Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 29 september 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6075Zaaknummer 12241683 \ CV EXPL 26-861

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29 september 2026
Publicatiedatum
12 oktober 2026
Zaaknummer
12241683 \ CV EXPL 26-861
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almelo
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorwaardelijke O&O

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hoofdelijk, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de Woningstichting een bedrag van € 1.013,58 (dit betreft de huurachterstand tot 1 maart 2026);

5.2

veroordeelt [gedaagde 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de Woningstichting een bedrag van € 2.476,75 (bestaande uit € 1.936,40 aan huurachterstand van 1 maart 2026 tot 1 september 2026 + € 34,91 aan de wettelijke rente + € 505,44 (inclusief BTW) aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.927,16 vanaf 18 mei 2026 tot de dag van volledige voldoening;

5.3

veroordeelt gedaagden, hoofdelijk, in de proceskosten van aan de kant van de Woningstichting begroot op € 1.316,67,

5.4

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan de [adres], gemeente [gemeente] en veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen en te verlaten met alle personen en zaken die zich vanwege hen daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van de Woningstichting te stellen, indien en zodra niet aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • [gedaagde 1] betaalt op tijd de maandelijkse termijn van € 240,00, totdat de hiervoor (onder 5.1. en 5.2. genoemde) betalingsachterstand en de (onder 5.3. genoemde) proceskosten volledig zijn betaald. De eerste aflossing dient plaats te vinden vóór
  • 1 november 2026 en daarna maandelijks vóór de 1e van de betreffende maand. De aflossingen dienen plaats te vinden op de derdenrekening van de gemachtigde van de Woningstichting ( [rekeningnummer]) onder vermelding van het dossiernummer [dossiernummer];
  • [gedaagde 1] blijft gedurende de gehele aflossing van de betalingsachterstand onder financiële begeleiding van Stadsbank Oost Nederland met een budgetbeheerrekening;
  • [gedaagde 1] betaalt op tijd (uiterlijk de 1e van iedere maand) de (volledige) maandelijkse huur aan de Woningstichting.
5.5

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huurprijs als vergoeding voor voortgezet gebruik voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] de woning vanaf de eventuele ontbinding in gebruik heeft tot en met de dag van ontruiming;

5.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. (ak)

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 4 De beoordeling
  5. Verstekverlening
  6. 5 De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 12241683 \ CV EXPL 26-861

Vonnis van 29 september 2026

in de zaak van

STICHTING REGGEWOON,

te Nijverdal,

eisende partij,

hierna te noemen: de Woningstichting,

gemachtigde: Deurwaarderskantoor Wigger Van het Laar,

tegen

1 [gedaagde 1],

te [woonplaats 1],

gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde 1],

verschenen in persoon,

2 2. [gedaagde 2],

te [woonplaats 2],

gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde 2],

niet verschenen,

3 3. [gedaagde 3],

te [woonplaats 3],

gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde 3],

[gedaagde 1] is namens [gedaagde 3] verschenen.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 mei 2026;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] van 26 mei 2026.

1.2

[gedaagde 2] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

1.3

De mondelinge behandeling is gehouden op 25 augustus 2026. Namens de Woningstichting is verschenen mevrouw [sociaal huurconsulent] (sociaal huurconsulent), vergezeld van mevrouw [naam], werkzaam bij Deurwaarderskantoor Wigger van het Laar. [gedaagde 1] is eveneens verschenen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.4

Na de mondelinge behandeling heeft de Stadsbank Oost Nederland per e-mail een toelichting gegeven over de actuele situatie van [gedaagde 1]. Daarna is er nog

e-mailcorrespondentie geweest van zowel de Woningstichting als [gedaagde 1].

1.5

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[gedaagde 1] huurt van de Woningstichting het woonhuis gelegen aan de [adres] tegen een huurprijs van op dit moment € 660,68 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

2.2

[gedaagde 2] is de ex-vrouw van [gedaagde 1] en zij is tot en met 23 februari 2026 medehuurder geweest. [gedaagde 2] heeft het gehuurde inmiddels verlaten.

2.3

[gedaagde 3] is de moeder van [gedaagde 1] en zij staat ingeschreven op het adres van het gehuurde.

