Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Oost-Brabant, 3 mei 2024

ECLI:NL:RBOBR:2024:6830Zaaknummer 71-008437-22 ontneming

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
3 mei 2024
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
71-008437-22 ontneming
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van een zeer grote hoeveelheid MDMA-kristallen en het voorbereiden en/of bevorderen van drugshandel. Ook is er een grote diversiteit aan drugs aangetroffen in verdachtes woning. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van grote geldbedragen. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 293.535. Legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 293.535 ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank:

- Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 293.535,00 (tweehonderddrieënnegentigduizend vijfhonderdvijfendertig euro).

- Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 293.535,-- (tweehonderddrieënnegentigduizend vijfhonderdvijfendertig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld of andere strafbare feiten, heeft verkregen.

- Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. R. Hebbink, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 3 mei 2024.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. De ontnemingsvordering van de officier van justitie.
  2. Het onderzoek van de zaak.
  3. De beoordeling.
  4. De overwegingen van de rechtbank.
  5. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
  6. De op te leggen betalingsverplichting.
  7. Toepasselijke wetsartikelen
  8. DE UITSPRAAK

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 71.008437.22 (ontneming)

Datum uitspraak: 3 mei 2024

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

wonende te [adres 1],

hierna: veroordeelde.

De ontnemingsvordering van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie van 16 december 2022 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt geschat op € 293.535,-- en tot het opleggen aan veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de Staat van dit geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel.

Het onderzoek van de zaak.

De zaak is behandeld op de terechtzitting van 23 december 2022 en 19 april 2024. Veroordeelde en zijn raadsman mr. S.J. Römer zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig maar niet gevoegd, plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 71.008437.22 tegen veroordeelde.

De beoordeling.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar. Veroordeelde beschikte over geldbedragen, terwijl daar geen aantoonbare legale inkomsten tegenover stonden. De officier van justitie schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 293.535,00 en vordert het aan de staat te betalen bedrag daarop vast te stellen.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak in de strafzaak heeft de raadsman afwijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Inleiding

Bij vonnis van 3 mei 2024 is veroordeelde in de strafzaak met parketnummer 71.008437.22 veroordeeld wegens:

1. eendaadse samenloop van: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen,

- een ander trachten te bewegen of om daartoe inlichtingen te verschaffen en

- vervoermiddelen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit en

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

4. om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen,

- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of

om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

5. het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Veroordeelde is derhalve veroordeeld wegens misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.

De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor strafbare feiten. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, tweede lid, Sr).

De officier van justitie heeft voormelde ontnemingsvordering aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.

Kasopstelling.

Omdat in het strafrechtelijk onderzoek geen zicht is verkregen op alle individuele transacties/strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten, is er bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor gekozen om een eenvoudige kasopstelling te vervaardigen. Door middel van deze methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt nagegaan of, en zo ja, in hoeverre veroordeelde meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord. Daartoe zijn de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden, is er sprake van onbekende contante ontvangsten. Deze onbekende ontvangsten worden gelijk verondersteld aan het wederrechtelijk verkregen voordeel.

In feite is er bij deze methode, waarbij op de officier van justitie eigenlijk een stelplicht rust om eerst met een onderbouwde vordering te komen, sprake van een bewijsvermoeden. Het is namelijk aan de veroordeelde om – zo nodig door bescheiden gestaafd – tegenover de rechter aannemelijk te maken dat en waarom de door middel van die methode vastgestelde stijging van zijn vermogen niet of niet geheel haar oorsprong vindt in feiten als bedoeld in artikel 36e Sr dan wel anderszins niet kan gelden als voordeel in de zin van die bepaling. Met andere woorden, van de veroordeelde kan worden verlangd inzicht te geven in de herkomst van zijn vermogen.

De bewijsmiddelen. [_823cbbd7-1ad7-4f0a-953f-5340b4f56217]

Een proces-verbaal van bevindingen afgesloten op 8 december 2022, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 5-32)

Economische eenheid

[verdachte] heeft twee kinderen, genaamd [kind 1] (geboren [geboortedatum 1]) en [kind 2] (geboren [geboortedatum 3]) samen met zijn ex-partner [ex partner] (geboren [geboortedatum 2] ), ook wel [ex partner] genoemd.

Volgens de registratie van de BRP (Basisregistratie Personen) stonden [verdachte] en [ex partner] n de periode van 1 juni 2010 tot 2 december 2013 op hetzelfde adres ingeschreven, [adres 2]. Vanaf 2 december 2013 stonden [ex partner] en haar kinderen ingeschreven op de [adres 3].

