Uitspraak · Burgerlijk procesrecht

Rechtbank Noord-Holland, 8 mei 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:5979Zaaknummer C/15/377618 KG RK 26-356

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/15/377618 KG RK 26-356
Rechtsgebied
Civiel recht, Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wraking. . De door verzoeker geuite bezwaren zijn geen omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de rechter en kunnen alleen al om die reden niet tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter leiden.

De rechtbank

5.1

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

5.2

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen,

5.3

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de Raad voor de Kinderbescherming een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

5.4

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.C.J. Lommen, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. H. de Jong, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Procesverloop
  2. 2 De uitgangspunten
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 Beslissing

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/377618 KG RK 26-356

Beslissing van 8 mei 2026

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker.

Het verzoek is gericht tegen:

Mr. N. Cuvelier,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1

Verzoeker heeft op 6 mei 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team F&J Alkmaar, aanhangige zaak met zaaknummer C/15/376877 / JU RK 26/587, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag een beslissing zal worden gegeven.

2 De uitgangspunten

2.1.

Verzoeker is de vader van de minderjarige [naam] (hierna: [naam] ).

2.2.

Bij beschikking van een andere kinderrechter in de rechtbank van 30 maart 2026 is [naam] onder toezicht gesteld vanaf 30 maart 2026 tot 30 maart 2027 en is de eerder, bij beschikkingen van 16 februari en 23 februari 2026, afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing van [naam] verlengd met ingang van 30 maart 2026 tot 16 mei 2026.

2.3.

De hoofdzaak betreft een verzoekschriftprocedure waarbij de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI, gevestigd te Alkmaar, de kinderrechter in de rechtbank heeft verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.3.

De mondelinge behandeling van het verzoek van de GI is bepaald op 11 mei 2026.

3. Het standpunt van verzoeker

3.1

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.

De onderhavige procedure betreft feitelijk een geschil tussen verzoeker en de overheid, waarbij de GI optreedt als uitvoerende instantie van een overheidsmaatregel met ingrijpende gevolgen voor het gezinsleven van verzoeker.

Verzoeker verleent geen medewerking aan door de GI verlangde handelingen, omdat de GI geen inzicht heeft gegeven in de rechtmatigheid en proportionaliteit van de daaraan ten grondslag liggende gegevensverwerking.

Gelet op het dossier en de wijze waarop dergelijke verzoeken plegen te worden beoordeeld, bestaat bij verzoeker de concrete vrees dat:

(i) het uitblijven van zijn medewerking direct als risicofactor zal worden aangemerkt;

(ii) de aannames van de GI als uitgangspunt zullen worden genomen; en

(iii) de onderliggende vragen van rechtmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit niet zelfstandig en kenbaar zullen worden getoetst.

In een procedure waarin de overheid optreedt en fundamentele rechten in het geding zijn, leidt het vooruitzicht dat de hiervoor onder (iii) omschreven toetsing achterwege blijft tot een objectief gerechtvaardigde vrees dat de rechter de zaak niet onbevangen zal behandelen.

Dit geldt te meer nu een essentieel juridisch verweer — dat raakt aan de legitimiteit van het gehele verzoek — naar verwachting niet inhoudelijk zal worden beoordeeld.

4 De beoordeling

4.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kunnen er omstandigheden zijn waardoor een partij de indruk kan krijgen dat de rechter partijdig is. Dergelijke omstandigheden leiden alleen tot wraking als de vrees voor partijdigheid op grond van die omstandigheden objectief gerechtvaardigd is.

4.2

De wrakingskamer zal het verzoek afwijzen. De wrakingskamer legt hierna uit waarom.

4.3

De bezwaren die verzoeker in zijn verzoekschrift heeft geformuleerd, hebben betrekking op de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de GI, de organisatie die is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam]. De door verzoeker geuite bezwaren zijn dus geen omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de rechter en kunnen alleen al om die reden niet tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter leiden.

4.4

De wrakingskamer leidt uit het betoog van verzoeker voorts af dat hij verwacht dat de rechter bij de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging voor de uithuisplaatsing de rechtmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit van deze maatregel niet zelfstandig en kenbaar zal toetsen. Deze enkele verwachting vormt evenmin een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid of partijdigheid van de rechter. De loutere verwachting of angst dat een rechter de hoofdzaak op een bepaalde manier zal behandelen of beoordelen, zonder dat daar een concrete onderbouwing voor wordt gegeven, die ziet op het optreden van de rechter, is geen geldige grond voor wraking.

4.5

De conclusie moet zijn dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet tot wraking kunnen leiden.

4.6

Gelet op deze overwegingen is het verzoek kennelijk ongegrond. Daarom beslist de wrakingskamer op grond van artikel 39, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting.

4.5.

De wrakingskamer ziet voorts aanleiding om een wrakingsverbod op te leggen als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verzoeker maakt immers misbruik van het rechtsmiddel wraking door zijn verzoek lichtvaardig in te dienen. Daarbij overweegt de wrakingskamer dat zij er ambtshalve mee bekend is dat verzoeker in eerdere jeugd- en/of familiezaken wrakingsverzoeken met vergelijkbare argumenten heeft ingediend, die niet zien op omstandigheden die grond voor wraking kunnen vormen. Een recent voorbeeld is de beslissing van 18 maart 2026 (C/15/375775 / KG RK 26/214) hangende de procedure die heeft geleid tot de beschikking van de andere kinderrechter van 30 maart 2026.

5 Beslissing

De rechtbank

5.1

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

5.2

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen,

5.3

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de Raad voor de Kinderbescherming een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

5.4

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.C.J. Lommen, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. H. de Jong, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.