Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 19 augustus 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:3780Zaaknummer LEE 26/2532

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Publicatiedatum
8 september 2026
Zaaknummer
LEE 26/2532
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De aanvraag van verzoeker voor een gehandicaptenparkeerkaart is afgewezen. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Geen spoedeisend belang. Het verzoek is afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam uit woonplaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/2532

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, verweerder.

Inleiding

1. Verzoeker heeft op 17 februari 2026 een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder (GPK-B). Verweerder heeft voor de beoordeling van de aanvraag een medisch advies gevraagd bij Argonaut. Met een besluit van 9 april 2026 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat uit het medisch advies van 24 maart 2026 blijkt dat verzoeker zonder hulp van een ander, met een wandelstok, meer dan 100 meter achter elkaar kan lopen. Verzoeker heeft op 25 maart 2026 opnieuw een aanvraag voor een GKB-B ingediend. Met een besluit van 8 mei 2026 heeft verweerder deze aanvraag onder verwijzing naar het besluit van 9 april 2026 afgewezen, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker geeft aan dat hij door artrose zeer slecht ter been is en daardoor de afstand die hij kan lopen, beperkt is. Hij heeft constant pijn. Verzoeker kan zich niet verenigen met de conclusie van de arts van Argonaut, omdat hij geen 100 meter kan lopen. Het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening is dat hij slecht ter been is en slechts enkele meters kan lopen. Het mogen ontvangen van een parkeerkaart zou zijn leven zoveel makkelijk maken en dat impliceert naar zijn mening het recht op deze kaart dan ook. Bovenal, zo schrijft verzoeker, voldoet hij aan de harde criteria voor het recht op een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Onverwijlde spoed wil zeggen dat er onomkeerbare gevolgen kunnen intreden waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat sprake is van een spoedeisend belang. Van onomkeerbare gevolgen die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht, is niet gebleken. De argumenten van verzoeker zoals hiervoor onder 2. genoemd, zijn daarvoor onvoldoende. Zijn argumenten betreffen ook geen nieuwe feiten.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is kennelijk ongegrond omdat het spoedeisend belang ontbreekt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht en een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.