[verdachte] bleef volgens de BRP ingeschreven staan op [adres 2], waarover [verdachte] verklaarde dat de woning van de woningbouw was en hij deze woning nooit heeft opgezegd.

Hij verklaarde dat hij met [ex partner] op de [adres 3] was gaan wonen en ook zijn ouders woonden toen bij hun in. [verdachte] verklaarde dat de relatie met [ex partner] was beëindigd rond juni 2017.

Uit de verstrekking van de Belastingdienst en uit de bankmutaties van de Rabobank is gebleken dat [verdachte] in de periode van 2016 tot en met 2019 een minimaal inkomen heeft

ontvangen.

Rabobank rekening

Door de Rabobank zijn bankmutaties verstrekt met betrekking tot bankrekening [bankrekeningnummer 1] op naam van [verdachte] over de periode van 5 januari 2017 tot en met 10 januari 2022.

In de periode 24 februari 2020 tot en met 6 januari 2022 heeft veroordeeldemiddels zijn Rabobank rekening € 56.293 ontvangen afkomstig van [bedrijf]

Bankrekeningen op naam van [verdachte].

Uit de verstrekte gegevens van de infobox Crimineel Vermogen (iCOV) is gebleken dat veroordeelde twee bankrekeningen in de onderzoeksperiode heeft aangehouden bij de Rabobank bij de ING Bank. Het betreffen rekeningnummers: [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2].

Contante stortingen

Uit de verstrekking van de Rabobank rekening en de ING bankrekening op naam van [verdachte], is gebleken dat er vele contante gelden zijn gestort, in totaal € 147.772,00.

Uit de verstrekte gegevens is eveneens gebleken dat er in de onderzoeksperiode veel uitgaven zijn verricht. Zonder deze contante stortingen was er onvoldoende saldo op de bankrekeningen om deze uitgaven te kunnen doen, met name voor de betalingen voor de huurwoning ( [adres 2]) en de hypotheekkosten ( [adres 4] ).

Rekening [bankrekeningnummer 1]

Contante stortingen

In de periode van 22 februari 2017 tot en met 19 november 2019 is in totaal € 47.151,00 aan contante gelden gestort. Het betroffen twintig stortingen, variërend van € 900,00 tot € 4.000,00 per storting. De herkomst van de contante stortingen zijn niet inzichtelijk geworden.

Rekening [bankrekeningnummer 2]

Contante stortingen

In de periode van 29 februari 2016 tot en met 30 april 2019 is in totaal € 100.621,00 aan contante gelden gestort. Het betroffen 38 stortingen, tussen de € 500,00 en € 5.000,00 per storting.

De herkomst van deze constante stortingen zijn niet inzichtelijk geworden.

Zonder deze stortingen was het niet mogelijk om alle uitgaven, waaronder de vele huurbetalingen, te kunnen voldoen.

Contante stortingen [ex partner]

Uit de bankmutaties is gebleken dat veroordeelde in de periode van 1 februari 2016 tot en met 3 juli 2017 in totaal € 16.560,00 (twaalf bedragen) heeft ontvangen van rekening [bankrekeningnummer 3] op naam van [ex partner], zijn ex-partner.

Meestal vonden de overboekingen naar de bankrekening van veroordeelde plaats op het moment dat het saldo op de rekening van veroordeelde negatief of onvoldoende was om noodzakelijke betalingen te kunnen doen.

Minimaal inkomen [ex partner]

Uit appverkeer aangetroffen in de in beslag genomen telefoon (Samsung Note 20) van veroordeelde kan uit een appbericht van 12 augustus 2021 tussen hem en [ex partner] worden opgemaakt dat zij een minimaal inkomen ontvangt. In het appbericht met veroordeelde chat [ex partner] dat zij maar € 1.600,00 van de gemeente ontvangt.

Verstrekte gegevens [bankrekeningnummer 3]

Naar aanleiding van de overboekingen op de rekening van veroordeelde zijn gegevens gevorderd van bankrekening [bankrekeningnummer 4] naam van [ex partner] over de periode van 4 januari 2016 tot en met 17 juni 2022.

Uit de verstrekte gegevens is gebleken dat op deze rekening van [ex partner] in de periode van 29 januari 2016 tot en met 5 december 2017 in totaal € 60.190,00 aan contante gelden is gestort.

Stortingen op de rekeningen van zoon [kind 2] en dochter [kind 1]

Stortingen op de rekeningen van zoon [kind 2] (geboortejaar [geboortejaar 1]) en dochter [kind 1] (geboortejaar [geboortejaar 2])

Op de rekening van [kind 2] Shing is op 29 januari 2016, 27 mei 2016 en 5 juli 2016 in totaal € 7.080 contant gestort en vervolgens overgemaakt naar de rekening van [ex partner]. (proces-verbaal van bevindingen pag. 321).

