Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 16 oktober 2023

ECLI:NL:RBOVE:2023:4141Zaaknummer 301280 FT RK 23.476

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16 oktober 2023
Publicatiedatum
23 oktober 2023
Zaaknummer
301280 FT RK 23.476
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almelo
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek dwangakkoord. Enige weigerende schuldeiser (Nationale-Nederlanden Bank N.V.) in eerste instantie akkoord. Daarna bericht aan schuldhulpverlener: gemachtigde had niet akkoord mogen gaan. Ondertussen andere gemachtigde (Vesting Finance). Vervolgens heeft Vesting Finance tien maanden later aan schuldhulpverlener bericht dat Nationale-Nederlanden Bank N.V. definitief niet akkoord is met aanbod in minnelijk traject. Rechtbank oordeelt dat schuldenaar maximale heeft aangeboden. Sinds november 2021 ondanks ontbreken spaarcapaciteit gespaard voor schuldeisers en € 2.500,-- extra ingebracht. Minnelijk traject heeft op 4 november 2024 36 maanden geduurd.

De rechtbank:

I. beveelt verweerster in te stemmen met de door [verzoeker] aangeboden schuldregeling als hiervoor omschreven;

II. wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Eerde en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2023 in tegenwoordigheid van de griffier[_1c61b542-722a-4a4a-88cd-b3647e083496].

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Het procesverloop
  2. De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing
  3. De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: 301280 FT RK 23.476

datum vonnis: 16 oktober 2023

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verzoeker,

verder te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: Stadsbank Oost Nederland te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Bank N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gemachtigde: Vesting Finance te Amersfoort,

verweerster.

Ten aanzien van de goederen van [verzoeker] is een onderbewindstelling uitgesproken met benoeming van Antonius Bewindvoering B.V. te Hengelo (O) tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en heeft tevens verzocht om een dwangakkoord (verzoek ex artikel 287a Faillissementswet) vast te stellen.

Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord is behandeld ter terechtzitting van

9 oktober 2023. Ter zitting zijn [verzoeker] en mevrouw [naam 1] (beschermingsbewindvoerder), verschenen. Verder is er niemand verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De feiten

De totale schuldenlast van [verzoeker] bedraagt € 16.116,37, waaronder een schuld aan Nationale-Nederlanden Bank N.V. van € 11.422,43. [verzoeker] ontvangt een PW-uitkering.

[verzoeker] heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers.

Dit aanbod houdt – samengevat weergegeven – het navolgende in: aan de concurrente schuldeisers (er zijn geen preferente schuldeisers) is een aanbod gedaan van een uitkering van 9,69 % % van hun vorderingen op een termijn van 36 maanden tegen verlening door de schuldeisers van finale kwijting. Er is sprake van een prognosevoorstel. Het aanbod is eind december 2021 gedaan.

Op 1 februari 2022 is [naam 2] namens verweerster akkoord gegaan met het aanbod in het minnelijk traject. Op 3 maart 2022 heeft de Stadsbank Oost Nederland echter een schrijven ontvangen inhoudende dat [naam 2] niet akkoord had mogen gaan met het aanbod. Ondertussen is het dossier van verweerster overgedragen aan Vesting Finance. In verband met lange wachttijden bij Vesting Finance heeft verweerster het aanbod eerst op 16 januari 2023 definitief afgewezen. Verweerster heeft het aanbod afgewezen omdat [verzoeker] niet aan de inspanningsplicht voldoet.

De gemeente Hengelo heeft de sollicitatieplicht van [verzoeker] opgeschort in verband met de gezondheid van [verzoeker]. Er is sprake van psychische klachten. [verzoeker] is voor die klachten behandeld door Mediant. [verzoeker] heeft geprobeerd te reïntegreren bij de SWB (Sociale Werkplaats) maar dat is niet gelukt. [verzoeker] moet onder andere eerst het gebruik van medicatie afbouwen.

[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht verweerster te bevelen in te stemmen met de schuldregeling die is aangeboden.

