Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Oost-Brabant, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RBOBR:2026:7515Zaaknummer 411532 / HA ZA 25-31

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
411532 / HA ZA 25-31
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak, Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een schadestaatprocedure, dat wil zeggen: een procedure die enkel gaat over de vaststelling van de omvang van de schade die het gevolg is van het handelen of nalaten van een ander. Hoewel met het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch vaststaat dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de scheepswerf en de gemeente voor de hierdoor ontstane schade aansprakelijk is, is het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de gevorderde schade niet komen vast te staan. Niet is namelijk komen vast te staan dat de scheepswerf orders van VRC is misgelopen door het handelen van de gemeente. De rechtbank zal daarom alle vorderingen van de curator afwijzen.

5 De beslissing

5.1.

wijst de vorderingen van de curator af,

5.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten van€ 19.639,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met€ 98,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt de curator tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in

artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, mr. G. Boonzaaijer en mr. L. van 't Hof en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De achtergrond van het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/O1/411532 / HA ZA 25-31

Vonnis van 28 oktober 2026

in de zaak van

[eiser 1] Q.Q.,

te [plaats],

hierna te noemen: de curator,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

SCHEEPSWERF GRAVE B.V.,

te Grave,

hierna te noemen: de scheepswerf, eiser,

advocaten: mr. B.F. Louwerier en mr. T.H. Broer, tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LAND VAN CUIJK,

te Cuijk, gedaagde,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaten: mr. N.E. Groeneveld-Tijssens en mr. N.O. Niederer.

De zaak wordt behandeld door mr. J.G. van Ommeren, mr. G. Boonzaaijer en mr. L. van 't Hof, rechters, bijgestaan door mr. E. Bastiaannet als griffier.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit:

het incidenteel vonnis van 10 september 2025,

de akte van de gemeente met aanvullende producties 23 t/m 48, de akte van de curator met aanvullende productie 41,

de spreekaantekeningen van de curator, de spreekaantekeningen van de gemeente,

de mondelinge behandeling van 11 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vandaag vonnis bepaald.

2 De kern van de zaak

Deze zaak betreft een schadestaatprocedure, dat wil zeggen: een procedure die enkel

gaat over de vaststelling van de omvang van de schade die het gevolg is van het handelen of nalaten van een ander. Hoewel met het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch(hierna: "het arrest" en "het hof')1 vaststaat dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de scheepswerf en de gemeente voor de hierdoor ontstane schade aansprakelijk is, wijst de rechtbank alle vorderingen van de curator af. Het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de gevorderde schade is namelijk niet komen vast te staan. Dit wordt hierna uitgelegd.

3 De achtergrond van het geschil

3.1.

De scheepswerf heeft zich in het verleden beziggehouden met de bouw en reparatie van binnenvaartschepen. Haar bedrijfslocatie is gelegen in de binnenstad van Grave in de voormalige gemeente Grave (inmiddels opgegaan in de gemeente Land van Cuijk). Op 26 september 1995 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (hierna: "de provincie") een milieuvergunning voor de activiteiten van de scheepswerf verleend. Op grond van deze vergunning mocht de scheepswerf schepen bouwen met een maximale lengte van 1 10 meter.

3.2.

Op 16 juli 2010 heeft de Scheepswerf een aanvraag voor een revisievergunning bij de provincie ingediend met als doel schepen met een lengte van maximaal 135 meter (in plaats van 110 meter) te mogen bouwen. De gemeente heeft in een brief van 20 augustus 2010 ten onrechte aan de provincie laten weten dat er mogelijk planologische belemmeringen bestaan voor het toekennen van de revisievergunning. De gemeente ging er namelijk vanuit dat het ging om een uitbreiding van de activiteiten van de scheepswerf. De provincie heeft de revisievergunning vervolgens niet verleend.

3.3. 1

1n 2010 is de gemeente begonnen met het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Centrum Grave'. Het ontwerpbestemmingsplan is op 28 februari 2012 ter inzage gelegd. Onderdeel hiervan was het voorschrift dat ter plaatse van de werf uitsluitend het aanmeren van schepen tot 110 meter is toegestaan.

3.4.

