Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 6 juli 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:2692Zaaknummer LEE 26/2005

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/2005
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Assen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening vanwege belangen van een minderjarig kind. Deze uitspraak gaat over de sluiting van een huurwoning. Verzoekster huurt de woning van de woningbouwvereniging. Bij primair besluit van 19 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester meegedeeld dat hij de woning zal sluiten voor een periode van drie maanden, ingaande op 24 juni 2026 om 12:00.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe;
  • schorst de werking van het primaire besluit van 19 juni 2026;
  • bepaalt dat deze voorlopige voorziening hangende bezwaar vervalt na ommekomst van twee weken nadat het te nemen besluit op bezwaar is bekendgemaakt, tenzij binnen die twee weken is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep. In dat geval zal de voorziening die bij deze uitspraak is getroffen vervallen zodra de voorzieningenrechter uitspraak zal hebben gedaan op het verzoek hangende beroep;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,– aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,– aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke verdrags- en wetsbepalingen

Convention on the Rights of the Child

Article 3

1. In all actions concerning children, whether undertaken by public or private social welfare institutions, courts of law, administrative authorities or legislative bodies, the best interests of the child shall be a primary consideration.

2. States Parties undertake to ensure the child such protection and care as is necessary for his or her well-being, taking into account the rights and duties of his or her parents, legal guardians, or other individuals legally responsible for him or her, and to this end, shall take all appropriate legislative and administrative measures.

3. States Parties shall ensure that the institutions, services and facilities responsible for the care or protection of children shall conform with the standards established by competent authorities, particularly in the areas of safety, health, in the number and suitability of their staff, as well as competent supervision.

Article 27

1. States Parties recognize the right of every child to a standard of living adequate for the child's physical, mental, spiritual, moral and social development.

2. The parent(s) or others responsible for the child have the primary responsibility to secure, within their abilities and financial capacities, the conditions of living necessary for the child's development.

3. States Parties, in accordance with national conditions and within their means, shall take appropriate measures to assist parents and others responsible for the child to implement this right and shall in case of need provide material assistance and support programmes, particularly with regard to nutrition, clothing and housing.

4. […]

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:4

1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Opiumwet

Artikel 13b

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

2. […]

Lijst I

International Non-proprietary Name (INN)andere benamingennadere omschrijving
amfetamine-
[…][…][…]
–cocaïne(-)-3-beta-benzoyloxytropaan-2-beta-carbonzure methylester
[…][…][…]
metamfetamine-
-3,4-methyleendioxymethamfetamine, MDMA(±)-N,alfa-dimethyl-3,4-(methyleendioxy)-fenethylamine
[…][…][…]

Lijst IA

1. Stofgroep: Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine

Een substantie afgeleid van 2-fenethylamine is elke chemische substantie die afgeleid kan worden uit de basisstructuur van 2-fenylethaan-1-amine en die overeenkomt met de modulaire opbouw van structuurelement A en structuurelement B, zo als hieronder weergegeven, met uitzondering van 2-fenethylamine zelf en aspartaam en penconazool.

[…]

Lijst II

International Non-proprietary Name (INN)andere benamingennadere omschrijving
[…][…][…]
–hasjiesjeen gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten
-hennepelk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden
[…][…][…]

Wetboek van strafrecht

1. De rechter kan aan een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of, in bijzondere gevallen en na overleg met een dergelijke rechtspersoon, aan een particulier persoon, opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

2. De rechter kan, indien de veroordeelde ingevolge artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht is gesteld, aan een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet opdragen aan de veroordeelde ter zake van de naleving der bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.

3. Indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, kan de rechter een in artikel 14c, zesde lid, bedoelde reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

4. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van het toezicht en de begeleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam 1 uit woonplaats] , verzoekster
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
  5. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  6. Was de burgemeester bevoegd?
  7. Conclusie en gevolgen
  8. Beslissing
  9. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
  10. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke verdrags- en wetsbepalingen

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/2005

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A.R. Maarsingh)

en

de burgemeester van Meppel

(gemachtigden: mr. E.M. Oskam en J.H. Oostra)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de sluiting van de huurwoning plaatselijk bekend [adres] (de woning). [naam 1] huurt de woning van de woningbouwvereniging. Bij primair besluit van 19 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester meegedeeld dat hij de woning zal sluiten voor een periode van drie maanden, ingaande op 24 juni 2026 om 12:00. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de werking van het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 juni 2026 heeft de burgemeester meegedeeld dat hij de woning zal sluiten voor een periode van drie maanden, ingaande op 24 juni 2026 om 12:00.

