Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 14 juli 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:2784Zaaknummer LEE 26/2135

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/2135
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening last onder bestuursdwang verwijderen hekwerk toegewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat het college het griffierecht van €200,- aan verzoekers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. G. Steenbergen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam] en [naam], uit [woonplaats], verzoekers
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/2135

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] en [naam], uit [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. R.H. de Kamper)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [woonplaats] (derde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de last onder bestuursdwang om een hekwerk te verwijderen van het perceel aan de [adres] in [woonplaats]. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

2. Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoekers. Deze last luidt:

“U dient de overtreding van artikel 22.26 van het Omgevingsplan en artikel 5.1, eerste lid onder a van de Omgevingswet te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunt u doen door het gehele hekwerk te verwijderen en verwijderd te houden van het perceel LEE01-I-3135. (…) U heeft tot en met donderdag 2 juli 2026 de tijd om aan de last te voldoen oftewel om het hekwerk te verwijderen en verwijderd te houden. Op vrijdagochtend vindt een hercontrole plaatst. Als geconstateerd wordt dat de overtreding dan niet is beëindigd oftewel als het hekwerk nog aanwezig is gaan wij op vrijdagochtend 3 juli 2026 over tot het uitvoeren van bestuursdwang. Dit betekent dat wij de bovengenoemde last gaan uitvoeren door het hekwerk te verwijderen en af te voeren.”

2.1.

Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.2.

Het college heeft op 2 juli 2026 laten weten dat het bereid is de effectuering van de bestuursdwang op te schorten totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure

kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, dan moeten verzoekers het hekwerk verwijderen voordat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift tegen het besluit danwel het college past bestuursdwang toe en verwijderd het hekwerk op kosten van verzoekers. Het spoedeisend belang is hiermee gegeven.

3.1.

Wat de voorzieningenrechter doet, is de belangen van de betrokken partijen wegen en op basis daarvan al dan niet een voorlopige voorziening treffen. Onderdeel van die belangenafweging kan een inschatting over de rechtmatigheid van het besluit zijn, maar dat hoeft niet en is bovendien niet doorslaggevend. Het blijft het bestuursorgaan dat zelf tot een volledige heroverweging moet overgaan. De voorzieningenrechter zal dit verzoek uitsluitend beoordelen aan de hand van een belangenafweging.

3.2.

Als het besluit niet wordt geschorst, wordt het hekwerk op korte termijn verwijderd als verzoekers niet aan de last voldoen. Verzoekers hebben toegelicht het hekwerk tijdelijk te hebben geplaatst om hun privacy en veiligheid te beschermen, direct zichtcontact te beperken en verdere escalatie van een langdurig burenconflict te voorkomen. Zij twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en hebben belang bij het in stand houden van het hekwerk totdat op het bezwaar is beslist.

3.3.

Daartegenover staat het belang van het college en derde bij verwijdering van het hekwerk. Uit de stukken blijkt dat het hekwerk sinds oktober 2025 aanwezig is. Het college heeft op dinsdag 30 juni 2026 een last onder bestuursdwang opgelegd en daarbij verzoekers tot en met donderdag 2 juli 2026 de tijd gegeven om te voldoen aan de last. De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op het tijdsverloop tussen het plaatsen van het hekwerk en het opleggen van de last, niet in waarom het college niet kan wachten tot na een beslissing op bezwaar. De door de derde partij genoemde belangen bij verwijdering van het hek zijn niet zodanig spoedeisend dat het hekwerk daarom op heel korte termijn zou moeten worden verwijderd. Dit wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigd door het lange voorbereidingstraject van het college.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

4.1.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat het college het griffierecht van €200,- aan verzoekers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. G. Steenbergen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.