingsambtenaar niet gehouden was papieren post naar belanghebbende te sturen, maar kon volstaan met digitale aanslagen en aanmaningen. Dwangbevelen mogen daarentegen alleen per post wordt verstuurd.[_e822bdd5-3f9e-47db-aee4-ce870e1d478a]
Het risico van niet tijdig betalen van aanslagen en aanmaningen komt daarmee geheel te liggen op degene die de Berichtenbox heeft aangezet. Slechts belanghebbende zelf is verantwoordelijk (i) of en welke post belanghebbende digitaal toegezonden wil krijgen via het door belanghebbende zelf op te geven, correcte e-mailadres van (ii) de door belanghebbende zelfgekozen overheidsinstantie(s) en (iii) of hij zelf de notificatie al dan niet heeft aangezet. Voor een bestuursorgaan gold tot 1 januari 2026 geen notificatieplicht als belanghebbende die notificatie zelf niet had aangezet. Dit blijkt uit de uitspraak van
1 mei 2026 van de Hoge Raad.[_54bdf863-42ef-4434-9104-614e9d5aef0a]
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beroepsgronden van belanghebbende niet slagen, omdat hijzelf verantwoordelijk was voor de Berichtenbox. Ook als zijn (voormalig) accountant door hem gemachtigd was. Dat ontslaat hem namelijk niet van zijn verantwoordelijkheid. Dat de termijnbedragen sinds 2022 niet meer automatisch geïncasseerd werden, ontslaat hem ook niet van die verantwoordelijkheid. Belanghebbende is daar per brief van 24 november 2022 op gewezen: hij moet zelf de automatische incasso opnieuw aanzetten. Daarnaast heeft belanghebbende niet onderbouwd gesteld dat hij in 2024 met een ambtenaar andersluidende afspraken zou hebben gemaakt over het versturen van brieven per post. De heffingsambtenaar heeft terecht gesteld dat dat ook niet kan, omdat alleen belanghebbende zelf de digitale Berichtenbox aan of uit kan zetten. Dat in het verweerschrift eventueel verkeerde datums zijn vermeld moge zo zijn, maar dat maakt niet dat de uitspraken op bezwaar inhoudelijk niet juist zijn. Gelet op het voorgaande zijn aanmaningskosten en kosten van de dwangbevelen terecht in rekening gebracht.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Daarom krijgt hij het griffierecht niet terug en evenmin een vergoeding voor proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier.
| griffier | rechter |
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoge beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Voetnoten
- Artikel 13, eerste lid van de Invorderingswet 1990.
- Het kenmerk van deze uitspraak is ECLI:NL:HR:2026:734 en is te raadplegen via rechtspraak.nl.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.