Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Overijssel, 11 april 2023
ECLI:NL:RBOVE:2023:1299Zaaknummer AK_22_1930
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 11 april 2023
- Publicatiedatum
- 21 juli 2025
- Zaaknummer
- AK_22_1930
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening naar aanleiding van opgelegde last onder dwangsom vanwege geconstateerde overtredingen een bedrijf in Goor; geen sprake van vereiste spoedeisendheid.
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak op het verzoek van eisers van 4 augustus 2022 te beslissen;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 1.442,- moet betalen;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van S.H.J. van de Looi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 22/1930
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres], uit [woonplaats 2], eisers
(gemachtigde: mr. F.H. Damen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, verweerder.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun verzoek van 4 augustus 2022 om over te gaan tot het invorderen van dwangsommen bij Groen Gas Goor B.V.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Overwegingen
1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk gegrond is.
2. Op grond van het bepaalde in artikel 8:1, in samenhang met artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit rechtstreeks beroep bij de rechtbank worden ingesteld.
3. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb bepaalt dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
- het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
- twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4. Artikel 4:13, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.
5. Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag bedraagt. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
6. Het verzoek om een invorderingsbeschikking te nemen is op 5 augustus 2022 bij verweerder binnengekomen. Omdat voor het nemen van een beslissing op dit verzoek geen wettelijke termijn geldt, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb van toepassing. Deze termijn bedraagt acht weken na ontvangst van de aanvraag. Volgens de rechtspraak neemt deze beslistermijn een aanvang op de dag van ontvangst van de aanvraag. De eerste dag van de beslistermijn is daarom 5 augustus 2022 en 29 september 2022 is de laatste dag van deze termijn. Vanaf 30 september 2022 was verweerder in gebreke tijdig een besluit te nemen op het verzoek van eisers om een invorderingsbeschikking te nemen.
7. Eisers hebben verweerder op 14 oktober 2022 in gebreke gesteld en eisers hebben meer dan twee weken daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder. Daarmee is aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb voldaan.
8. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom kennelijk gegrond.
9. Eisers hebben de rechtbank verzocht de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft nog geen dwangsombeschikking genomen. Artikel 8:55c van de Awb bepaalt dat, indien het beroep gegrond is, de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vaststelt. De rechtbank bepaalt dat de maximale dwangsom van € 1.442,- is verbeurd. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot het betalen van dit bedrag aan eisers.
10. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Uit artikel 8:55d, eerste lid en derde lid, van de Awb volgt dat de te stellen beslistermijn twee weken bedraagt, tenzij sprake is van een bijzonder geval of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt. In dat geval kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Verweerder heeft in dit geval geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding een langere beslistermijn te bepalen. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- per dag verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het griffierecht vergoeden.
13. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is, aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak op het verzoek van eisers van 4 augustus 2022 te beslissen;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 1.442,- moet betalen;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van S.H.J. van de Looi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.