Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Overijssel, 14 september 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5523Zaaknummer ZWO 25/3313
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 14 september 2026
- Publicatiedatum
- 21 september 2026
- Zaaknummer
- ZWO 25/3313
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om handhaving; geen belanghebbende; bezwaar niet-ontvankelijk; aangifte; beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3313
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna: [eiser]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over een verzoek van [eiser] aan het college om tot handhaving over te gaan op een bepaald adres in [plaats]. Volgens het college is [eiser] geen belanghebbende waardoor geen bezwaar kan worden gemaakt tegen het buiten behandeling laten van zijn handhavingsverzoek. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen plicht bestaat voor het college tot het doorsturen van het handhavingsverzoek als aangifte van een strafbaar feit naar het Openbaar Ministerie en ook geen plicht voor de rechtbank tot het doen van aangifte. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. [eiser] heeft bij brief van 31 mei 2025 aan het college gevraagd om tot handhaving over te gaan op het adres [adres 1]. Het college heeft met het besluit van 1 juli 2025 dit verzoek buiten behandeling gelaten, omdat [eiser] geen belanghebbende is.
Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 heeft het college het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] (vergezeld door [naam]) en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding en besluitvorming
2. [eiser] heeft een brief van 31 mei 2025 aan het college gericht. In de aanhef van deze brief staat 'aangifte/ verzoek tot handhaving'. [eiser] heeft beschreven dat op percelen rond het adres [adres 1] te [plaats] de afgelopen periode, mogelijk binnen het broedseizoen, diverse houtopstanden zijn gekapt en gerooid en dat een vijver is gedempt. Voor het geval dat hierbij sprake is van illegale uitvoering van activiteiten verzoekt [eiser] het college tot handhaving over te gaan.
3. Het college heeft het handhavingsverzoek in het besluit van 1 juli 2025 afgewezen, omdat [eiser] geen belanghebbende is. Het college heeft het verzoek om die reden niet in behandeling genomen. Het college heeft hierbij in aanmerking genomen dat [eiser] aan de [adres 2] woont en zijn verzoek betrekking heeft op de [adres 1]. [eiser] woning ligt op grote afstand van de [adres 1] en hij ondervindt daarom geen directe gevolgen van de vermeende illegale activiteiten die zouden kunnen bijdragen aan een rechtstreeks belang. Ook volgen uit het verzoek geen persoonlijke omstandigheden die [eiser] in een andere positie plaatsen dan anderen in de omgeving.
4. In het bestreden besluit is overwogen dat [eiser] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De reactie van het college om het handhavingsverzoek buiten behandeling te laten is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar kan worden ingediend.
Overwegingen
5. Zoals ook volgt uit de uitspraak van 12 mei 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[_cfc509f7-e44c-4feb-a423-134b9616e928], is voor de vraag of het college een besluit op het handhavingsverzoek hoefde te nemen, relevant of [eiser] belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. In dat geval is het handhavingsverzoek te beschouwen als aanvraag waarop het college een besluit moet nemen.
6. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, wordt gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Die factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
7. De rechtbank overweegt dat [eiser] op grote afstand van de [adres 1] woont. Er is niet gesteld of aannemelijk geworden dat [eiser] rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de kap van houtopstanden of het dempen van de vijver bij de [adres 1]. Dat betekent dat het voor het dagelijks leven van [eiser] niet uitmaakt of het college wel of niet tegen de eigenaar van het perceel en woning aan de [adres 1] zou optreden. Voor zover al in het verzoek van 31 mei 2025 moet worden gelezen dat het verzoek zich niet alleen tot de [adres 1] richt maar ook tot de daaromheen liggende percelen, maakt dat hierbij geen verschil gelet op de grote afstand tot de woonplaats van [eiser]. Dat [eiser] in het verleden ter plekke heeft gewoond maar de woning na een ontruiming heeft moeten verlaten, maakt het voorgaande niet anders. Dat geldt ook voor het feit dat hij die ontruiming, naar eigen zeggen, nog steeds in rechte aanvecht.
8. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel belanghebbende is, omdat iedereen aangifte kan doen van strafbare feiten. Gelet op zijn toelichting op de zitting is [eiser] van mening dat het college zijn verzoek om handhaving (waarin ook 'aangifte' is vermeld) had moeten doorsturen naar het Openbaar Ministerie (OM).
De rechtbank volgt [eiser] niet in dit betoog. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt reeds dat het college de brief van 31 mei 2025 als verzoek om handhaving heeft beschouwd en daarop heeft beslist. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond voor het oordeel dat het college deze brief (ook) als aangifte had moeten doorsturen naar het OM. Het door [eiser] ter zitting aangehaalde artikel 6:15 van de Awb verplicht daar niet toe. Dit artikel heeft alleen betrekking op het doorzenden van bezwaarschriften of beroepschriften en niet op aangiftes. Daarnaast is een groot deel van de Awb – de hoofdstukken 2 tot en met 8 van de Awb en dus ook artikel 6:15 van de Awb – niet geldig voor (onder andere) de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Dit volgt uit artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb. Dat iedereen aangifte kan doen van strafbare feiten, maakt niet dat iemand belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
9. Voor zover [eiser] ter zitting heeft bedoeld te stellen dat de rechtbank zelf aangifte dient te doen van de strafbare feiten waar hij het college in zijn brief van 31 mei 2025 op heeft gewezen, overweegt de rechtbank als volgt.
In de eerste plaats heeft het al dan niet doen van aangifte door de rechter van een strafbaar feit waarvan hij in een procedure op de hoogte is geraakt geen gevolgen voor de inhoud van de uitspraak. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk wat [eiser] met dit verzoek beoogt. Daarnaast zijn er geen bijzondere bepalingen die de (bestuurs)rechter verplichten tot de aangifte van een strafbaar feit, anders dan de algemene bepalingen in het Wetboek van Strafvordering (Sv) die zicht richten tot iedere burger.[_9e10118a-0ecf-49a8-af6c-692b89666660] Ook zijn er specifieke bepalingen die verplichten tot aangifte in het geval van bijvoorbeeld ambtsmisdrijven[_c5f96656-f806-4386-aeae-b5eb7bc6af4e], maar die bepalingen zijn hier niet aan de orde. Wel is in artikel 161 van het Sv neergelegd dat “ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit bevoegd is daarvan aangifte of klacht te doen”. Nu [eiser] weliswaar heeft gesteld dat er strafbare feiten zijn gepleegd, maar de rechtbank daar uit eigen wetenschap geen kennis van draagt, zal de rechtbank reeds daarom geen gebruik maken van deze bevoegdheid.
10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] geen rechtstreeks of persoonlijk belang heeft bij een beslissing op zijn verzoek om handhaving, zoals neergelegd in de brief van 31 mei 2025. [eiser] is geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank vindt dat het college gelijk heeft. [eiser] heeft inderdaad geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek van 31 mei 2025. Het college heeft daarom terecht besloten om ook het bezwaar van [eiser] niet inhoudelijk te beoordelen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt [eiser] het betaalde griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.