2.1.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.2.

Namens de burgemeester is per e-mailbericht, verzonden op 22 juni 2026 aan de voorzieningenrechter meegedeeld dat de burgemeester zal wachten met de sluiting totdat de voorzieningenrechter uitspraak zal hebben gedaan.

2.3.

De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester. Voor de burgemeester is tevens verschenen: [naam 2], wijkagente.

Het verzoek om een voorlopige voorziening

3. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht:

a. het besluit van de burgemeester d.d. 19 juni 2026 tot sluiting van de woning aan de [adres] te schorsen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn;

b. te bepalen dat [naam 1] en [naam 3] de woning hangende het bezwaar mogen blijven gebruiken;

c. de burgemeester te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat het griffierecht wordt vergoed.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De relevante verdrags- en wetsbepalingen staan in de bijlage bij deze uitspraak.

5. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het besluit van 19 juni 2026.

6. Niet in geschil is dat er middelen zijn aangetroffen waarvan (indicatieve) testen uitwijzen dat het gaat om middelen die voorkomen op lijst I, lijst IA of lijst II, behorende bij de Opiumwet. Het gaat om de volgende middelen, genoemd in de bestuurlijke rapportage van 8 juni 2026, waarnaar de burgemeester heeft verwezen in zijn besluit.

Lijst I

26,36 gramAmfetamine of Metamfetamine
4,01 gramCocaïne
39,49 gramMDMA

Lijst IA

92,24 gram4-BMC (indicatieve uitslag)
0,68 gram2-MMC

Lijst II

133,24 gramHasj
29,65 gramHennep

Was de burgemeester bevoegd?

7. Gelet op de aangetroffen drugs was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten. Hiertegen zijn geen gronden ingediend.

Evenredigheidstoetsing

Was de sluiting geschikt?

8. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de sluiting van de woning een geschikt middel. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

8.1.

[naam 1] stelt dat het door de burgemeester beoogde doel (het naar het drugscircuit duidelijk maken dat er in de woning geen drugs meer te verkrijgen zijn) is bereikt door het optreden van politie en justitie. Er is geen aanloop (meer) naar haar woning, aldus [naam 1]. Haar partner, [naam 4], is niet meer woonachtig in de woning en verblijft elders in verband met behandeling van zijn verslaving.

8.2.

De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de tweede aanvullende bestuurlijke rapportage van 8 juni 2026 vermeldt dat na de politie-inval nog steeds meldingen van aanloop en onveiligheidsgevoelens binnenkwamen. De derde aanvullende rapportage van 24 juni 2026 bevestigt vervolgens dat ook na het vertrek van [naam 4] kortstondige bezoekjes doorgingen. Dit wijst op drugshandel en de buurtbewoners ervaren de situatie als onverminderd bedreigend. Hij verbindt hieraan de conclusie dat de stelling dat het vertrek van [naam 4] de noodzaak van sluiting heeft weggenomen, niet door de stukken wordt gedragen.

8.3.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de bestuurlijke rapportage van 8 juni 2026 dat de situatie ten tijde van het bestreden besluit niet wezenlijk is veranderd. Daarom is aannemelijk dat de burgemeester zijn doel, herstel van de situatie ter plaatse, na de inval in de woning op 7 mei 2026 nog niet heeft bereikt. Dat is aannemelijk op basis van de beschrijving van drugsgerelateerde meldingen die op 22 mei 2026 en 29 mei 2026 zijn binnengekomen bij de politie en op basis van een gesprek dat de wijkagent met een omwonende heeft gehad op 4 juni 2026 over drugsgerelateerde overlast. Onder meer op basis van die feiten en omstandigheden heeft de politie de burgemeester in overweging gegeven om passende bestuurlijke maatregelen te nemen.