Op 1 7 april 2012 is aan de scheepswerf voorlopig surseance van betaling verleend en op 8 mei 2012 is de scheepswerf failliet verklaard.

3.5.

Op 26 maart 2013 heeft de gemeente het bestemmingsplan 'Centrum Grave' vastgesteld, zónder dat daarin een lengtebeperking was opgenomen.

3.6.

De onderhavige schadestaatprocedure vormt een vervolg op een eerder doorlopen hoofdprocedure tussen partijen. De curator heeft in 2015 de gemeente in rechte betrokken ter afwikkeling van het faillissement van de scheepswerf. Na het doorlopen van de procedure in eerste aanleg, heeft het hof in het arrest voor recht verklaard dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens de scheepswerf en aansprakelijk is voor de als gevolg

1 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:595.

daarvan door de scheepswerf geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. Het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen.2

4 De beoordeling

De uitleg van de beslissingen in de hoofdprocedure

4.1.

Partijen verschillen van mening over wat het hof als onrechtmatig handelen heeft beoordeeld in de hoofdprocedure. Omdat dit het uitgangspunt is in deze schadestaatprocedure (welke schade is door dit onrechtmatig handelen veroorzaakt), zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat op basis van het arrest van het hof vaststaat dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens de scheepswerf door op 28 februari 2012 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen.waarin een voorheen niet bestaande lengtebeperking was opgenomen. Het hof heeft in r.o. 6.17 van zijn arrest overwogen dat deze handelswijze van de gemeente onzorgvuldig en onrechtmatig is geweest tegenover de scheepswerf:

"Het hof komt dan ook tot de conclusie dat het standpunt van [eiser 1] q.q. dat de Gemeente (B&W) de lengtebeperking niet had mogen opnemen in het ontwerpbestemmingsplan terecht is. Het opnemen van die beperking is naar het oordeel van het hof onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens de Scheepswerf"

4.3.

Tussen partijen is wel in geschil of dit ook geldt voor de op 20 augustus 2010 verstuurde brief van de gemeente aan de provincie. Het hof overweegt hierover in r.o. 6.17:

"Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de Gemeente een feitelijke beperking alsmede een planologische beperking voor het verstrekken van de revisievergunning heeft gecreëerd die er voorheen niet was. De Gemeente heeft de Provincie ook een verkeerde voorstelling van zaken gegeven in de brief van 20 augustus 2010 (productie 2 in hoger beroep van de Gemeente). De Scheepswerf had immers aan de Provincie uitsluitend een revisievergunning gevraagd met het oog op de gewenste 110-135 verruiming. De Provincie was genegen die te geven, maar wenste van de Gemeente te vernemen of dat op planologische belemmeringen zou stuiten. De Gemeente heeft ten onrechte de indruk gewekt dat dat het geval was. De Scheepswerf werd hierdoor in ernstige mate in haar bedrijfsvoering belemmerd, in het bijzonder bij de acquisitie en financiering van nieuwe opdrachten (zie ook hierna rov. 6.22 en 6.2-1 e.v.). Hiervan heeft de Gemeente zich geen althans onvoldoende rekenschap gegeven. Dat de Gemeente een grote beleidsvrijheid heeft bij de vaststelling van bestemmingsplannen doet hieraan niet af"

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat het hof de brief van 20 augustus 2010 niet als zelfstandige onrechtmatige daad heeft gezien. Hiervoor is van belang dat de vorderingen van de curator zagen op het ontwerpbestemmingsplan en niet op de brief van 20 augustus 2010. Het hof overweegt in r.o. 6.6:

2 Hoge Raad 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1995.

zaaknummer: C/01/411532 / HA ZA 25-31 28 oktober 2026

4

"De vordering van [eiser 1] q.q. betreft feitelijk handelen van de Gemeente en is gebaseerd op artikel 6: 162 BW. In de kern gaat het er volgens [eiser 1] q.q. om dat de Gemeente heeft gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid die zij jegens de Scheepswerf in acht dient te nemen. Dit onzorgvuldig handelen betreft specifiek (1) de voorbereiding en opstelling van een ontwerpbestemmingsplan met daarin een lengtebeperking van 110 meter, (2) de handhaving van deze lengtebeperking van 2012 en (3) de weigering mee te werken aan een deugdelijke gedoogconstructie, aldus [eiser 1] q.q."

