Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 29 september 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6078Zaaknummer 12067907 \ CV EXPL 26-90
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Publicatiedatum
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12067907 \ CV EXPL 26-90
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Almelo
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gebrekkige reparatie van motor na contacten met zoon en vader. Vraag met wie is gehandeld.
4 De beslissing
De kantonrechter
in het incident:
wijst de vordering in het incident af,
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak:
wijst de vorderingen van [partij A] af,
veroordeelt [partij A] in de proceskosten, aan de kant van [partij B] een bedrag van € 50,00 voor verletkosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12067907 \ CV EXPL 26-90
Vonnis van 8 september 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1],
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. D.J. Mensink,
tegen
[partij B],
te [woonplaats 2],
h.o.d.n. [bedrijf],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de aanvulling (eis incident) op de rol van 10 februari 2026
- de conclusie van antwoord in het incident, waarna een mondelinge behandeling is bepaald in het incident en in de hoofdzaak
- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten en het geschil
Op 8 juni 2023 heeft [partij A] zijn Sea-Doo boot ter reparatie naar [partij B] gebracht. [partij A] bracht de boot op verzoek van [partij B] naar het bedrijfspand aan de [adres]. [partij B] heeft daar een diagnose uitgevoerd ten aanzien van de motor van de boot. Deze bleek een te lage compressie te hebben. [partij A] heeft over reparatie van de motor gesproken met [partij B] en met zijn vader: [vader van gedaagde].
Na de diagnose van [partij B] zijn er werkzaamheden aan de motor verricht door [vader van gedaagde] en heeft [partij A] de boot in november 2023 weer opgehaald, tegen betaling van een bedrag van € 4.325,00 aan [vader van gedaagde].
Toen [partij A] de boot in het voorjaar weer wilde gebruiken bleek dat de motor niet goed gerepareerd was. Ondanks verzoeken van [partij A] is de motor niet alsnog goed gerepareerd door [partij B] dan wel [vader van gedaagde]. [partij A] heeft hierop een derde ingeschakeld en die heeft de motor van de boot gerepareerd, tegen een vergoeding van € 7.865,00 inclusief btw.
[partij A] vordert in deze procedure, na vermindering van eis, om [partij B] te veroordelen tot betaling van dit bedrag van € 7.865,00 bij wijze van vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente (€ 715,66) en incassokosten
(€ 768,25), samen € 9.348,91. Volgens [partij A] heeft hij gecontracteerd met [partij B], niet met [vader van gedaagde], althans moet het handelen van [vader van gedaagde] worden toegerekend aan [partij B]. Dat blijkt uit de omstandigheden van het geval. [partij B] is daarom aansprakelijk.
[partij B] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Volgens [partij B] blijkt uit de omstandigheden van het geval dat [partij A] niet met hem maar met zijn vader heeft gecontracteerd. [partij B] zelf is daarom niet aansprakelijk, [partij A] moet bij zijn vader zijn. [partij B] voert overigens ook verweer tegen de hoogte van de vervangende schadevergoeding. De factuur van de derde is niet gespecificeerd en veel te hoog gelet op de werkzaamheden die al aan de motor waren verricht en de daarbij geleverde onderdelen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3 De beoordeling, in het incident en in de hoofdzaak
Kern van dit geschil is het antwoord op de vraag wie contractspartij is van [partij A]. Volgens [partij B] is hij geen contractspartij en staat dat behandeling van de zaak in de weg. Dat verweer is als een incident aangemerkt maar speelt uiteraard ook in de hoofdzaak. Aangezien beantwoording van deze vraag meer van materiele dan procesrechtelijke aard is zal de kantonrechter over deze kwestie in de hoofdzaak beslissen en de vordering in het incident afwijzen, met compensatie van kosten.
Partijen zijn het niet eens over het antwoord op de vraag met wie [partij A] heeft gecontracteerd. Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn (Hoge Raad 29 oktober 2021 ECLI:NL:HR:2021:1615 onder 3.2).
Voor de omstandigheden van het geval verwijzen partijen naar hun stellingen in de processtukken en in het bijzonder naar een overzicht van diverse Whatsapp berichten, van [partij A] aan [partij B] en aan [vader van gedaagde].