2.4

Vast staat dat er een achterstand bestaat in de huurbetalingen.

3 Het geschil

3.1

De Woningstichting vordert ten aanzien van [gedaagde 1] kort gezegd ontbinding van de huurovereenkomst tussen de Woningstichting en hem en ontruiming van het gehuurde, alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Ten aanzien van [gedaagde 2] vordert de Woningstichting alleen betaling van de huurachterstand tot 1 maart 2026

(€ 1.013,58), omdat [gedaagde 2] tot en met 23 februari 2026 medehuurder is geweest en zij de woning inmiddels heeft verlaten. Ten aanzien van [gedaagde 3] vordert de Woningstichting alleen ontruiming van het gehuurde, omdat ontbinding van de huurovereenkomst ook haar zal raken, aangezien zij in het gehuurde woont.

3.2

Aan deze vordering legt de Woningstichting ten grondslag dat [gedaagde 1] zijn betalingsverplichting voortvloeiend uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst niet is nagekomen. [gedaagde 2] is haar betalingsverplichting voor de huur tot 1 maart 2026 niet nagekomen.

3.3

[gedaagde 1] heeft de huurachterstand niet betwist. [gedaagde 1] is het echter niet eens met de gevorderde ontbinding en ontruiming. Door financiële problemen is hij niet in staat (geweest) om zijn huurachterstand te betalen. [gedaagde 1] heeft inmiddels hulp gezocht bij de Stadsbank. [gedaagde 1] woont samen met zijn moeder en zijn 16-jarige dochter in de woning. [gedaagde 1] heeft alleen het ouderlijk gezag over zijn dochter.

4 4 De beoordeling

Verstekverlening

4.1

[gedaagde 2] is, in tegenstelling tot [gedaagde 1] en [gedaagde 3], in deze procedure niet verschenen, waarna de kantonrechter verstek tegen haar heeft verleend. [gedaagde 2] heeft geen gebruik gemaakt van het recht van zuivering van het verstek. Op grond van artikel 140 lid 3 Rv wordt er één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

Ambtshalve toetsing van toepasselijke algemene voorwaarden

4.2

De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.

De huurachterstand.

4.3

Vooropgesteld wordt dat de huurovereenkomst is aangegaan tussen de Woningstichting en [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Door opzegging van [gedaagde 2] op 23 februari 2026 is de overeenkomst met haar beëindigd en is de overeenkomst met [gedaagde 1] voortgezet.

4.4

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Woningstichting naar voren gebracht dat de huurachterstand sinds de dagvaarding is opgelopen met de huurverhoging van juli 2026 (€ 22,82). [gedaagde 1] heeft verder de huur van juni, juli en augustus 2026 wel voldaan.

Omdat [gedaagde 1] niet heeft betwist dat hij de huurachterstand moet betalen en [gedaagde 2] de achterstand tot maart 2026 ook niet heeft weersproken, zal dit deel van de vordering worden toegewezen. Dat betekent dat de kantonrechter zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] (hoofdelijk) zal veroordelen tot betaling van de huurachterstand tot 1 maart 2026 voor een bedrag van

€ 1.013,58. [gedaagde 1] zal daarnaast nog worden veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van 1 maart 2026 tot 1 september 2026 voor een bedrag van € 1.936,40

(€ 1.913,58 + € 22,82).

De bijkomende kosten.

4.5

De gevorderde wettelijke rente zal, als onweersproken, worden toegewezen zoals hierna vermeld, omdat [gedaagde 1] niet op tijd heeft betaald.

4.6

De Woningstichting heeft een bedrag van € 505,44 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten van [gedaagde 1] gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De Woningstichting heeft aan [gedaagde 1] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

De ontbinding en ontruiming.

4.7

Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze rechtsregel brengt tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst (HR ECLI:NL:HR:2018:1810). Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van deze huurovereenkomst gerechtvaardigd is kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn.