4.5.

Het hof heeft weliswaar in r.o. 6.17 overwogen dat de gemeente de provincie een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven in haar brief van 20 augustus 2010, maar dit betekent niet automatisch dat de gemeente door het versturen van deze brief op dat moment ook onrechtmatig heeft gehandeld. De verkeerde voorstelling van zaken is kennelijk een omstandigheid geweest die het hof heeft meegewogen bij zijn oordeel dat de gemeente op 28 februari 2012 onrechtmatig heeft gehandeld, maar het hof heeft niet geoordeeld dat de brief van 20 augustus 2010 een zelfstandige onrechtmatige gedraging is.

4.6.

Het voorgaande betekent dat, anders dan de curator meent, op basis van de hoofdprocedure slechts vaststaat dat de gemeente onrechtmatig tegenover de scheepswerf heeft gehandeld vanwege het opnemen van een lengtebeperking in het ontwerpbestemmingsplan van 28 februari 2012. De gemeente is dan ook alleen aansprakelijk voor de hierdoor ontstane schade.

Discussie over causaal verband staat no&...QQ_en

4.7.

Zoals de rechtbank in het incidenteel vonnis van 10 juni 2025 al heeft geoordeeld, staat de vraag naar het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van de

gemeente en het mislopen van de opdrachten van Viking River Cruises (hierna: "VRC") nog open.3 Hoewel dit inderdaad aan de orde is geweest in de hoofdprocedure, heeft het hof slechts geoordeeld dat de mogelijkheid van schade (volgens de maatstaf voor verwijzing naar een schadestaatprocedure) voldoende aannemelijk is.4 Dat is iets anders dan dat is vastgesteld dat het causaal verband tussen de gestelde schade (als gevolg van het mislopen van opdrachten) en de onrechtmatige gedraging bestaat. In het verlengde daarvan staat - anders dan de curator betoogt - evenmin vast dat het faillissement van de scheepswerf het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de gemeente. De rechtbank moet dus nog beoordelen of er een causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de gevorderde schade.

Causaal verband_is_niet vast kQmen te staan

4.8.

De curator heeft een primaire, subsidiaire en meer subsidiaire schadevergoedingsvordering ingesteld. Hoewel de drie vorderingen op verschillende manieren zijn berekend, zijn ze allemaal gestoeld op de stelling dat de scheepswerf verschillende orders van VRC is misgelopen door de lengtebeperking en daardoor failliet is gegaan. De schade wordt dus telkens anders berekend, maar ziet op dezelfde causaliteit. Het

3 Rechtbank Oost-Brabant, 11 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3313, r.o. 2.7.

4 Het arrest, r.o. 6.24 t/m 6.27.

is aan de curator om te stellen en zo nodig te bewijzen dat dit causaal verband bestaat, maar de rechtbank is van oordeel dat de curator daar niet in is geslaagd.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat 28 februari 2012 als peildatum voor de schadeperiode geldt, omdat dat de datum is waarop de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld (zie r.o. 4.2 tot en met 4.6). In dat kader is het zogenaamde "Project 1973" van belang. Dit project houdt in de bouw van tweemaal twee schepen van 135 meter. De curator meent dat de scheepswerf deze order van VRC is misgelopen door toedoen van de gemeente. Zonder de lengtebeperking van 110 meter had de scheepswerf de order van VRC namelijk kunnen accepteren, aldus de curator. Hier gaat de rechtbank niet in mee. Dat er een door de scheepswerf te accepteren order lag, is namelijk niet komen vast te staan.

4.10.

De scheepswerf heeft voor Project 1973 op I augustus 2011 een eerste formele offerte uitgebracht aan VRC voor de bouw van twee schepen van 135 meter. Een reactie op deze offerte vanuit VRC ontbreekt in het dossier. In november 2011 volgt een gewijzigde aanvraag van VRC voor de bouw van twee schepen met een optie van twee extra schepen, waarna nog enkele door de scheepswerf uitgebrachte offertes volgen. De laatste offerte dateert van 14 december 2011.

4.11.