Vesting Finance heeft namens verweerster schriftelijk verweer gevoerd. Volgens verweerster staat het aanbod niet in verhouding tot de omvang van de vordering van verweerster en is een dwangakkoord niet bedoeld voor de situatie dat de weigerende schuldeiser een vordering heeft die het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigt, zoals in dit geval, waarin de vordering van verweerster ruim 70 % uitmaakt van de totale schuldenlast van [verzoeker]. Verweerster heeft er voorts op gewezen dat [verzoeker] nog een flink aantal arbeidzame jaren voor de boeg heeft waardoor er een hoger uitdelingspercentage kan worden gegeneerd. Tenslotte heeft verweerster opgemerkt dat er gedurende een wettelijke schuldsaneringsregeling, waarvan de looptijd kan worden verlengd tot maximaal 3,5 jaar, in vergelijking met een minnelijk traject, een zwaarder wegende inspanningsplicht op [verzoeker] zal rusten.

De behandeling ter zitting

De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat er vanaf het begin van het schuldhulpverleningstraject € 55,-- per maand is gespaard voor de schuldeisers. Daarnaast is er volgens de beschermingsbewindvoerder € 2.500,-- extra ingebracht door [verzoeker].

Volgens de beschermingsbewindvoerder is [verzoeker] herstellende van een burnout die door een arts is vastgesteld. Inmiddels werkt [verzoeker] vier keer per week.

De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat [verzoeker] vanuit de gemeente met een jobcoach probeert om zijn uren uit te breiden. Het verwijt van verweerster dat [verzoeker] niet aan zijn inspanningsplicht voldoet, is volgens de beschermingsbewindvoerder onterecht. [verzoeker] kon niet werken en het uitbreiden van uren levert nog steeds veel spanning op, omdat de weerbaarheid bij [verzoeker] ontbreekt.

Ten aanzien van de duur van het minnelijk traject heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat de termijn van 36 maanden op 4 november 2024 eindigt.

[verzoeker] heeft verklaard dat hij op dit moment vier keer per week, twee uur per dag werkzaam is met behoud van uitkering. [verzoeker] heeft zelf in zes maanden het gebruik van medicatie (anti-depressiva en slaapmiddelen) volledig afgebouwd. [verzoeker] hoopt binnenkort één uur per dag meer te kunnen werken.

De overwegingen van de rechtbank

In artikel 287a lid 5 Faillissementswet is bepaald dat de rechtbank een verzoek tot het opleggen van instemming met een schuldregeling toewijst, indien de schuldeiser die weigert in redelijkheid niet tot weigering van de instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank dient in dat kader onder andere te beoordelen of [verzoeker] het maximale heeft aangeboden aan zijn schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich sinds de start van het schuldhulpverleningstraject maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk (geestelijk) gezond te worden zodat hij betaald werk kan verrichten. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat het aantal uren dat [verzoeker] thans met behoud van uitkering werkzaam is, op dit moment het maximaal haalbare is. De rechtbank is van oordeel dat de PW-uitkering tot en met heden (en waarschijnlijk ook het komende jaar) het maximale aan inkomsten is dat [verzoeker] kan vergaren, maar concludeert dat [verzoeker], ondanks het ontbreken van spaarcapaciteit sinds november 2021, € 55,-- per maand heeft gespaard voor zijn schuldeisers en € 2.500,-- extra heeft ingebracht voor zijn schuldeisers. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat er sprake is van een prognosevoorstel zodat als er het komende jaar wel spaarcapaciteit ontstaat, deze spaarcapaciteit ten goede komt aan de schuldeisers.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat [verzoeker] het maximale heeft aangeboden aan zijn schuldeisers.

Gelet hierop maar ook op het feit dat verweerster 10 maanden nodig heeft gehad om, nadat zij in eerste instantie had ingestemd met het aanbod, te beslissen

dat zij het aanbod afwijst, maakt dat de rechtbank, ondanks dat de schuld aan verweerster ruim 70 % uitmaakt van de totale schuldenlast, van oordeel is dat verweerster in redelijkheid niet tot de weigering heeft kunnen komen.

De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] om verweerster te bevelen in te stemmen met de schuldregeling toewijzen.

De beslissing

De rechtbank:

I. beveelt verweerster in te stemmen met de door [verzoeker] aangeboden schuldregeling als hiervoor omschreven;

II. wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Eerde en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2023 in tegenwoordigheid van de griffier[_1c61b542-722a-4a4a-88cd-b3647e083496].

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.