Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 27 februari 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:598Zaaknummer LEE 26/589

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
LEE 26/589
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo ingediend zonder besluit en bezwaar- of beroepschrift. kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam uit woonplaats] , verzoekster
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/589

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft (het besluit) overleggen.[_23c4cbd7-7753-4919-8666-40ab6a85c63c] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

2.1.

Bij het verzoekschrift ontvangen op 17 februari 2026 heeft verzoekster het bezwaar- of beroepschrift en het besluit niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 19 februari 2026 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen. Verzoekster is er op gewezen dat het verzoek anders niet-ontvankelijk verklaard kan worden.

2.2.

Verzoekster heeft diverse stukken overgelegd, maar geen afschrift van het bezwaar- of beroepschrift of van het besluit.

3. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.