Was de sluiting noodzakelijk?

9. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij niet meer in [woonplaats] wil wonen en zelf op zoek is naar vervangende woonruimte. Daarvoor heeft zij echter tijd nodig. Deze verklaring is niet zodanig dat de burgemeester de sluiting niet meer noodzakelijk behoeft te achten.

Was de sluiting evenwichtig?

10. Naar voorlopig oordeel was de sluiting niet evenwichtig. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

10.1.

De burgemeester heeft over de evenwichtigheid het volgende overwogen in het besluit van 19 juni 2026.

“Evenredigheid

Sluiting van een woning is een ingrijpende maatregel die ingrijpt in het recht op respect voor het privéleven, het gezinsleven en de woning. Daarom heb ik beoordeeld of de sluiting, gelet op alle betrokken belangen en omstandigheden van het geval, noodzakelijk en evenredig is. Bij de beoordeling van de evenredigheid heb ik in het bijzonder acht geslagen op de gevolgen voor de minderjarige zoon van mevrouw [naam 1] en de beschikbare hulpverlening, waaronder de betrokkenheid van het Leger des Heils, en vastgesteld dat, ondanks de ingrijpende gevolgen, geen minder vergaande maatregel beschikbaar is die de met artikel 13b van de Opiumwet beoogde doelen op een toereikende wijze kan realiseren.

Daarbij heb ik enerzijds het algemeen belang laten wegen bij het beëindigen van drugshandel vanuit de woning, het doorbreken van de bekendheid van de woning in het drugscircuit en het herstel van de veiligheid, rust en leefbaarheid voor de omwonenden. Anderzijds heb ik de persoonlijke belangen van mevrouw [naam 1] betrokken, waaronder de gevolgen voor haar minderjarige zoon, haar financiële situatie, het gestelde gebrek aan een sociaal netwerk en de aanwezigheid van huisdieren.

Ik acht doorslaggevend dat in uw woning een aanzienlijke handelshoeveelheid harddrugs en softdrugs is aangetroffen, in combinatie met aanwijzingen voor productie van GHB en crackcocaïne, een langere periode van meldingen over aanloop en overlast en het voortduren van onveiligheidsgevoelens bij omwonenden, ook na de politie-inval. Tegen die achtergrond acht ik een waarschuwing of een lichtere maatregel onvoldoende om het met artikel 13b van de Opiumwet beoogde herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat te bereiken.

Daarbij neem ik tevens in aanmerking dat artikel 7 van de [Beleidsregels handhaving van handel en/of aanwezigheid van hard- en softdrugs met betrekking tot een woning of lokaal] ruimte laat om in schrijnende gevallen van de beleidslijn af te wijken. Ik heb beoordeeld of de door u aangevoerde omstandigheden aanleiding geven om uw situatie als zodanig aan te merken. Dat is naar mijn oordeel niet het geval. De door u geschetste persoonlijke omstandigheden zijn ingrijpend, maar wegen in dit geval niet zwaarder dan het algemene belang bij sluiting van de woning voor de duur van drie maanden overeenkomstig artikel 4 van de beleidsregels. Ik acht de sluiting daarom noodzakelijk en evenwichtig.”

10.2.

Verzoekster voert aan dat de burgemeester geen, althans onvoldoende, rekening heeft gehouden met de belangen van de 13-jarige zoon van [naam 1]: [naam 3]. De burgemeester heeft geen acht geslagen op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat de belangen van [naam 3] de eerste overweging vormen bij een door een overheidsorgaan te nemen beslissing. [naam 3] heeft belang bij een stabiele leefomgeving. Als het besluit van de burgemeester in stand blijft, ontbreekt die evident, aldus verzoekster.

10.3.

De burgemeester stelt zich op het standpunt dat hij het belang van [naam 3] niet heeft miskend, maar na afweging van alle betrokken belangen, onvoldoende zwaarwegend heeft geacht om van sluiting af te zien.

10.4.

