Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 22 juli 2025

ECLI:NL:RBNNE:2025:2981Zaaknummer LEE 25/2498

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
LEE 25/2498
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Belanghebbende vraagt opschorting van openbaarmaking na Woo-verzoek. De voorzieningenrechter schort de openbaarmaking op omdat de heroverweging in bezwaar anders zinledig zou worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- bepaalt dat openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar beslist zal zijn;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2025.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/2498

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juli 2025 in de zaak tussen

[bedrijfsnaam], uit [plaats],

(gemachtigde: F.Th.M. Peters), verzoekster

en

de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen een besluit over openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

1.2.

Verweerder heeft met een besluit van 30 juni 2025 beslist over openbaarmaking. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij verweerder is een verzoek op grond van de Woo ingediend. In dit verzoek wordt gevraagd om openbaarmaking van informatie over toezicht op verzamelplaatsen door de NVWA over de periode van 1 januari 2024 tot en met 14 februari 2025.

2.1.

In het bestreden besluit heeft verweerder besloten een deel van de gevraagde informatie openbaar te maken.

2.2.

Bij brief van 30 juni 2025 heeft verweerder verzoekster meegedeeld dat zij twee weken de tijd krijgt om de openbaarmaking tegen te houden door bezwaar te maken en door een voorlopige voorziening te vragen. Verzoekster is hiertoe overgegaan.

2.3.

Verweerder heeft de rechtbank desgevraagd meegedeeld de openbaarmaking op te schorten totdat de voorzieningenrechter op het verzoek heeft beslist.

3. De rechtbank overweegt dat afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zou betekenen dat de openbaarmaking reeds zal plaatsvinden voordat verweerder op grondslag van het bezwaar het bestreden besluit volledig heroverweegt. De bezwaarprocedure zou daarmee zinledig worden.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter treft de voorziening dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar. Hij gaat ervan uit dat verweerder binnen de wettelijke termijn op het bezwaar zal beslissen.

5. Gezien de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 907,-, bedraagt de vergoeding in totaal € 907,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- bepaalt dat openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar beslist zal zijn;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2025.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.