Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Holland, 11 maart 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:4203Zaaknummer HAA 26/807
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 11 maart 2026
- Publicatiedatum
- 20 april 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/807
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/807
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 in de zaak tussen
[vereniging], uit [plaats 1], verzoekster
(gemachtigde: A.J.W.M. Rijpert),
en
De burgemeester van de gemeente Den Helder, de burgemeester
(gemachtigde: mr. D.A.E. van der Gragt).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [B.V.] uit [plaats 2] (vergunninghouder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de verlening van een exploitatievergunning aan vergunninghouder voor het perceel aan [adres] in [plaats 1] (hierna: het perceel). De burgemeester heeft deze exploitatievergunning met het besluit van 13 januari 2026 verleend. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wordt primair verzocht om de nietigverklaring van de exploitatievergunning uit te spreken en wordt subsidiair verzocht om te bepalen dat voor het nieuwe gebruik van de panden op het perceel een omgevingsvergunning vereist is.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster tot op heden geen afschrift van de statuten heeft overgelegd, terwijl dat vereist is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid. Omwille van praktische redenen zal de voorzieningenrechter hieraan in dit geval voorbij gaan. Ten aanzien van het (inhoudelijke) verzoek om voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter verder als volgt.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Is geen sprake van een spoedeisend belang, dan kan aanleiding bestaan voor het treffen van een voorlopige voorziening als blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Evident onrechtmatig houdt in dat ook zonder diepgaand onderzoek naar de feiten of het recht, ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit.
5. Verzoekster heeft aangegeven dat de uitkomst van het bezwaar tegen de verleende exploitatievergunning niet kan worden afgewacht, omdat zij vreest dat vergunninghouder al tijdens de bezwaarprocedure zal beginnen met verbouwen van het hotel op het perceel, nu de exploitatievergunning na 24 februari 2026 van kracht zal worden. Met een verbouwing wordt het gewijzigde gebruik van het hotel een feit, zonder een daartoe benodigde omgevingsvergunning. Als de verbouwing begint heeft een nietigverklaring van de exploitatievergunning volgens verzoekster geen zin meer. Het kwaad is dan al geschied en er zal dan sprake zijn van een onomkeerbare situatie. De parkeerdruk zal door de wijziging toenemen, tot nadeel van de buurt.
6. De burgemeester heeft in reactie hierop aangegeven dat na 24 februari 2026 de bezwaartermijn weliswaar afloopt, maar dat dit niet betekent dat de exploitatievergunning na die datum onherroepelijk is. Dit zou alleen zo zijn als er geen bezwaar is ingediend. Het verstrijken van de bezwaartermijn maakt dus niet dat sprake is van onverwijlde spoed. Daarbij komt dat vergunninghouder in een gezamenlijk gesprek tussen partijen op 16 februari 2026 kenbaar heeft gemaakt dat er voorlopig geen verbouwing zal plaatsvinden. Ook dit maakt dat geen sprake is van onverwijlde spoed. Bovendien zou een eventuele start van een verbouwing niet maken dat de exploitatievergunning daarna niet meer kan worden herroepen.
7. De voorzieningenrechter sluit zich aan bij de argumentatie van de burgemeester dat geen sprake is van onverwijlde spoed. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ook niet dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit. De gronden van verzoekster hebben namelijk geen betrekking op de vraag of de exploitatievergunning mocht worden verleend, maar hebben betrekking op de vraag of voor een eventuele verbouwing een omgevingsvergunning is vereist. Dit gaat de reikwijdte van deze procedure evenwel te buiten.
8. Reeds hierom is geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter verder dat de gevraagde voorlopige voorziening, voor zover daarbij wordt verzocht om nietigverklaring van de exploitatievergunning, te verstrekkend is en geen voorlopig karakter heeft, zodat ook gelet hierop het verzoek wordt afgewezen.
Conclusie en gevolgen
9. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.