Op de rekening van [kind 1] is op 18 april 2017, 2 mei 2017 en 29 juni 2017 in totaal € 5.700 contant gestort en vervolgens nagenoeg geheel overgemaakt naar de rekening van [ex partner]. (proces-verbaal van bevindingen pag. 322-323).

BMW

Uit gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) is gebleken dat [ex partner] vanaf 7 juli 2016 tot en met 28 oktober 2017 een BMW met kenteken [kenteken] op haar naam had staan.

Uit de verklaring van veroordeeldeis gebleken dat hij in deze periode nog samenwoonde met [ex partner]. Uit de verstrekte bankmutaties van zowel veroordeelde als [ex partner] is gebleken dat rond de periode van de tenaamstelling van deze BMW met kenteken [kenteken] geen mutaties zichtbaar zijn, die gerelateerd zijn aan de aanschaf van deze BMW.

Het vermoeden is dat deze BMW met contante gelden is aangekocht.

Verklaring veroordeelde (pag. 398-405)

Op 23 juni 2022 verklaarde veroordeelde over de aankoop van de BMW met kenteken [kenteken]:

- dat hij de BMW met kenteken [kenteken] particulier had gekocht en dat hij dacht dat hij ongeveer € 17.000,00 à € 18.000,00 had betaald;

- dat hij niet meer wist of de betaling via de bankrekening is gegaan of dat hij geld had gepind.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling

Uit financiële onderzoek gebleken dat de (girale) uitgaven van veroordeelde hoger zijn dan zijn legale ontvangsten. Hij heeft in de periode van 1 januari 2016 tot en met 11 januari 2022 (dag van aanhouding) een minimaal inkomen genoten.

Echter uit de verstrekte bankmutaties over deze periode is gebleken dat er vele gelden contant zijn gestort. Zonder deze stortingen was het niet mogelijk om alle consumptieve uitgaven en vaste lasten te kunnen voldoen.

Verder is gedurende het onderzoek het vermoeden ontstaan dat veroordeelde vermoedelijk ogenschijnlijk loon heeft ontvangen.

De kasopstelling is berekend over de periode van 1 januari 2016 tot en met 11 januari 2022, de dag van aanhouding van veroordeelde.

Beginsaldo saldo contant geld

Er is geen inzicht verkregen in het (legale) contante geld dat veroordeelde op 1 januari 2016 in zijn bezit had. Zodoende wordt er uitgegaan van een beginsaldo van € 0,00.

Eindsaldo

Er zijn geen contante gelden (van enig belang) aangetroffen tijdens de aanhouding van veroordeelde op 11 januari 2022 en eveneens niet tijdens de doorzoeking in zijn woning gelegen aan de [adres 4]. Tijdens de fouillering van veroordeelde zijn diverse pasjes en een pinbon in zijn portemonnee aangetroffen en in beslag genomen. Er was geen contant geld (van enig belang) zijn portemonnee.

Zodoende wordt er uitgegaan van een eindsaldo van € 0,00.

Legale contante ontvangsten

Er zijn binnen de onderzoeksperiode geen (legale) ontvangsten inzichtelijk geworden.

De legale contante ontvangsten worden gezien deze bevindingen op € 0,00 gesteld.

Contante stortingen/opnames bankrekeningen [verdachte]

Een contante opname van de bankrekening wordt gezien als een ontvangst in de" portemonnee. Een contante geldstorting op de bankrekening wordt gezien als een uitgave uit de portemonnee.

Contante stortingen op de Rabobank rekening en ING bankrekening van veroordeelde, waarop € 47.151,00 respectievelijk € 100.621,05 contant is gestort.

Binnen de onderzoeksperiode hebben een aantal contante opnames plaatsgevonden, echter alleen een opname van de Rabobank rekening op 18 november 2019 ad € 1.000,00 is het mogelijk dat deze gebruikt is om vervolgens weer contant te storten. Deze opname wordt in mindering gebracht, om dubbeltelling te voorkomen.

Per saldo bedraagt het bedrag aan contante stortingen € 47.151,00 + € 100.621,00 = € 147. 772,00 -€ 1.000,00 = € 146.772,00 (stortingen minus opname).

De contante stortingen van € 147.772,00 worden meegenomen in de kasopstelling als contante uitgaven en de € 1.000,00 als contante ontvangst.

Contante stortingen rekening [ex partner]

Contante gelden gestort op de ING bankrekening van [ex partner], de ex-partner van veroordeelde.