Van belang is dat de scheepswerf op 9 december 2011 het verzoek aan VRC deed om de offerte in december 2011 te tekenen. Dit correspondeert niet met het verhaal van de curator dat het juist de scheepswerf was die de order afhield vanwege de spelende vergunningsproblematiek. De gemeenteraadsvergadering van 13 december 2011 - waarin een gedoogconstructie werd voorgesteld - had toen namelijk nog niet plaatsgevonden. Bovendien was VRC op dat moment nog niet op de hoogte van de lengtebeperking. De bestuurder van de scheepswerf heeft dit namelijk welbewust niet met VRC willen delen. De lengtebeperking is in correspondentie tussen de scheepswerf en VRC dan ook nergens terug te vinden, tegenover VRC heeft de scheepswerf gecommuniceerd de schepen te kunnen bouwen en op verschillende momenten in 2013 op te kunnen leveren. Met andere woorden: de lengtebeperking kon op 9 december 2011 geen rol hebben gespeeld bij het al dan niet accepteren van de offerte door VRC. In de offerte van 14 december 2011, dus na de raadsvergadering, heeft de scheepswerf opnieuw bij VRC het (dringende) verzoek neergelegd om voor het eind van december 201 I (zelfs voor de kerstdagen) mondeling akkoord te geven, zodat de scheepswerf aan de werkzaamheden kon beginnen.

4.12.

Anders dan de curator stelt, was dus juist VRC aan zet om de offerte van de scheepswerf al dan niet te accepteren. Een reactie van VRC op de laatste offerte van 14 december 20 I I ontbreekt echter. In het dossier is enkel een in een email vervatte verklaring van een tussenpersoon van VRC uit 2016 te vinden, waaruit volgt dat de lengtebeperking "een van de redenen" was om niet met de scheepswerf in zee te gaan. Hoe zich dat verhoudt tot het feit dat VRC in december 2011 (toen zij nog niet op de hoogte was van de lengtebeperking) de offertes van de scheepswerf niet heeft geaccepteerd, heeft de curator niet uit kunnen leggen. De rechtbank heeft [A] (de voormalige bestuurder en eigenaar van de scheepswerf) tijdens de mondelinge behandeling meermaals gevraagd wie de stekker uit het offertetraject heeft getrokken en waarom de order niet is doorgegaan, maar een duidelijk antwoord bleef uit. Omdat de curator geen stukken heeft overgelegd die zien op de periode tussen 14 december 2011 en 28 februari 2012, is onmogelijk vast te stellen waarom de order uiteindelijk niet is doorgegaan.

4.13.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank op geen enkele manier vaststellen dat er in de tweede helft van 2011 of in 2012 een te tekenen opdracht was waarvan het in de macht van de scheepwerf lag om die al dan niet aan te nemen. VRC was aan zet en zij heeft, ondanks het uitdrukkelijke verzoek van de scheepswerf, niet getekend. Hiermee is niet komen vast te staan dat de onrechtmatige lengtebeperking, opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan van 28 februari 2012, heeft gezorgd voor het mislopen van Project 1973. De curator heeft op dit punt evenmin een concreet bewijsaanbod gedaan tot het horen van (medewerkers van) VRC. Dit betekent dat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de gevorderde schade niet is komen vast te staan en dat alle vorderingen van de curator moeten worden afgewezen. De rechtbank begrijpt dat dit voor de curator (en vanzelfsprekend ook de scheepswerf) een lastige boodschap is en heeft hier ook begrip voor. De rechtbank moet het echter doen met de stukken die in het dossier aanwezig zijn en op basis van die stukken is geen ander oordeel mogelijk.

Overige standpunten blijven onbesproken

4.14.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de overige standpunten. Deze kunnen namelijk niet tot een andere uitkomst leiden.

De curator moet de proceskosten betalen

4.15.

De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 10.188,00

- salaris advocaat € 9.262,00 (2 punten x € 4.631,00)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals

--------vermeld in de beslissing)

Totaal € 19.639,00

4.16.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

5.1.

wijst de vorderingen van de curator af,

5.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten van€ 19.639,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met€ 98,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt de curator tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in

artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, mr. G. Boonzaaijer en mr. L. van 't Hof en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.