Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 10 februari 2022

ECLI:NL:RBOVE:2022:395Zaaknummer C/08/276575 / KG ZA 22-22

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10 februari 2022
Publicatiedatum
10 februari 2022
Zaaknummer
C/08/276575 / KG ZA 22-22
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Huurders hebben een bod uitgebracht op hun huurwoning bij de curator van een van de gefailleerde eigenaren. De curator heeft het bod geaccepteerd, maar heeft de koopovereenkomst niet ondertekend. Ook de andere eigenaar ondertekent de koopovereenkomst niet direct, maar pas enkele maanden later. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een volmaakte koopovereenkomst die in rechte kan worden afgedwongen. Ook medewerking van de bank (hypotheekhouder) hoeft niet zonder meer verwacht te worden, aangezien haar vordering is opgelopen.

1 De beslissing

De voorzieningenrechter:

1.1.

wijst de vorderingen af;

1.2.

veroordeelt eisers in de kosten van deze procedure, die als volgt worden begroot:

aan de zijde van gedaagde sub 1

1.2.1. € 314,00

voor het griffierecht dat de curator heeft betaald aan de rechtbank;

1.2.2. € 1.016,00

voor het salaris gemachtigde;

1.2.3. € 163,00

voor nakosten;

en aan de zijde van gedaagde sub 2

1.2.4. € 676,00

voor het griffierecht dat ABN Amro heeft betaald aan de rechtbank;1.2.5. € 1.016,00 voor het salaris gemachtigde.

2 De gronden van de beslissing

2.1.

De vorderingen nemen alle tot uitgangspunt dat sprake is van een volmaakte koopovereenkomst, die ziet op de koop van de woning in [plaats] aan de [adres]. In dit kort geding is de vraag of naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de bodemrechter – als het tot een uitgebreidere procedure zou komen – tot het oordeel komt dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen waarvan nakoming kan worden gevorderd. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de persoonlijke omstandigheden die eisers naar voren hebben gebracht, en de vervelende gevolgen van de afwijzing van hun vorderingen in deze zaak, niet kunnen worden meegewogen. Die ruimte was er wel toen de rechtbank (zittingsplaats Almelo) in haar beslissing van 9 juli 2021 heeft bepaald dat ABN Amro een terecht beroep doet op het huurbeding.

2.2.

De koopovereenkomst met betrekking tot de woning is volgens eisers op 28 oktober 2021 eerst mondeling gesloten met de curator en daarna door de curator op papier gezet. Echter, die overeenkomst is niet door alle partijen ondertekend en dus ook niet schriftelijk aangegaan zoals artikel 7:2 van het Burgerlijk Wetboek dat eist. In geschil is of de ondertekening door de curator al dan niet vereist was. De voorzieningenrechter laat die vraag in dit kort geding in het midden, omdat ook de handtekening van mede-eigenaar [B] ontbrak tot 27 januari 2022. Daarmee is niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste en dus is er geen sprake van een koopovereenkomst waarvan nakoming kan worden gevorderd.

2.3.

Bovendien geldt dat de schriftelijke concept-overeenkomst die de curator heeft opgesteld twee opschortende voorwaarden bevat waaraan volgens die schriftelijke overeenkomst uiterlijk november 2021 moet zijn voldaan en dat is hier niet het geval. [B] heeft pas immers op 27 januari 2022 de overeenkomst ondertekend, in de wetenschap dat op moment dat niet langer een overwaarde op de woning was maar een onderwaarde, waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk was. Dat ABN Amro dus eerder verklaarde afstand te zullen doen van haar zekerheidsrechten na ontvangst van wat haar toekwam, is door die situatie ook gewijzigd. Pas op 27 januari 2022 was de overeenkomst ondertekend, behalve door de curator. Op dat moment waren naar het oordeel van de voorzieningenrechter alle uit de overeenkomst voortkomende verbintenissen al vervallen, gelet op artikel 14 van de koopovereenkomst.

2.4.

Gelet op de voorgaande overwegingen worden de vorderingen I en II afgewezen.

2.5.

Bij de beoordeling van vorderingen III en IV gaat het er eveneens om eisers in de gelegenheid te stellen de koopovereenkomst uit te voeren. Omdat hiervoor is geoordeeld dat er geen sprake is van een in rechte afdwingbare koopovereenkomst, zullen deze vorderingen worden afgewezen. ABN Amro ontleent haar recht de executieverkoop voort te zetten aan de beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2021.

2.6.

Eisers worden in het ongelijk gesteld en worden daarom veroordeeld in de proceskosten van gedaagden.

Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. R.F. van Aalst, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2022 (CT).