4.8

De kantonrechter is van oordeel dat de betalingsachterstand van de Woningstichting zodanig groot is, dat deze de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel rechtvaardigt. Echter acht de kantonrechter op dit moment de tekortkoming van [gedaagde 1], gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het concrete woonbelang van [gedaagde 1] en zijn minderjarige kind, van onvoldoende gewicht om de huurovereenkomst onvoorwaardelijk te ontbinden. De kantonrechter heeft daarbij de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde 1] betrokken. Daarnaast heeft [gedaagde 1] hulp ingeschakeld van de Stadsbank en is de (lopende) huur vanaf juni 2026 betaald. De kantonrechter gaat er vanuit dat [gedaagde 1] de ernst van de situatie inziet en de lopende huur zal (blijven) betalen. De kantonrechter zal gelet op het voorgaande de gevorderde onvoorwaardelijke ontbinding en ontruiming en aanverwante vorderingen ten aanzien van [gedaagde 1] afwijzen. De kantonrechter ziet echter, gelet op de omstandigheid dat op het moment van dagvaarden sprake was een huurachterstand meer dan drie maanden en de (financiële) situatie van [gedaagde 1] op dit moment nog niet geheel duidelijk is, wel aanleiding om een voorwaardelijke ontbinding (en ontruiming) uit te spreken. Daarbij zal de kantonrechter de voorwaarden in het dictum opnemen zoals de Woningstichting in haar e-mail van 27 augustus 2026 naar voren heeft gebracht en waarvan [gedaagde 1] daarna heeft toegezegd zich aan deze voorwaarden te houden. De kantonrechter wijst [gedaagde 1] erop dat overtreding van de genoemde voorwaarden door hem automatisch met zich brengt dat de huurovereenkomst alsnog is ontbonden en hij de woning alsnog zal moeten ontruimen als de Woningstichting dat verlangt (en het vonnis ten uitvoer legt). De termijn voor ontruiming zal op 14 dagen worden gesteld. Deze (eventuele) ontruiming zal tevens ten aanzien [gedaagde 3] worden toegewezen.

4.9

De Woningstichting vordert betaling van de achterstallige huurpenningen tot de datum van de ontruiming. Nu op dit punt geen verweer is gevoerd, zal de vordering als zodanig worden toegewezen.

De proceskosten.

4.10

Gedaagden zullen, hoofdelijk, als de verliezende partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Woningstichting worden begroot op:

- dagvaarding € 155,17

- griffierecht € 529,00

- salaris gemachtigde € 506,00 (2 punt x tarief € 253,00)

- nakosten € 126,50

Totaal € 1.316,67.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hoofdelijk, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de Woningstichting een bedrag van € 1.013,58 (dit betreft de huurachterstand tot 1 maart 2026);

5.2

veroordeelt [gedaagde 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de Woningstichting een bedrag van € 2.476,75 (bestaande uit € 1.936,40 aan huurachterstand van 1 maart 2026 tot 1 september 2026 + € 34,91 aan de wettelijke rente + € 505,44 (inclusief BTW) aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.927,16 vanaf 18 mei 2026 tot de dag van volledige voldoening;

5.3

veroordeelt gedaagden, hoofdelijk, in de proceskosten van aan de kant van de Woningstichting begroot op € 1.316,67,

5.4

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan de [adres], gemeente [gemeente] en veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen en te verlaten met alle personen en zaken die zich vanwege hen daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van de Woningstichting te stellen, indien en zodra niet aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • [gedaagde 1] betaalt op tijd de maandelijkse termijn van € 240,00, totdat de hiervoor (onder 5.1. en 5.2. genoemde) betalingsachterstand en de (onder 5.3. genoemde) proceskosten volledig zijn betaald. De eerste aflossing dient plaats te vinden vóór
  • 1 november 2026 en daarna maandelijks vóór de 1e van de betreffende maand. De aflossingen dienen plaats te vinden op de derdenrekening van de gemachtigde van de Woningstichting ( [rekeningnummer]) onder vermelding van het dossiernummer [dossiernummer];
  • [gedaagde 1] blijft gedurende de gehele aflossing van de betalingsachterstand onder financiële begeleiding van Stadsbank Oost Nederland met een budgetbeheerrekening;
  • [gedaagde 1] betaalt op tijd (uiterlijk de 1e van iedere maand) de (volledige) maandelijkse huur aan de Woningstichting.
5.5

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huurprijs als vergoeding voor voortgezet gebruik voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] de woning vanaf de eventuele ontbinding in gebruik heeft tot en met de dag van ontruiming;

5.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. (ak)

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.