Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4284Zaaknummer LEE 26/3060
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- LEE 26/3060
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Wmo 2015, vovo. Niet gebleken dat verzoeker een aanvraag heeft ingediend, zodat geen sprake is van een besluit.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/3060
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [woonplaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen, het college
(gemachtigde: M.E. Meijer).
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de brief van het college van 15 juli 2026 waarbij een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen is.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om in deze procedure griffierecht te betalen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Uit de systematiek van de Wmo 2015 volgt dat een cliënt bij het college melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, waarna het college binnen zes weken een onderzoek uitvoert en aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt. Als het onderzoek is afgerond of als het onderzoek niet is afgerond binnen de termijn van zes weken, kan de cliënt een aanvraag om een maatwerkvoorziening bij het college indienen. Zodra een aanvraag is gedaan, zal het college binnen twee weken moeten beslissen op de aanvraag.[_782209a3-a3aa-4d57-b5ea-3762c3a87304]
In dit geval heeft verzoeker op 3 december 2025 bij het college een melding gedaan voor maatschappelijke ondersteuning, waarna het college een onderzoek is gestart. De bevindingen van het onderzoek heeft het college weergegeven in het onderzoeksverslag van 10 februari 2026. Dit onderzoeksverslag heeft het college op 11 februari 2026 aan verzoeker verzonden met het verzoek het ondertekend terug te sturen. Op die manier kon hij een aanvraag indienen. Op 27 februari 2026 heeft het college een herinnering verzonden.
Op 11 juni 2026 heeft het college verzoeker bericht dat het college geen reactie op het onderzoeksverslag van 10 februari 2026 heeft ontvangen en dat het college opnieuw onderzoek zal uitvoeren. De bevindingen van het onderzoek heeft het college weergegeven in het onderzoeksverslag van 14 juli 2026. Het college heeft vervolgens de brief van 15 juli 2026 verzonden, terwijl niet gebleken is dat het college een aanvraag van verzoeker heeft ontvangen.
Nu het college geen aanvraag om een maatwerkvoorziening van verzoeker heeft ontvangen, is de brief van 15 juli 2026 geen beslissing op een aanvraag. De brief van 15 juli 2026 is dus geen besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Omdat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, is er geen bezwaar waarmee het verzoek om voorlopige voorziening samenhangt. Nu deze connexiteit ontbreekt, zal het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.