Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Holland, 10 april 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:4226Zaaknummer HAA 26/1810

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
HAA 26/1810
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet ontvankelijk wegens ontbreken van connexiteit.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
  2. Inleiding
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/1810

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college.

Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het college om haar over te plaatsen naar een andere opvanglocatie.

1.2.

Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Daarom doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

1.3.

Met het besluit van 3 maart 2026 heeft het college verzoekster per 24 maart 2026 overgeplaatst van de gespecialiseerde opvang in het Joops Hotel naar een reguliere opvangvoorziening op het riviercruiseschip MS Carissima. Het college heeft nadien ingestemd met het verzoek van verzoekster om uitstel tot 1 april 2026.

1.4.

Op 17 maart 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de overplaatsing wordt verboden en te gelasten dat een medische veilige opvangsituatie wordt gewaarborgd.

1.5.

Het college heeft op 25 maart 2026 op het verzoek gereageerd. Samengevat stelt het college dat er geen bezwaar van verzoekster bij het college bekend is en daarmee sprake is van een niet-ontvankelijk verzoek om voorlopige voorziening. Subsidiair stelt het college dat het verzoek om voorlopige voorziening dient te worden afgewezen omdat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en niet kennelijk onrechtmatig is. Daarbij vermeldt het college dat verzoekster blijkens door haar overgelegde informatie per 1 april 2026 voor 12 maanden de beschikking zou krijgen over zelfstandige woonruimte.

1.6.

De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 30 maart 2026 meegedeeld dat zij niet beschikt over een bezwaarschrift en dat de rechtbank zonder bezwaarschrift het verzoek om voorlopige voorziening niet kan behandelen. Verzoekster heeft tot uiterlijk 7 april 2026 de tijd gekregen om een tegen het besluit van 3 maart 2026 ingediend bezwaarschrift te overleggen.

1.7.

De rechtbank heeft nadien niets meer van verzoekster vernomen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend tegen het besluit van 3 maart 2026. Bij het college is geen bezwaarschrift tegen dit besluit bekend. Ondanks daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld heeft verzoekster binnen de gegeven termijn geen bezwaarschrift overgelegd. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat tegen het besluit van 3 maart 2026 geen bezwaarprocedure loopt. Alleen als dit wel het geval is, kan een belanghebbende een verzoek om voorlopige voorziening doen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.