Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Noord-Holland, 20 mei 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:7511Zaaknummer HAA 26/2294

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
HAA 26/2294
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo - beëindiging en intrekking bijstand. Geen spoedeisend belang.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit Hoorn, verzoeker
  2. Het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland, WerkSaam.
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/2294

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Hoorn, verzoeker

(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),

en

Het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland, WerkSaam.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Verzoeker ontving een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 16 april 2026 heeft WerkSaam de bijstandsuitkering beëindigd en ingetrokken vanaf 22 januari 2022. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd en voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Onverwijlde spoed wil zeggen dat er onomkeerbare gevolgen kunnen intreden waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

3. Verzoeker heeft aangevoerd dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat hij geen inkomsten heeft en daardoor niet in zijn levensonderhoud kan voorzien en zijn vaste lasten niet kan betalen.

4. Met een brief van 20 april 2026 heeft de griffier van de rechtbank verzoeker in de gelegenheid gesteld het spoedeisend belang nader te onderbouwen en bewijsstukken te overleggen waaruit de financiële situatie van verzoeker blijkt. Op deze brief heeft verzoeker niet gereageerd.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet (met bewijsstukken) heeft duidelijk gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat uit het dossier blijkt dat verzoeker, naast zijn bijstandsuitkering, inkomsten ontving uit onderhuur (€ 1.600,- huur per maand en een borgsom van € 1.200,-). Voorts heeft eiser tijdens een gesprek op 13 april 2026 aangegeven de huur van zijn woning inmiddels te hebben opgezegd en verklaard dat hij eind mei naar Bonaire zal vertrekken. Daar zal hij tijdelijk bij zijn ouders verblijven tot hij een perceel kan krijgen op Bonaire. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.

6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door WerkSaam ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken en ingenomen standpunten niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.