Ter zitting is namens de burgemeester verklaard dat in verband met de belangen van [naam 3] contact is onderhouden met het Leger des Heils, dat belast is met de maatregel van ondertoezichtstelling. Wat dit contact heeft ingehouden en wat dit heeft opgeleverd is echter niet toegelicht.

10.5.

De voorzieningenrechter acht het navolgende van belang.

10.5.1.

[naam 4] is op 7 mei 2026 aangehouden, waarna doorzoeking van de woning is gevolgd. Momenteel verblijven alleen [naam 1] en haar zoon [naam 3] in de woning. Vastgesteld is dat [naam 3] is geboren op [geboortedatum] 2012, momenteel is hij 13 jaar. Niet in geschil is dat de sluiting van de woning een maatregel is die [naam 3] mede betreft, omdat hij met [naam 1] in de woning woont. De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam 1] ernstige verwijten gemaakt kunnen worden met betrekking tot de aanwezigheid van de drugs in de woning. Maar dat kan niet het gewicht relativeren dat toekomt aan het belang van [naam 3].

10.5.2.

De sluiting van de woning is ten tijde van deze uitspraak onevenwichtig om een aantal redenen.

Ten eerste ligt het voorkómen van dakloosheid en/ of een zwervend bestaan van [naam 3] op de weg van [naam 1] en de burgemeester. Weliswaar heeft de burgemeester daarbij ook rekening te houden met de belangen van derden, zoals de omwonenden, maar hij had – zo nodig uit eigen beweging – kunnen inventariseren wat het zoekgebied van [naam 1] voor vervangende woonruimte is en ambtshalve contact kunnen leggen met de beoogde woongemeente(n).

Ten tweede is van belang het vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van deze rechtbank, gedateerd 27 november 2025.[_a37661db-d736-4b7f-81a4-8e7077907fb7] De rechtbank heeft [naam 3] veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van drie maanden, waarbij is bepaald dat die jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat [naam 3] voor het einde van of gedurende de proeftijd die is vastgesteld op twee jaren, de daaraan verbonden voorwaarden niet heeft nageleefd. Eén van die voorwaarden is dat [naam 3] medewerking moet verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht, daaronder begrepen. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat dakloosheid en/ of een zwervend bestaan het jeugdreclasseringstoezicht aanzienlijk bemoeilijkt. Daardoor zou het voor [naam 3] (nagenoeg) onmogelijk worden om contact te houden en afspraken na te komen. Ook het ontbreken van een postadres draagt niet bij aan het welslagen van dat toezicht. Uitvloeisel daarvan kan zijn dat de jeugddetentie alsnog ten uitvoer zal worden gelegd als de strafrechter daartoe aanleiding ziet. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat [naam 3] behoort tot de doelgroep van het speciaal onderwijs. Ter zitting is daarover verklaard dat het de bedoeling is dat hij in Hoogeveen per 1 september 2026 weer naar school zal gaan. Aannemelijk is dat het ten uitvoer leggen van de jeugddetentie en/ of het sluiten van de woning hervatting van de schoolgang zal kunnen doorkruisen.

Ten derde is van belang dat uit de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank, die is gedateerd 16 april 2026 volgt dat:[_e363a362-09c9-4f08-9c4f-b949ada877d5]

  • de Raad voor de Kinderbescherming heeft geconcludeerd dat [naam 3] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd;
  • de hulpverlening aan [naam 3] ten tijde van het nemen van het besluit van 19 juni 2026 net op gang was gekomen. [naam 3] had ten tijde van de beschikking van de kinderrechter een intake gehad bij de Forensische Jeugdpsychiatrie van Accare. Hij is door de kinderrechter onder toezicht gesteld van de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Groningen, met ingang van 16 april 2026 tot 16 april 2027.
10.5.3.

