Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Holland, 15 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:7701Zaaknummer HAA 26/2899
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 15 juni 2026
- Publicatiedatum
- 30 juni 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/2899
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening omdat van een spoedeisend belang niet is gebleken en de verblijfsontzegging naar alle waarschijnlijkheid in bezwaar in stand zal kunnen blijven.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2899
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Haarlem, verzoeker
(gemachtigde: mr. L. Ibisevic),
en
de burgemeester van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: B. Hoos).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in verband met een opgelegde verblijfsontzegging. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Naar aanleiding van een door verzoeker op [datum], omstreeks 23.50 uur, gepleegde overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, te weten openlijke geweldpleging, heeft verweerder met het besluit van 3 mei 2026 verzoeker een verblijfsontzegging opgelegd voor het centrum van Haarlem voor de duur van 12 weken. De verblijfsontzegging is ingegaan op 3 mei 2026 en eindigt op 26 juli 2026. Dat betekent dat het voor verzoeker verboden is om zich in deze periode in het centrum van Haarlem te bevinden, met uitzondering van het openbaar vervoer, voor zover verzoeker in het bezit is van een geldig vervoersbewijs.
Op 29 mei 2026, aangevuld op 5 juni 2028, heeft verzoeker tegen het besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de werking van het besluit wordt geschorst.
Verweerder heeft op 4 en 8 juni 2026 schriftelijk op het verzoek gereageerd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening omdat van een spoedeisend belang niet is gebleken en de verblijfsontzegging naar alle waarschijnlijkheid in bezwaar in stand zal kunnen blijven. Daartoe overweegt hij als volgt.
Op grond van artikel 2:75a, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Haarlem (hierna: de APV) kan de burgemeester in het belang van de openbare orde aan degene die de openbare orde verstoort door een of meer, door de burgemeester nader te bepalen, wettelijke bepalingen te overtreden een verbod opleggen zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste 12 weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.
Op grond van artikel 2:75a, derde lid, van de APV, kan de burgemeester het verbod als bedoeld in het eerste lid beperken, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Van deze beperking dient in uitzonderingsgevallen gebruik te worden gemaakt. Bijvoorbeeld in het geval de betrokkene in het gebied waarin de ontzegging van kracht is, werkt, woont of zijn postadres heeft, noodzakelijk een bezoek moet brengen aan een hulpverleningsinstantie, huisarts e.d. Het is aan de betrokkene de noodzaak hiertoe aan te tonen.[_b9368d48-ee88-42b2-9fee-9c86634c09b6]
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker heeft aangegeven dat hij stage loopt in Haarlem en dat zijn werkzaamheden hoofdzakelijk plaatsvinden in de omgeving van het centrum van Haarlem. Dit standpunt wordt door verzoeker onderbouwd met een stageovereenkomst en een brief van zijn stagebegeleider. Daaruit blijkt dat de huidige stage aangevangen is op 10 februari 2025 en loopt tot en met 2 juli 2026.
Standpunt van verweerder
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen noodzaak is voor verzoeker om in het centrum van Haarlem aanwezig te zijn voor zijn stage. Op de website van [bedrijf], waar verzoeker nu stage loopt, staan 8 verschillende werkgebieden aangegeven. Dit sloopbedrijf heeft onder andere locaties in Haarlem, Alkmaar, Amsterdam, Den Helder, Heemskerk, Purmerend en Schagen. Dit zijn de locaties in Noord- Holland. Bij de locatie Haarlem staat op de website aangegeven dat alle soorten sloopprojecten in Haarlem én omgeving plaatsvinden. In de huidige stageovereenkomst is niets afgesproken over de locatie(s) waar de stagewerkzaamheden uitgevoerd dienen te worden. De stage van verzoeker duurt al 16 maanden en is over 3 weken afgerond. Volgens verweerder moet verzoeker voor het restant van zijn stage in staat worden geacht zijn stagewerkzaamheden voort te zetten buiten het centrum van Haarlem. Verzoeker heeft weliswaar gesteld dat hij zijn stagewerkzaamheden hoofdzakelijk in het centrum van Haarlem verricht, maar verzoeker heeft volgens verweerder niet inzichtelijk gemaakt op welke locatie(s) hij werkzaam is. De noodzaak om zich de komende 3 weken in het centrum van Haarlem te begeven is dan ook niet aangetoond, aldus verweerder.
Oordeel voorzieningenrechter
Verweerder heeft afdoende gemotiveerd waarom verweerder verzoeker een verblijfsontzegging heeft opgelegd. Artikel 2:75a, eerste lid, van de APV biedt hiervoor de grondslag. Verweerder heeft naar voorlopig oordeel het belang van de verblijfsontzegging zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoeker om in het centrum van Haarlem te verblijven.
De verblijfsontzegging is opgelegd wegens een ernstige verstoring van de openbare orde in het centrum in Haarlem door verzoeker. Vooralsnog ziet de voorzieningenrechter in wat verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in zijn geval niet tot een verblijfsontzegging over had mogen gaan. Verder staat vast dat verzoeker niet woonachtig is in het centrum van Haarlem en dat de school van verzoeker is gevestigd in [plaats] De door verzoeker overgelegde informatie toont tenslotte onvoldoende de noodzaak voor verzoeker aan om zich voor 26 juli 2026 in het centrum van Haarlem te begeven. De verblijfsontzegging is op 3 mei 2026 aangevangen, terwijl het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan op 29 mei 2026. Eerst in een aanvullend schrijven van 5 juni 2026 heeft verzoeker desgevraagd kenbaar gemaakt dat hij stage loopt en dat hij in dat kader hoofdzakelijk werkzaamheden verricht in de omgeving van het centrum van Haarlem. Of dat ook zo is, is niet voldoende aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond. De voorzieningenrechter vermag dan ook niet in te zien dat er voor verzoeker voor het resterende deel van zijn stage in het geheel geen stage-activiteiten gevonden kunnen worden op locaties buiten het centrum van Haarlem. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het door verzoeker gestelde nadeel voor hem van de verblijfsontzegging een omstandigheid is die is verdisconteerd in aard en karakter van dit besluit en – behoudens uitzonderlijke omstandigheden welke niet zijn gebleken – voor zijn rekening en risico moeten worden gelaten.
Conclusie en gevolgen
6. De conclusie van de voorzieningenrechter is daarom dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening en dat de verblijfsontzegging in bezwaar naar alle waarschijnlijkheid in stand zal kunnen blijven. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.