Uit analyse van de bankrekening is gebleken dat [ex partner] geen voldoende legaal inkomen (een uitkering) had om deze contante stortingen mogelijk te maken.

De contante stortingen zijn hoofdzakelijk uit gevoerd in de periode dat veroordeelde nog samenwoonde met [ex partner]. De stortingen zijn deels overgemaakt naar de ING rekening van veroordeelde.

In de periode van 29 januari 2016 tot en met 5 december 2017 is in totaal € 60.190,00 aan contante gelden op de rekening van [ex partner] gestort.

De contante stortingen van € 60.190,00 worden meegenomen in de kasopstelling als contante uitgaven.

Contante stortingen rekeningen [kind 2] en [kind 1].

De contante gelden gestort op de rekeningen van de kinderen van [verdachte]. In totaal is € 7.080,00 op de rekening van [kind 2] en € 5.700,00 op de rekening van [kind 1] contant gestort.

Uit onderzoek is gebleken dat deze gelden zijn overgemaakt naar de rekening van [ex partner]

De contante stortingen van € 7.080,00 en € 5.700,00 worden meegenomen in de kasopstelling als contante uitgaven.

Overige contante uitgaven BMW

In paragraaf 5.2.5 wordt gerelateerd aan contante betalingen van een BMW met kenteken [kenteken] en in de periode van 7 juli 2016 tot en met 28 oktober 2017 op naam gesteld van [ex partner].

Uit de verklaring van veroordeelde is gebleken dat hij in deze periode nog samenwoonde met [ex partner] en dat hij de BMW particulier had gekocht. Hij verklaarde dat hij ongeveer € 17.000 à € 18.000 had betaald. Hij wist niet of het deels via de bankrekening was gegaan. Echter zijn geen betalingen op de bankrekeningen van veroordeelde en [ex partner] zichtbaar die gerelateerd zijn aan de aanschaf van deze BMW.

Een bedrag van € 17.500,00 wordt meegenomen in de kasopstelling als contante uitgave.

Ogenschijnlijk legaal loon [bedrijf]

in dit proces-verbaal is uitgegaan van de door veroordeelde ontvangen netto bedragen op zijn bankrekening, in totaal € 56.293,00

Op grond van het vorenstaande wordt gesteld, dat veroordeelde, Kai Wing een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen van € 293.535,00

De overwegingen van de rechtbank.

De rechtbank heeft in de strafzaak met parketnummer 71.008437.22 in haar vonnis van 3 mei 2024 ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen ten aanzien van de navolgende geldbedragen, terwijl veroordeelde wist dat dit geld onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf:

  • Contante geldbedragen tot een totaal van € 60.190,00 op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 3] op naam van N.L. [ex partner];
  • Contante geldbedragen tot een totaal van € 100.620,05 op bankrekeningnummer

[bankrekeningnummer 2] op naam van veroordeelde;

  • Contante geldbedragen tot een totaal van € 47.151,00 op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] op naam van veroordeelde;
  • Betalingen tot een totaal van € 56.292,52, op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 5] op naam van veroordeelde.

Veroordeelde heeft voor deze op zijn bankrekeningen en op de bankrekening van [ex partner] gestorte contante bedragen geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring afgelegd. Ook ten aanzien van de contante stortingen op de bankrekeningen van zijn twee kinderen en de contante uitgave met betrekking tot de BMW heeft veroordeelde geen inzicht gegeven in de herkomst van deze bedragen. De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van die contante stortingen niet aannemelijk is geworden dat deze gelden door pokerwinsten of giften van familie van veroordeelde zijn verkregen. Deze verklaring van veroordeelde is niet met verifieerbare bescheiden en/of getuigenverklaringen onderbouwd, en voldoet dan ook niet aan de daaraan te stellen eisen, zodat ze als ongeloofwaardig verworpen moet worden.

De rechtbank acht aannemelijk dat de bewezen verklaarde misdrijven of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten terzake waarvan hij is veroordeeld of andere strafbare feiten.

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 293.535,00.

De op te leggen betalingsverplichting.

De rechtbank zal aan veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 293.535,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 293.535,00 (tweehonderddrieënnegentigduizend vijfhonderdvijfendertig euro).

- Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 293.535,-- (tweehonderddrieënnegentigduizend vijfhonderdvijfendertig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld of andere strafbare feiten, heeft verkregen.

- Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. R. Hebbink, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 3 mei 2024.

Voetnoten

  1. Een rapport berekening wederrechtelijk voordeel ex artikel 36e lid 3 Sr, met rapportnummer 19013-0396, BVHnummer 2019064867, met bijlagen, afgesloten op 8 december 2022, pag. 1 tot en met 415.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.