Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 30 juni 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:4027Zaaknummer 12150801 \ CV EXPL 26-706

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
12150801 \ CV EXPL 26-706
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Enschede
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiseres vordert betaling van een factuur voor onderhoudswerkzaamheden. Gedaagde heeft geen factuur ontvangen en zou betaalafspraken hebben gemaakt. Gedaagde heeft haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering van eiseres wordt toegewezen

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 123,87, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW hierover

met ingang van 11 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 375,15, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026. (PHR(O)

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. De vordering
  5. 4 De beoordeling
  6. 5 De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 12150801 \ CV EXPL 26-706

Vonnis van 30 juni 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap [eiseres] B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1],

eisende partij, hierna te noemen [eiseres],

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde] B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2],

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],

vertegenwoordigd door haar directeur de heer [naam].

De zaak in het kort

[eiseres] vordert van [gedaagde] betaling van een factuur voor onderhoudswerkzaamheden die zij in opdracht van [gedaagde] heeft verricht aan de brandveiligheidsvoorzieningen in het pand van [gedaagde].

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij in eerste instantie geen factuur heeft ontvangen en dat er andere betaalafspraken zijn gemaakt. [gedaagde] heeft na tussenkomst van de incassogemachtigde van [eiseres] de factuur betaald en zij vindt dat zij geen rente en incassokosten verschuldigd is. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd en zij voldoende mogelijkheden heeft gehad om de factuur zonder tussenkomst van de incassogemachtigde te betalen. De vordering van [eiseres] wordt daarom toegewezen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 maart 2026,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek.

1.2.

[gedaagde] heeft hierna, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen is een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiseres] onderhoudswerkzaamheden heeft verricht aan de brandveiligheidsvoorzieningen in het pand van [gedaagde]. De werkzaamheden zijn uitgevoerd op of omstreeks 6 mei 2025.

2.2.

Voor deze werkzaamheden heeft [eiseres] op 14 mei 2025 een factuur naar [gedaagde] gestuurd voor een bedrag van € 553,58 inclusief btw. De betalingstermijn van deze factuur bedroeg dertig dagen.

2.3.

Omdat [gedaagde] ondanks aanmaningen niet tot betaling van factuur is overgegaan, heeft [eiseres] haar vordering omstreeks 21 januari 2026 ter incasso overgedragen aan haar incassogemachtigde.

2.4.

[gedaagde] heeft (na twee sommaties van de incassogemachtigde) op

6 februari 2026 de hoofdsom van € 553,58 aan [eiseres] voldaan.

3 Het geschil

De vordering

3.1.

[eiseres] vordert - samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van

€ 123,87 (bestaande uit € 553,58 aan hoofdsom + € 40,83 aan rente t/m 11 maart 2026 +

€ 83,04 aan buitengerechtelijke kosten minus € 553,58 aan betaling) vermeerderd met rente en proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij [eiseres] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht. [eiseres] heeft voor haar werkzaamheden een factuur gestuurd. [gedaagde] heeft deze factuur niet tijdig betaald en is daardoor in verzuim geraakt waardoor [gedaagde] ook buitengerechtelijke kosten en rente verschuldigd is geworden.

Het verweer

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] erkent dat zij een overeenkomst heeft met [eiseres], maar [gedaagde] stelt dat zij in eerste instantie geen factuur heeft ontvangen omdat de factuur naar een oud e-mailadres is gestuurd. Ook stelt [gedaagde] dat er afspraken met [eiseres] zijn gemaakt met betrekking tot de betaling en dat [eiseres] de betaling zou ophalen net als in voorgaande jaren. Omdat alles anders is gegaan dan was afgesproken, vindt [gedaagde] dat zij geen kosten en rente verschuldigd is en daarom heeft zij alleen de hoofdsom betaald.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft erkend dat zij een overeenkomst heeft met [eiseres]. Tevens heeft [gedaagde] niet weersproken dat [eiseres] werkzaamheden bij haar heeft verricht. [gedaagde] heeft uiteindelijk ook het factuurbedrag van € 553,58 betaald. In deze procedure gaat het om de vraag of [gedaagde] ook de gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten moet betalen.

4.2.

[eiseres] heeft in haar conclusie van repliek gemotiveerd betwist dat er sprake is van afwijkende betaalafspraken met [gedaagde]. Tevens heeft [eiseres] bij repliek aangegeven dat op 19 november 2025, na telefonisch contact met dhr. [naam] van [gedaagde], de factuur (per e-mail en post) opnieuw aan haar is toegezonden. Op 2 december 2025 is er weer telefonisch contact geweest, waarbij [gedaagde] heeft meegedeeld dat zij de factuur vergeten was te betalen en zij alsnog zou gaan betalen. Vervolgens is er door [eiseres] op 16 december 2025 een sommatie naar [gedaagde] gestuurd en heeft zij op 21 januari 2026 haar incassogemachtigde ingeschakeld omdat betaling van [gedaagde], ondanks toezegging tot betaling, uitbleef.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] het verweer van [gedaagde] hiermee voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Tevens heeft [gedaagde] na het opnieuw toesturen van de factuur op 19 november 2025 voldoende tijd een mogelijkheden gehad om de factuur alsnog aan [eiseres] te betalen. [gedaagde] heeft niet meer gereageerd op de conclusie van repliek en heeft aldus het door [eiseres] in de conclusie van repliek gestelde, niet weersproken. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] dan ook toewijzen.

4.4.

[gedaagde] heeft op 6 februari 2026 € 553,58 betaald. Artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt hoe een betaling van een openstaande vordering wordt verwerkt. De betaling wordt altijd eerst afgeboekt op de kosten en daarna op de opgelopen rente en daarna op de hoofdsom. Dit betekent dat [gedaagde] nog € 123,87 aan hoofdsom moet betalen.

4.5.

[gedaagde] zal ook worden veroordeeld in de gevorderde wettelijke handelsrente over € 123,87 vanaf 11 maart 2026.

4.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€128,65
- griffierecht€139,00
- salaris gemachtigde€86,00(2 punten × € 43,00)
- nakosten€21,50(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€375,15

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 123,87, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW hierover

met ingang van 11 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 375,15, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026. (PHR(O)

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.