Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Overijssel, 4 mei 2021
ECLI:NL:RBOVE:2021:1885Zaaknummer 8789429 \ CV EXPL 20-4117 en 8789448 \ CV EXPL 20-4118
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 4 mei 2021
- Publicatiedatum
- 10 mei 2021
- Zaaknummer
- 8789429 \ CV EXPL 20-4117 en 8789448 \ CV EXPL 20-4118
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eiser mocht afgaan op de (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid van een medewerker van gedaagde. Gedaagde is dus gebonden aan de verzekeringsovereenkomsten die deze medewerker namens gedaagde heeft afgesloten.
4 De beslissing
De kantonrechter
in de zaak met zaaknummer 8789429 \ CV EXPL 20-4117
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een bedrag van € 6.433,02
aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom van € 5.514,70 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.208,99;
veroordeelt [gedaagde 1] in de nakosten, begroot op € 124,00;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak met zaaknummer 8789448 \ CV EXPL 20-4118
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 21.098,58 aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 18.975,22 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.096,94;
veroordeelt [gedaagde 2] in de nakosten, begroot op € 124,00;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Rozeboom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021. (SB)
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummers: 8789429 \ CV EXPL 20-4117
8789448 \ CV EXPL 20-4118
Vonnis van 4 mei 2021
in de zaak met zaaknummer 8789429 van
de besloten vennootschap [A],gevestigd in [vestigingsplaats],
eisende partij, hierna te noemen [eiseres],
gemachtigde: mr. N.A. de Jonge
tegen
de besloten vennootschap [X],
gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudende in [plaats],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde 1],
gemachtigde: de heer [Z]
en in de zaak met zaaknummer 8789448 van
de besloten vennootschap [A],gevestigd in [vestigingsplaats],
eisende partij, hierna te noemen [eiseres],
gemachtigde: mr. N.A. de Jonge
tegen
de besloten vennootschap [Y],gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudende in [plaats],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde 2]
gemachtigde: de heer [Z].
Gedaagden worden hierna ook tezamen [gedaagde 1] genoemd.
1 De procedure
In deze twee zaken is een tussenvonnis gewezen op 19 januari 2021, waarin is bepaald dat een gelijktijdige mondelinge behandeling zal worden gehouden. [eiseres] heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling voor beide zaken een akte met aanvullende producties ingediend. [gedaagde 1] heeft op 31 maart 2021 ten behoeve van beide zaken een e-mail gestuurd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 april 2021 via online verbinding (Skype). De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
2 Waar gaat deze zaak over?
De vaststaande feiten
De heer [Z] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2]. [gedaagde 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1].
[eiseres] is een verzekeringstussenpersoon. Via [eiseres] zijn een aantal verzekeringen afgesloten op naam van [gedaagde 1] en op naam van [gedaagde 2].
Het pakket verzekeringen dat op naam staat van [gedaagde 1] bestaat onder andere uit verzekeringen voor het wagenpark, werkmaterieel, twee auto’s, diverse aanhangers en trailers en een boot.
De verzekeringen op naam van [gedaagde 2] bestaan onder andere uit verzekeringen voor milieuschade, voor bestuurders van motorrijtuigen, ziekteverzuim, bedrijfsaansprakelijkheid (hierna: AVB) en arbeidsongeschiktheid.
[eiseres] incasseert de verzekeringspremies via rekening-courant. Zowel bij [gedaagde 1] als bij [gedaagde 2] is een achterstand in de premiebetalingen ontstaan.
In 2013 is op de AVB van [gedaagde 2] een schade-uitkering gedaan. [eiseres] heeft het eigen risico van € 5.000,00 aan de verzekeraar betaald en het bedrag bij [gedaagde 2] in rekening gebracht. [gedaagde 2] heeft dit bedrag niet aan [eiseres] betaald.
Wat [eiseres] wil
[eiseres] wil dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de verschuldigde verzekeringspremies en het voorgeschoten eigen risico betalen, plus rente en incassokosten, omdat de bedragen te laat zijn betaald en [eiseres] de vordering uit handen heeft moeten geven aan haar incassogemachtigde.
Bij [gedaagde 1] bedraagt de premieachterstand € 11.851,78. Na creditering van een aantal bedragen dat [eiseres] voor eigen rekening neemt, vordert [eiseres] van [gedaagde 1] een bedrag van € 5.514,70 aan achterstallige premies. De gevorderde rente bedraagt € 267,58 tot 15 september 2020. [eiseres] vordert daarnaast € 650,74 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Daarom vordert [eiseres] dat [gedaagde 1] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6.433,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 5.514,70 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling en met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten en de nakosten.