Gelet op het voorgaande weegt het belang van [naam 3] bij het behoud van de woning vooralsnog zwaarder dan het belang van de burgemeester bij sluiting van de woning. Noodzakelijk is dat wordt voorkomen dat [naam 3] per direct op straat komt te staan met alle mogelijke gevolgen van dien. Het bestreden besluit raakt immers aan het recht op huisvesting van [naam 3] .[_2020e40f-1905-43d0-8251-1349778caa69]

11. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar naar de huidige stand van zaken een redelijke kans van slagen. Er bestaat daarom aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de werking van het primaire besluit van 19 juni 2026 schorsen. Hij zal bepalen dat deze voorlopige voorziening hangende bezwaar vervalt na ommekomst van twee weken nadat het te nemen besluit op bezwaar is bekendgemaakt, tenzij binnen die twee weken is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep. In dat geval zal de voorziening die bij deze uitspraak is getroffen vervallen zodra de voorzieningenrechter uitspraak zal hebben gedaan op het verzoek hangende beroep.

12.1.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten.

12.2.

De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,–. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,–.

12.3.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe;
  • schorst de werking van het primaire besluit van 19 juni 2026;
  • bepaalt dat deze voorlopige voorziening hangende bezwaar vervalt na ommekomst van twee weken nadat het te nemen besluit op bezwaar is bekendgemaakt, tenzij binnen die twee weken is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep. In dat geval zal de voorziening die bij deze uitspraak is getroffen vervallen zodra de voorzieningenrechter uitspraak zal hebben gedaan op het verzoek hangende beroep;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,– aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,– aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke verdrags- en wetsbepalingen

Convention on the Rights of the Child

Article 3

1. In all actions concerning children, whether undertaken by public or private social welfare institutions, courts of law, administrative authorities or legislative bodies, the best interests of the child shall be a primary consideration.

2. States Parties undertake to ensure the child such protection and care as is necessary for his or her well-being, taking into account the rights and duties of his or her parents, legal guardians, or other individuals legally responsible for him or her, and to this end, shall take all appropriate legislative and administrative measures.

3. States Parties shall ensure that the institutions, services and facilities responsible for the care or protection of children shall conform with the standards established by competent authorities, particularly in the areas of safety, health, in the number and suitability of their staff, as well as competent supervision.

Article 27

1. States Parties recognize the right of every child to a standard of living adequate for the child's physical, mental, spiritual, moral and social development.

2. The parent(s) or others responsible for the child have the primary responsibility to secure, within their abilities and financial capacities, the conditions of living necessary for the child's development.

3. States Parties, in accordance with national conditions and within their means, shall take appropriate measures to assist parents and others responsible for the child to implement this right and shall in case of need provide material assistance and support programmes, particularly with regard to nutrition, clothing and housing.

4. […]

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:4

1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Opiumwet

Artikel 13b

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

2. […]

Lijst I

International Non-proprietary Name (INN)andere benamingennadere omschrijving
amfetamine-
[…][…][…]
–cocaïne(-)-3-beta-benzoyloxytropaan-2-beta-carbonzure methylester
[…][…][…]
metamfetamine-
-3,4-methyleendioxymethamfetamine, MDMA(±)-N,alfa-dimethyl-3,4-(methyleendioxy)-fenethylamine
[…][…][…]

Lijst IA

1. Stofgroep: Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine

Een substantie afgeleid van 2-fenethylamine is elke chemische substantie die afgeleid kan worden uit de basisstructuur van 2-fenylethaan-1-amine en die overeenkomt met de modulaire opbouw van structuurelement A en structuurelement B, zo als hieronder weergegeven, met uitzondering van 2-fenethylamine zelf en aspartaam en penconazool.

[…]

Lijst II

International Non-proprietary Name (INN)andere benamingennadere omschrijving
[…][…][…]
–hasjiesjeen gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten
-hennepelk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden
[…][…][…]

Wetboek van strafrecht

1. De rechter kan aan een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of, in bijzondere gevallen en na overleg met een dergelijke rechtspersoon, aan een particulier persoon, opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

2. De rechter kan, indien de veroordeelde ingevolge artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht is gesteld, aan een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet opdragen aan de veroordeelde ter zake van de naleving der bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.

3. Indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, kan de rechter een in artikel 14c, zesde lid, bedoelde reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

4. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van het toezicht en de begeleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.