Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 7 augustus 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:3494Zaaknummer LEE 26/2355

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
7 augustus 2026
Publicatiedatum
18 augustus 2026
Zaaknummer
LEE 26/2355
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd omdat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetgeving

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 8:81

1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam] , uit [woonplaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
  6. Wetgeving

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/2355

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E. Schriemer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, het college

(gemachtigde: mr. E. Ferwerda).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op 22 juni 2026 heeft het Team Urgentie Thuiskompas een e-mailbericht met de volgende inhoud naar verzoeker gestuurd:

Wij hebben uw aanvraag opnieuw laten beoordelen omdat u uw advocaat, dhr. E. Schriemer, namens u een bezwaar op de afwijzing heeft aangeleverd. De commissie ziet geen reden om uw aanvraag te herzien en af te wijken van het eerder genomen besluit.

Toelichting

De aanwezige documenten laten zien dat er sprake is van een onhoudbare woonsituatie. De commissie ziet desondanks geen reden om het eerder genomen besluit te wijzigen. Door naar Nederland te verhuizen zonder vooraf passende en adequate huisvesting te regelen was het te voorzien dat verblijf bij (groot)ouders niet passend zou zijn. Het alsnog toekennen van urgentie is niet uitlegbaar tegenover andere woningzoekenden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.

Het e-mailbericht vermeldt verder dat een klacht ingediend kan worden bij de Regionale Geschillencommissie als verzoeker het niet eens is met het besluit.

3. Op 18 juli 2026 heeft verzoeker beroep (LEE 26/2356) ingesteld tegen bovengenoemd e-mailbericht van 22 juni 2026 en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening (LEE 26/2355) te treffen. Verzoeker stelt dat het e-mailbericht een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Over de vraag wie als verwerend bestuursorgaan moet worden aangemerkt stelt verzoeker primair dat dit het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel is, subsidiair dat dit het bevoegde college binnen het werkgebied van Thuiskompas is en meer subsidiair het bestuursorgaan namens wie het besluit is genomen.

4. Verweerder heeft op 21 juli 2026 als volgt gereageerd:

Vandaag ontvingen wij van u een kennisgeving omtrent een ingediende vovo en beroepsschrift. Na deze te hebben gelezen zijn wij tot de conclusie gekomen dat deze is gericht tegen de Organisatie Thuiskompas wegens het niet verstrekken van een urgentieverklaring. De gemeente Meppel heeft hier geen aandeel in gehad en geen besluiten genomen omtrent deze zaak. Thuiskompas is een privaatrechtelijk samenwerkingsverband en handelt ook niet uit naam van de gemeente Meppel.

Wij kunnen u dan ook niet voorzien van stukken dan wel anderszins voorzien van informatie. Ons inziens is deze zaak gericht tegen de gemeente Meppel dan ook kennelijk niet ontvankelijk en dient bij de kantonrechter aanhangig te worden gemaakt.

5. Bij brief van 22 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter verzoeker gevraagd binnen een week te reageren. De voorzieningenrechter heeft tot op heden geen reactie ontvangen.

6.1.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

6.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit het e-mailbericht van 22 juni 2026 niet blijkt dat dit afkomstig is van een bestuursorgaan. Het door verzoeker primair genoemde bestuursorgaan stelt niet betrokken te zijn bij het opstellen van het e-mailbericht. Van betrokkenheid van een ander bestuursorgaan is niet gebleken.

6.3.

Het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is daarom dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat niet is voldaan aan het bevoegdheidsvereiste van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

7. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetgeving

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 8:81

1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.