Bij [gedaagde 2] bedraagt de betalingsachterstand € 25.072,74. Na creditering van een deel van dit bedrag vordert [eiseres] van [gedaagde 2] nog een bedrag van € 18.975,22 aan achterstallige premies en voorgeschoten eigen risico. Daarbij komen nog de gevorderde rente tot 15 september 2020 van € 1.158,61 en de buitengerechtelijke kosten van € 964,75.
[eiseres] vordert daarom dat [gedaagde 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 21.098,58 aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 18.975,22 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling en met veroordeling van [gedaagde 2] in de proceskosten en in de nakosten.
De reactie van [gedaagde 1]
[gedaagde 1] heeft betwist dat de verzekeringsovereenkomsten tussen [eiseres] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot stand zijn gekomen. [gedaagde 1] voert aan dat de heer [W] de verzekeringen heeft afgesloten. [W] werkte weliswaar bij [gedaagde 1], maar hij was niet bevoegd om overeenkomsten te sluiten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn dus niet gebonden aan de verzekeringsovereenkomsten die [W] heeft afgesloten, aldus [gedaagde 1].
3 De beoordeling
De kantonrechter stelt voorop dat de hoogte van de gefactureerde bedragen niet in geschil is. In geschil is enkel of [eiseres] een overeenkomst heeft met de [gedaagde 1] vennootschappen, omdat [W] naar stellingen van [gedaagde 1] onbevoegd zou zijn geweest om de overeenkomsten aan te gaan.
De bevoegdheid van [W]
[eiseres] stelt dat de verzekeringsovereenkomsten met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. De eerste overeenkomsten met beide bedrijven werden al in 2001 gesloten. Het contact verliep altijd met [W]. Aanvraagformulieren werden door [W] ingevuld en wijzigingen werden door hem doorgegeven. Eens in het jaar werden de verzekeringen doorgenomen. Ook dat gebeurde samen met [W]. De premies van de verzekeringen zijn – met uitzondering van de huidige achterstand – altijd betaald. Door [gedaagde 1] is daarover nooit geklaagd. Er zijn ook schades uitbetaald aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Naar mening van [eiseres] was [W] dan ook bevoegd om de overeenkomsten namens de [gedaagde 1] vennootschappen aan te gaan.
[gedaagde 1] betwist dat [W] bevoegd was om de verzekeringsovereenkomsten te sluiten. Ter onderbouwing heeft [gedaagde 1] uittreksels van het Handelsregister overgelegd. Daarin staat dat [Z] bestuurder en enig aandeelhouder is van [gedaagde 2] en dat hij alleen en zelfstandig bevoegd is om [gedaagde 2] te binden. Bij [gedaagde 1] is [gedaagde 2] bestuurder en enig aandeelhouder.
De kantonrechter overweegt dat, omdat [eiseres] zich beroept op het bestaan van rechtsgeldig overeengekomen overeenkomsten met [gedaagde 1] en [gedaagde 2], het aan [eiseres] is om te stellen en (bij voldoende betwisting) te bewijzen dat [W] bevoegd was om de overeenkomsten te sluiten. Uit het Handelsregister is gebleken dat [W] niet als bestuurder of als gevolmachtigde staat ingeschreven. Aangenomen wordt dat hij dus niet statutair bevoegd was om namens de vennootschappen te handelen. [eiseres] heeft feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan een (mondelinge, of eventueel stilzwijgende) volmacht zou kunnen bestaan. Er is volgens [eiseres] in 2018 namelijk een gesprek met [Z] (wel statutair bevoegd) gevoerd over het eigen risico dat nog betaald moest worden. In dat gesprek zou [Z] hebben gezegd dat [eiseres] daarover contact met [W] moest opnemen. Ook heeft er volgens [eiseres] een gesprek met [Z] plaatsgevonden, waarin werd afgesproken dat [eiseres] een eindafrekening zou maken, zodat daarover afspraken gemaakt konden worden. Hieruit kan worden afgeleid dat [W] intern gevolmachtigd was om namens [gedaagde 1] overeenkomsten aan te gaan omtrent het afsluiten van verzekeringen. [gedaagde 1] betwist evenwel dat deze gesprekken hebben plaatsgevonden. [eiseres] zou haar stellingen daarom dienen te bewijzen. Tot het leveren van bewijs hoeft echter niet te worden overgegaan, gelet op het volgende.
