Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Overijssel, 16 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6234Zaaknummer ZWO 25/2409

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 25/2409
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW). Het UWV stelt dat eiseres op 24 mei 2022 geschikt was voor de maatgevende arbeid. Altijd doorgewerkt met klachten. Geen medische stukken die onderbouwen dat ze met deze klachten het werk niet kon doen. Medische geschiktheid vergt geen arbeidskundige beoordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffierRechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres], uit [woonplaats], [eiseres]
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/2409

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], [eiseres]

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [gemachtigde 1]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Holland Integrity Group B.V. uit [vestigingsplaats] (de ex-werkgever)

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiseres] op grond van de Ziektewet (ZW). Het UWV stelt dat [eiseres] op 24 mei 2022 geschikt was voor de maatgevende arbeid. [eiseres] betwist dit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiseres] geschikt was voor de maatgevende arbeid. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [eiseres] heeft zich op 2 oktober 2024 ziekgemeld bij het UWV. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 7 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2025 op het bezwaar van [eiseres] is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1.

[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [eiseres] is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres], M. Malwand-Baraji als tolk en de gemachtigde van het UWV.

2.3

Bij brief van 28 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.De rechtbank achtte het voor de beoordeling van het beroep noodzakelijk dat [eiseres]

alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om informatie op te vragen bij haar voormalig werkgever ter onderbouwing van haar stelling dat zij tijdens het dienstverband eigenlijk al ziek was. Zij is hierbij verzocht, daar waar mogelijk, afschriften van functionerings- en voortgangsgesprekken te overleggen over de periode tot en met juni 2022. Tevens is zij verzocht, indien mogelijk, gespreksverslagen van de arbo-arts te overleggen.

2.4

Bij brief van 13 februari 2026 heeft de ex-werkgever aanvullend gereageerd.Bij brief van 12 maart 2026 heeft [eiseres] aanvullende informatie verstrekt.Bij brief van 20 maart 2026 heeft het UWV gereageerd op de overgelegde informatie.Bij brief van 1 april 2026 heeft de ex-werkgever gereageerd op de informatie van [eiseres].Bij brief van april 2026 heeft [eiseres] gereageerd op de brief van 1 april 2026 van de ex-werkgever.

2.5

Partijen is verzocht aan te geven of zij behoefte hebben aan een nadere behandeling ter zitting. [eiseres] en het UWV hebben aangegeven hieraan geen behoefte te hebben. De ex-werkgever heeft niet gereageerd binnen de daartoe gestelde termijn. Hierop is het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [eiseres] is eerder werkzaam geweest voor Holland Integrity groep (de ex-werkgever) vanaf 1 juli 2021 tot en met van 1 maart 2023. Haar contract bij deze werkgever is beëindigd omdat haar tewerkstellingsvergunning per 1 maart 2023 niet is verlengd.Voorts heeft zij als stagiaire gewerkt bij de [hogeschool] te [vestigingsplaats] van 1 september 2023 tot en met 31 januari 2024.

[eiseres] heeft zich op 17 september 2024 bij het UWV ziekgemeld met ingang van 2 januari 2023. Het UWV heeft bij besluit van 24 september 2024 dit verzoek afgewezen omdat de ex-werkgever eigen risicodrager is en [eiseres] zich daar ziek moet melden.

[eiseres] heeft zich op 2 oktober 2024 opnieuw ziekgemeld met ingang van 24 mei 2022.Het UWV heeft deze ziekmelding doorgezonden naar de ex-werkgever ter behandeling. Na een tweetal aanmaningen om de ziekmelding in behandeling te nemen heeft het UWV de ziekmelding overgenomen ter behandeling.

Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het UWV bij besluit van 7 februari 2025 [eiseres] bericht dat haar aanvraag per 24 mei 2022 wordt afgewezen omdat zij toen geschikt was voor haar eigen werk als [functie] voor 40 uur per week.

[eiseres] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Het UWV heeft bij het bestreden besluit van 30 juli 2025 het bezwaar ongegrond verklaard. Ter onderbouwing is verwezen naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 juni 2025.

Beroepsgronden

4. [eiseres] stelt dat zij op datum in geding niet geschikt was voor de maatgevende arbeid. Vanwege haar verblijfsrechtelijke situatie kon zij niet anders dan door werken, maar feitelijk was zij niet geschikt voor de maatgevende arbeid. Zij had last van fysieke klachten aan schouder en elleboog, chronische hoofdpijn en psychische klachten als gevolg van een burnout en paniekaanvallen.Het feit dat zij de maatgevende arbeid feitelijk heeft verricht, betekent nog niet dat zij ook daadwerkelijk arbeidsgeschikt was voor dit werk. [eiseres] had eenvoudigweg geen keuze dan door te blijven werken. Het langdurig zittend werk doen aan een beeldscherm was zeer belastend voor haar.Ter onderbouwing heeft zij gewezen op de emailcorrespondentie met haar leidinggevende waarin zij haar klachten ook meldde. Voorts wijst zij er op dat uit haar personeelsdossier ook blijkt dat zij op meerdere momenten verzuimde vanwege haar klachten en/of artsenbezoek. De ex-werkgever had op dat moment de arbo-arts moeten inschakelen. Dat dat niet is gebeurd kan niet aan [eiseres] worden verweten.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet onderzocht hoe [eiseres] met haar klachten functioneerde tijdens haar dienstverband met de ex-werkgever en legt verder ook niet uit waarom de psychische klachten van dien aard waren dat ze niet in de weg stonden aan het uitvoeren van de maatgevende arbeid.