De kantonrechter acht de volgende omstandigheden voldoende vast staan en relevant:
- [partij A] heeft het eerst contact gehad met [partij B], h.o.d.n. [bedrijf] en de boot op 8 juni 2023 gebracht naar het adres dat [partij B] noemde;
- [partij B] heeft medio juni 2023 een (kosteloze) diagnose uitgevoerd aan de motor van de boot en het probleem vastgesteld;
- [partij B] heeft toen gezegd dat hij niet zat te wachten op een dergelijke grote klus, of woorden van gelijke strekking;
- Partijen spraken af dat [partij A] de boot weer zou ophalen en [partij A] kwam daarvoor ook op de locatie, op 14 juni 2023;
- [partij A] heeft toen met [vader van gedaagde] gesproken over de motor en daarbij is afgesproken dat [vader van gedaagde] werkzaamheden aan de motor zou verrichten;
- De afspraak met [vader van gedaagde] is gemaakt buiten aanwezigheid van [partij B]; [partij B] heeft gemotiveerd verklaard dat hij later kwam en de afspraak al was gemaakt toen hij ter plaatse kwam, en dat is door [partij A] onvoldoende betwist;
- [partij A] vraagt in het Whatsapp bericht van 27 juni 2023 aan [partij B] “Had je vader al tijd gehad om te kijken?”;
- [vader van gedaagde]. heeft feitelijk de werkzaamheden aan de motor verricht, in de periode eind juni 2023 t/m september 2023;
- Op 21 oktober 2023 kreeg [partij A] via het Whatsapp kanaal van [partij B] door dat de boot klaar was;
- Het Whatsapp verkeer tussen partijen liep tot oktober/november 2023, via het Whatsapp account van [partij B]/[bedrijf], vanaf 24 oktober 2023 vonden de contacten (voornamelijk) plaats via het Whatsapp account van [vader van gedaagde]; in de Whatsapp berichten van [partij B] vermeldt deze soms “we”;
- Via het Whatsapp account van [vader van gedaagde] kreeg [partij A] het bericht dat de kosten in totaal € 4.325,00 bedroegen, te voldoen bij het ophalen van de boot;
- [partij A] heeft de kosten van de werkzaamheden betaald aan [vader van gedaagde]., zonder factuur (van [partij B] dan wel [vader van gedaagde]);
- [partij A] heeft, nadat in het voorjaar bleek dat de reparatie niet goed was verricht, gecorrespondeerd met [vader van gedaagde]., via diens Whatsapp account;
- In die Whatsapp correspondentie laat [vader van gedaagde] met zoveel woorden weten dat hij (nogmaals) naar de motor wil kijken;
- [partij A] stelt als eerste [vader van gedaagde] in september 2024 in gebreke.
Dat er bij [partij A] verwarring is ontstaan over met wie hij handelde, is tot op zekere hoogte begrijpelijk gelet op onder meer de omstandigheden dat hij de boot heeft gebracht naar het adres dat [partij B] noemde, daar de werkzaamheden hebben plaatsgevonden en een groot deel van de contacten destijds plaatsvonden via het Whatsapp account van [partij B]/[bedrijf].
Daar staan echter meer omstandigheden tegenover, die naar het oordeel van de kantonrechter meebrengen dat geoordeeld moet worden dat [partij A] met [vader van gedaagde] heeft gehandeld en met [vader van gedaagde]. een eigen afspraak heeft gemaakt, los van [partij B], en het handelen van [vader van gedaagde] ook niet aan [partij B] kan worden toegerekend. Het gaat dan voornamelijk om de omstandigheden dat [partij B] na zijn diagnose heeft laten weten de opdracht tot reparatie te weigeren, dat [partij A] de boot weer op moest komen halen, dat [partij A] vervolgens buiten [partij B] om met [vader van gedaagde] een afspraak heeft gemaakt over reparatie van de motor, dat [vader van gedaagde] destijds de loods op de locatie in gebruik had, dat [vader van gedaagde] de werkzaamheden feitelijk heeft verricht, dat [partij A] aan [vader van gedaagde]. heeft betaald en dat hij vanaf oktober 2023 ook vrijwel alleen met [vader van gedaagde] heeft gecorrespondeerd. Daarbij komt dat het aanmerken van [partij B] als contractspartij moeilijk valt te rijmen met de omstandigheid dat [partij B] de opdracht heeft afgeslagen en [partij A] vervolgens de reparatie heeft betaald aan [vader van gedaagde] in privé, terwijl een factuur van ([bedrijf]) [partij B] ontbrak. Verder is niet gebleken dat [vader van gedaagde] in dienst is of was bij [partij B], of door welke omstandigheden die indruk zou zijn gewekt.
Bij deze stand van zaken heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij een vordering heeft op [partij B], nog los van de verdere inhoudelijke beoordeling van (de hoogte van) de vordering. De vorderingen van [partij A] zullen daarom worden afgewezen. Omdat [partij A] in het ongelijk wordt gesteld moet hij de proceskosten betalen. De proceskosten worden aan de kant van [partij B], die zelf procedeert, vastgesteld op
€ 50,00 verletkosten.
4 De beslissing
De kantonrechter
in het incident:
wijst de vordering in het incident af,
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak:
wijst de vorderingen van [partij A] af,
veroordeelt [partij A] in de proceskosten, aan de kant van [partij B] een bedrag van € 50,00 voor verletkosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.