De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
Uit de door [eiseres] aangevoerde stellingen kan een beroep worden afgeleid op het bestaan van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [W]. Als dat het geval is, zijn de [gedaagde 1] vennootschappen gebonden aan de verzekeringsovereenkomsten met [eiseres]. [eiseres] stelt namelijk dat zij ervan uitging dat [W] bevoegd was om namens de [gedaagde 1] vennootschappen te handelen. Dat leidde zij af uit het feit dat [W] een medewerker was van [gedaagde 1], als zodanig contact met haar had opgenomen voor het afsluiten van verzekeringen en de omstandigheid dat meerdere jaren facturen van haar zijn voldaan door [gedaagde 1] waarmee [gedaagde 1] de overeenkomsten bekrachtigde.
Van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is sprake indien [eiseres] op grond van een verklaring of gedraging van [gedaagde 1] heeft aangenomen of redelijkerwijs mocht aannemen dat [W] bevoegd was om overeenkomsten te sluiten namens [gedaagde 1]. [gedaagde 1] kan zich dan niet op de onbevoegdheid van [W] beroepen en is gebonden aan de overeenkomsten (artikel 3:61 lid 2 BW). Op grond van geldende rechtspraak kan ook plaats zijn voor toerekening van de schijn van volmachtverlening aan een onbevoegd vertegenwoordigde rechtspersoon, indien de derde ( [eiseres]) gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat een toereikende volmacht was verleend op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde partij ( [gedaagde 1]) komen en waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.[_535d2ed3-b321-4fbf-a9e0-ac3f62f7fa28] De stelplicht (en bewijslast) daarvan rusten op [eiseres]. De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan, afhankelijk van de verdere omstandigheden van het geval, ook door een niet-doen worden gewekt, waarbij het niet ter zake doet of een gedeelte van de omstandigheden waarop de schijn van bevoegdheid berust, zich heeft voorgedaan na de totstandkoming van de overeenkomst.[_80d43bdb-a25b-4cee-9a73-6edcc058867f]
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend.
[W] was ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten werkzaam bij [gedaagde 1]. De overeenkomsten lopen al jarenlang. De verschuldigde premies zijn jarenlang betaald vanaf de bankrekeningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Er zijn ten behoeve van beide bedrijven schades uitgekeerd. Van die uitkeringen werden bevestigingen gestuurd naar de postadressen van [gedaagde 1]. Daarop is geen enkele reactie van [gedaagde 1] ontvangen. Ook een (voorstel voor een) betalingsregeling is naar het e-mailadres van [gedaagde 1] gestuurd en in het licht van deze procedure heeft [Z] een betalingsregeling voorgesteld. Gelet op deze omstandigheden kan [gedaagde 1] zich niet (achteraf) op de onbevoegdheid van [W] beroepen.
Toewijzing van de vorderingen
Omdat het verweer van [gedaagde 1] niet opgaat, zijn de vorderingen van [eiseres] toewijsbaar. Zowel de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 5.514,70 door [gedaagde 1] als de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 18.975,22 door [gedaagde 2] zal worden toegewezen.
Nu daartegen geen verweer is gevoerd, zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook de wettelijke (handels)rente over de openstaande bedragen moeten betalen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten ook de buitengerechtelijke incassokosten betalen. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Er zijn sommaties verstuurd en er is gepoogd een betalingsregeling tot stand te brengen. Op de vorderingen van [eiseres] is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De buitengerechtelijke incassokosten in de zaak tegen [gedaagde 1] zullen conform het Besluit voor een bedrag van € 650,74 worden toegewezen. In de zaak tegen [gedaagde 2] zal conform het Besluit een bedrag van € 964,75 worden toegewezen.
Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het ongelijk worden gesteld, moeten zij de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] betalen. In de procedure tegen [gedaagde 1] worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.208,99, bestaande uit € 87,99 aan betekeningskosten, € 499,00 aan griffierecht en € 622,00 aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres] (2 punten x tarief € 311,00).
In de procedure tegen [gedaagde 2] worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.096,94, waarvan € 104,94 aan betekeningskosten, € 996,00 aan griffierecht en € 996,00 aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres] (2 punten x tarief € 498,00).
De nakosten, waarvan [eiseres] betaling vordert, zullen in beide zaken worden begroot op het maximale tarief van € 124,00.
4 De beslissing
De kantonrechter
in de zaak met zaaknummer 8789429 \ CV EXPL 20-4117
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een bedrag van € 6.433,02
aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom van € 5.514,70 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.208,99;
veroordeelt [gedaagde 1] in de nakosten, begroot op € 124,00;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak met zaaknummer 8789448 \ CV EXPL 20-4118
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 21.098,58 aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 18.975,22 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.096,94;
veroordeelt [gedaagde 2] in de nakosten, begroot op € 124,00;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Rozeboom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021. (SB)
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.