Overigens miskent de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het traineeship niet de maatgevende arbeid is in de onderhavige zaak en daarmee ook niet te vergelijken is. Het feit dat [eiseres] aan het traineeship heeft deelgenomen zegt op zichzelf dus niets over haar geschiktheid voor de maatgevende arbeid. Het feit dat [eiseres] uiteindelijk pas in 2024 bij de POH-GGZ terecht kwam vanwege de psychische problematiek, betekent daarom nog niet dat er eerder geen klachten waren of dat de klachten niet ernstig waren.

[eiseres] wijst er op dat wel degelijk sprake is geweest van behandeling naast medicatie, namelijk fysiotherapie. In mei 2022 is een duidelijke diagnose gesteld en het probleem was van dien aard dat een operatie noodzakelijk werd geacht. Daarmee zijn de door [eiseres] benoemde klachten genoegzaam geobjectiveerd. De door [eiseres] op het vragenformulier verstrekte informatie over de functiebelasting is maar zeer gedeeltelijk betrokken bij de invulling van de maatgevende arbeid. De aspecten geordend werken, geconcentreerd werken, verantwoordelijkheid dragen en snel werken worden niet genoemd in de door de verzekeringsartsen gebruikte beschrijving van de maatgevende arbeid en de functiebelasting. Dit impliceert dat met deze belastingaspecten ook geen rekening is gehouden bij de beoordeling van [eiseres]’ arbeidsgeschiktheid.

Het feit dat [eiseres] in het kader van de WW-beroepsprocedure heeft gesteld dat zij vanaf de eerste werkloosheidsdag beschikbaar was voor werk en ook heeft gesolliciteerd, is evenmin een valide argument om [eiseres] arbeidsgeschikt te achten voor de maatgevende arbeid. Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen, moest [eiseres] zich wel beschikbaar houden voor werk en daadwerkelijk solliciteren, Dit betekende echter niet dat zij ook daadwerkelijk arbeidsgeschikt was.

Beoordeling door de rechtbank

5.1

In geschil is de vraag of [eiseres] op de datum in geding, 24 mei 2022, geschikt was voor haar eigen werk als strateeg voor 40 uur per week. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden.

Toetsingskader

5.2

Iemand heeft recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’.[_a29a9e4a-dd5b-4fa0-9cd2-737c3b223b07] Met ‘zijn arbeid’ wordt het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding bedoeld.[_764e2742-97a5-488b-b2fb-bf79b2d3a919]

5.3

Het UWV mag besluiten over arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, die op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen strijdigheden bevatten en waaruit de conclusies logisch voortvloeien. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat die rapporten over haar niet aan deze vereisten voldoen.

Juistheid van het medisch oordeel.

6.1

De rechtbank overweegt dat het UWV op goede gronden heeft geoordeeld dat [eiseres] op 24 mei 2022 geschikt was voor de maatgevende arbeid.Zij acht daarbij het volgende van belang.

6.2

De rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn voldoende inzichtelijk en de conclusies zijn begrijpelijk neergelegd in de rapportages van 8 februari 2025 en 27 juni 2025.Uit hetgeen [eiseres] aanvoert, volgt niet dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont

6.3

De arts heeft in de rapportage van 8 februari 2025 aangegeven dat sprake is geweest van voldoende belastbaarheid voor het werk ten tijde van de ziekmelding, ondanks de geclaimde klachten. Als eerste omdat [eiseres] altijd fulltime gewerkt heeft in de periode dat zij onder contract stond. Daarnaast heeft zij zelf aangeven dat ze beschikbaar was voor werk per 1 maart 2023 in het kader van de werkloosheidswet (WW) en als laatste omdat ze in staat was voor 35 uur per week een traineeship te doen bij de HvA vanaf september 2023.