Waarvan proces-verbaal, de rechter

Volledige tekst

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/276575 / KG ZA 22-22

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van 10 februari 2022 in de zaak van:

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

hierna te noemen eisers,

advocaat: mr. J. Schutrups te Enschede,

tegen

1. MR. F. KOLKMAN Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [X],

kantoorhoudende te Almelo,

advocaat: mr. F. Kolkman,

en

2 de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

advocaat: mr. A.J.H. Peters te Rosmalen,

hierna te noemen gedaagden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2022 in het gerechtsgebouw in Zwolle.

Tegenwoordig:

- mr. R.F. van Aalst, voorzieningenrechter

- mr. C.J.H. Terwal, griffier

Na uitroeping van de zaak verschenen:

- [eiser 1] en [eiser 2], bijgestaan door mr. Schutrups en mr. A.W. Tieman;

- mr. Kolkman;

- [A], recovery-specialist hypotheken namens ABN Amro, bijgestaan door mr. Peters.

De rechtbank stelt vast dat alle partijen zijn verschenen.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

1 De beslissing

De voorzieningenrechter:

1.1.

wijst de vorderingen af;

1.2.

veroordeelt eisers in de kosten van deze procedure, die als volgt worden begroot:

aan de zijde van gedaagde sub 1

1.2.1. € 314,00

voor het griffierecht dat de curator heeft betaald aan de rechtbank;

1.2.2. € 1.016,00

voor het salaris gemachtigde;

1.2.3. € 163,00

voor nakosten;

en aan de zijde van gedaagde sub 2

1.2.4. € 676,00

voor het griffierecht dat ABN Amro heeft betaald aan de rechtbank;1.2.5. € 1.016,00 voor het salaris gemachtigde.

2 De gronden van de beslissing

2.1.

De vorderingen nemen alle tot uitgangspunt dat sprake is van een volmaakte koopovereenkomst, die ziet op de koop van de woning in [plaats] aan de [adres]. In dit kort geding is de vraag of naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de bodemrechter – als het tot een uitgebreidere procedure zou komen – tot het oordeel komt dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen waarvan nakoming kan worden gevorderd. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de persoonlijke omstandigheden die eisers naar voren hebben gebracht, en de vervelende gevolgen van de afwijzing van hun vorderingen in deze zaak, niet kunnen worden meegewogen. Die ruimte was er wel toen de rechtbank (zittingsplaats Almelo) in haar beslissing van 9 juli 2021 heeft bepaald dat ABN Amro een terecht beroep doet op het huurbeding.

2.2.

De koopovereenkomst met betrekking tot de woning is volgens eisers op 28 oktober 2021 eerst mondeling gesloten met de curator en daarna door de curator op papier gezet. Echter, die overeenkomst is niet door alle partijen ondertekend en dus ook niet schriftelijk aangegaan zoals artikel 7:2 van het Burgerlijk Wetboek dat eist. In geschil is of de ondertekening door de curator al dan niet vereist was. De voorzieningenrechter laat die vraag in dit kort geding in het midden, omdat ook de handtekening van mede-eigenaar [B] ontbrak tot 27 januari 2022. Daarmee is niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste en dus is er geen sprake van een koopovereenkomst waarvan nakoming kan worden gevorderd.

2.3.

Bovendien geldt dat de schriftelijke concept-overeenkomst die de curator heeft opgesteld twee opschortende voorwaarden bevat waaraan volgens die schriftelijke overeenkomst uiterlijk november 2021 moet zijn voldaan en dat is hier niet het geval. [B] heeft pas immers op 27 januari 2022 de overeenkomst ondertekend, in de wetenschap dat op moment dat niet langer een overwaarde op de woning was maar een onderwaarde, waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk was. Dat ABN Amro dus eerder verklaarde afstand te zullen doen van haar zekerheidsrechten na ontvangst van wat haar toekwam, is door die situatie ook gewijzigd. Pas op 27 januari 2022 was de overeenkomst ondertekend, behalve door de curator. Op dat moment waren naar het oordeel van de voorzieningenrechter alle uit de overeenkomst voortkomende verbintenissen al vervallen, gelet op artikel 14 van de koopovereenkomst.

2.4.

Gelet op de voorgaande overwegingen worden de vorderingen I en II afgewezen.

2.5.

Bij de beoordeling van vorderingen III en IV gaat het er eveneens om eisers in de gelegenheid te stellen de koopovereenkomst uit te voeren. Omdat hiervoor is geoordeeld dat er geen sprake is van een in rechte afdwingbare koopovereenkomst, zullen deze vorderingen worden afgewezen. ABN Amro ontleent haar recht de executieverkoop voort te zetten aan de beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2021.

2.6.

Eisers worden in het ongelijk gesteld en worden daarom veroordeeld in de proceskosten van gedaagden.

Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. R.F. van Aalst, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2022 (CT).

Waarvan proces-verbaal, de rechter

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.