Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 26 maart 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:913Zaaknummer AWB_LEE_24-4706
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 26 maart 2026
- Publicatiedatum
- 9 april 2026
- Zaaknummer
- AWB_LEE_24-4706
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
WOZ/PKV beroepsfase/buiten zitting/gegrond
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de WOZ-waarde van de woning tot een bedrag van € 331.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van
R.H. Wolfslag, griffier.
| griffier | rechter |
Uitgesproken op 26 maart 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4706
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
(gemachtigde: [naam 1])
en
de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor
(gemachtigde: [naam 2] ).
Procesverloop
1. In de uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2024 inzake de WOZ-waarde van het object [adres] (de woning) voor het belastingjaar 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Eiser heeft de rechtbank bij brief van 12 februari 2025 meegedeeld dat er overeenstemming is bereikt met de heffingsambtenaar over de verlaging van de WOZ-waarde naar € 331.000. Eiser heeft de rechtbank verzocht enkel uitspraak te doen over de vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase.
De heffingsambtenaar heeft de op de procedure betrekking hebbende stukken ingediend.
De rechtbank doet, met instemming van partijen, op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak.
Overwegingen
2. Eiser vindt dat artikel 30a van de Wet WOZ niet van toepassing is, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Hij benadrukt dat dit geen standaard beroep is met tekstblokken.[_cd0322a2-102a-4eb4-ab16-cd040e7cc3f2] De gemachtigde heeft in de beroepsfase opnieuw naar de zaak gekeken. Op basis van de gegevens van de taxatieverslagen van de heffingsambtenaar heeft hij de referentieobjecten beoordeeld en een uitwerking gemaakt van de prijs per eenheid. Dit laat zien dat er een ‘zaak specifieke beoordeling’ heeft plaatsgevonden. Hij is dan ook van mening dat er een redelijke tegemoetkoming in de kosten moet zijn en de WOZ-factor (van 0,25) in deze procedure niet van toepassing is.
3. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Voor de proceskosten in beroep dient volgens hem artikel 30a lid 2 van de Wet WOZ worden toegepast.
De rechtbank overweegt als volgt
4. Omdat de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt na 1 januari 2024, moet de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase worden bepaald aan de hand van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv).[_dba612e4-b701-4d00-88ee-d01c9bc41b7b]
Bijzonder geval?
5. Gelet op wat de Hoge Raad in zijn arrest van 17 januari 2025 heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van eiser met het oog op die proceskostenvergoeding de gemachtigde is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van dat arrest. Blijkens het arrest van 17 januari 2025 rust de bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’ op de gemachtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij het verlangde bewijs niet geleverd. De gemachtigde heeft geen concreet (cijfermatig) inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel, zodat de rechtbank niet goed kan beoordelen of het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde al dan niet het in rechtsoverweging 3.5.1. van het arrest van 17 januari 2025 bedoelde derde kenmerk heeft (“dat de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen”). Hetgeen is gesteld, namelijk dat er een ‘zaak specifieke beoordeling’ heeft plaatsgevonden, is hierbij niet van belang. De rechtbank berekent de vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase daarom op basis van artikel 30a lid 2, van de Wet WOZ.
Conclusie en gevolgen
6. Omdat de overeenstemming over de WOZ-waarde hangende het beroep (zie 1.2.) heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal de WOZ-waarde verminderen naar € 331.000.
7. De hoogte van de vergoeding voor de beroepsfase van € 934 wordt vermenigvuldigd met 0,25 (artikel 30a lid 2, van de Wet WOZ). De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 226,75. Verder dient de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de WOZ-waarde van de woning tot een bedrag van € 331.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van
R.H. Wolfslag, griffier.
| griffier | rechter |
Uitgesproken op 26 maart 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.