6.4

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 27 juni 2025 als volgt overwogen: de tijdlijn van de geclaimde psychische klachten van [eiseres] is niet consistent met de mate waarin ze klachten had tijdens haar dienstverband bij de ex-werkgever. Zo heeft ze zich destijds niet ziekgemeld. Ook was [eiseres] in staat om in 2023 een traineeship te volgen bij de Hoge School van [vestigingsplaats]. Iets wat niet zou kunnen als de psychische problemen dermate waren dat ze haar functioneren zouden beperken in de mate waarin [eiseres] claimt. Ook is niet consistent dat [eiseres] pas in 2024 hulp zocht voor psychische problematiek bij de huisarts. Waarbij dan uit het huisartsenjournaal ook duidelijk wordt dat er in grote mate sprake is van socio-economische en sociale problematiek. Als laatste heeft [eiseres] bij de inhoudelijke behandeling van haar rechtszaak tegen het niet toekennen van de WW gesteld, dat zij in de gehele periode vanaf de dag dat zij werkloos is geworden, beschikbaar was voor werk en ook heeft gesolliciteerd. Ook dit is niet consistent met de mate van klachten die zij claimt.

Dit alles tezamen maakt dat arbeidsongeschiktheid op grond van haar psychische klachten niet wordt aangenomen.

Ten aanzien van de fysieke klachten geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het volgende aan. De maatstaf van [eiseres] was er een met fysiek licht werk. [eiseres] heeft tijdens het spreekuur ook aangegeven dat ze de maatstaf in 2022 heeft kunnen verrichten met de toen reeds aanwezige klachten aan haar elleboog/hand. [eiseres] heeft voor geen van de fysieke klachten (elleboog, hand, schouder, rug) sinds 2022 een behandeling gehad, behoudens gebruik van Diclofenac. Er is wel diagnostiek verricht, maar dit heeft niet geleid tot de behandeling die bij de uitslagen paste. Ten slotte worden er bij het lichamelijk onderzoek in bezwaar, ondanks dat de klachten meerdere jaren persisteren, geen voor de maatstaf relevante beperkingen geobjectiveerd.

6.5

De rechtbank volgt de verzekeringsartsen in hun standpunt dat [eiseres] op de datum in geding, met de psychisch en lichamelijke klachten die zij had, heeft gewerkt en niet (langdurig) is uitgevallen voor de maatgevende arbeid.[eiseres] erkent in haar brief van 12 maart 2026 dat er geen contact is geweest met de arbo arts, dat zij niet langdurig ziekgemeld is geweest en dat er geen functionerings- of voortgangsgesprekken zijn geweest waaruit blijkt hoe haar medische situatie was ten tijde in geding. Uit de emailcorrespondentie met haar leidinggevende blijkt voorts niet dat [eiseres] niet tot haar werk in staat was. Er blijkt alleen uit dat zij klachten ervaarde.

Het UWV heeft er naar het oordeel van de rechtbank in dit kader dan ook terecht op gewezen dat de enkele omstandigheid dat [eiseres] klachten had, niet maakt dat zij daarom ongeschikt was voor de maatgevende arbeid. [eiseres] heeft aangegeven dat zij niet in staat was tot het werk, maar niet anders kon dan doorzetten. Het is echter in dat geval aan haar om dat aannemelijk te maken. Zij is daarin niet geslaagd. Daarbij hebben de (verzekerings) artsen mogen betrekken dat zij ook in werk heeft hervat bij de Hogeschool van [vestigingsplaats] en ook tijdens de beroepsprocedure inzake een WW-uitkering telkens heeft aangegeven dat zij beschikbaar was voor arbeid.De door [eiseres] in de beroepsfase ingediende stukken geven geen nieuw medisch inzicht in de klachten en beperkingen op de datum in geding van 24 mei 2022. Dat deze nadien ernstiger zouden zijn geworden kan, wat daar ook van zij, niet afdoen aan de beoordeling op de datum in geding.De in deze medische stukken beschreven klachten van [eiseres], zowel de lichamelijke als de psychische waren al bekend en zijn ook meegewogen, voor zover van belang op de datum in geding. Uit de door [eiseres] ingediende medische stukken kan de rechtbank niet afleiden dat deze klachten en bijbehorende beperkingen door het UWV zijn onderschat.

De enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door [eiseres] ervaren klachten op een andere manier heeft gewogen dan dat zij die ervaart, betekent niet dat het medische oordeel onzorgvuldig of onjuist is. De subjectieve beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij [eiseres] zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen.

De rechtbank constateert hierbij dat [eiseres] weliswaar veel medische informatie heeft overgelegd, maar dat de meeste informatie van deze informatie geen betrekking heeft op de datum in geding. Het is begrijpelijk dat [eiseres] mogelijk moeilijk aan informatie kan komen over de periode dat zij geen zorgverzekering had. Eveneens is begrijpelijk en invoelbaar dat de problemen omtrent haar verblijfsstatus [eiseres] veel zorgen hebben gegeven en stress en lichamelijke klachten kunnen hebben veroorzaakt. Dit kan echter niet afdoen aan de omstandigheid dat [eiseres] ten tijde in geding nog in dienst was bij de ex-werkgever en ook nog een kleine tien maanden erna. In de periode voorafgaand aan de datum in geding was [eiseres] wel in het bezit van een zorgverzekering en speelden de verblijfsrechtelijke problemen nog niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffierRechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Dit volgt uit artikel 19 van de ZW.
  2. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2248.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.