Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Holland, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:14192Zaaknummer HAA 26/1473
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/1473
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over het in bezwaar gehandhaafde verkeersbesluit van het college van 29 april 2025, waarbij twee parkeerplaatsen aan de Maria Tesselschadelaan ter hoogte van nummer 45 in Hoofddorp alleen zijn aangewezen voor het opladen van elektrische auto’s. Eisers zijn het niet eens met dit besluit, omdat zij niet willen dat gewone parkeerplaatsen verloren gaan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verkeersbesluit niet in strijd is met het recht, zodat er geen grond is het besluit te vernietigen. Niet valt in te zien dat het college een van de door eisers aangedragen alternatieven had moeten aanwijzen als laadplaats voor elektrische auto’s. Het college heeft in redelijkheid tot het besluit kunnen komen en het besluit van een toereikende onderbouwing voorzien. De belangen van eisers nopen niet tot een andere beslissing. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1473
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3], uit Hoofddorp, eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
gemachtigde: S. Yucel, ambtenaar in dienst van de gemeente Haarlemmermeer.
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het in bezwaar gehandhaafde verkeersbesluit van het college van 29 april 2025, waarbij door het plaatsen van verkeersbord model E8c met onderbord OB504[_97d967ae-23aa-4d79-b535-57f298477e7e] twee parkeerplaatsen aan de Maria Tesselschadelaan ter hoogte van nummer 45 in Hoofddorp alleen zijn aangewezen voor het opladen van elektrische auto’s. Eisers zijn het niet eens met dit besluit, omdat zij niet willen dat gewone parkeerplaatsen verloren gaan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verkeersbesluit niet in strijd is met het recht, zodat er geen grond is het besluit te vernietigen. Niet valt in te zien dat het college een van de door eisers aangedragen alternatieven had moeten aanwijzen als laadplaats voor elektrische auto’s. Het college heeft in redelijkheid tot het besluit kunnen komen en het besluit van een toereikende onderbouwing voorzien. De belangen van eisers nopen niet tot een andere beslissing. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Met het verkeersbesluit van 29 april 2025 heeft het college twee parkeerplaatsen ter hoogte van Maria Tesselschadelaan 45 in Hoofddorp aangewezen alleen voor het opladen van elektrische voertuigen en besloten dat besluit kenbaar te maken door het plaatsen van de daarvoor bestemde verkeersborden. Met het bestreden besluit van 23 januari 2026 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben aanvullende stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser 1], tevens optredende als gemachtigde van de andere eisers, en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam], verkeerskundige, eveneens gemeenteambtenaar.
Motivering van het besluit
3. Het college heeft – samengevat - als motivering het volgende aan het besluit ten grondslag gelegd. Het college wil de infrastructuur voor het laden van elektrische auto’s uitbreiden als daar in de betreffende wijk behoefte aan bestaat. Op basis van een aantal criteria zoekt het college naar geschikte parkeerplaatsen. Het college heeft toegelicht dat de aangewezen plek aan de Maria Tesselschadelaan 45 geschikt is en past in de door het college voor de keuze van aan te wijzen parkeerplaatsen gehanteerde criteria. Deze plek aan de Maria Tesselschadelaan ligt aan de toegangsweg van de wijk. Er hoeft geen groen te worden verwijderd. De laadpaal komt bovendien niet direct in het (uit)zicht van een woning te staan en er is geen direct zicht vanaf de laadpaal in een woning. Tussen de gekozen locatie en de dichtstbijzijnde woning bevinden zich, aldus het college, immers een trottoir, een fietspad en een groenstrook. Daarnaast heeft de dichtstbijzijnde woning een haag in de voortuin, wat het zicht belemmerd. Het college heeft voorts aangegeven waarom het door eisers aangedragen alternatieve locaties niet/minder geschikt acht.
Feiten
4. Eisers wonen in een huizenblok aan de [straat] op de nummers [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3]. Het huizenblok strekt zich uit van nummer 31 tot en met 45 en omvat 8 huizen. Direct voor het blok zijn 6 parkeerplaatsen. Verderop, voor nummer 47 en volgende, zijn meer parkeerplaatsen. Aan de overzijde van de laan is water. Aan die zijde zijn ook parkeerplaatsen. Het huizenblok wordt voorts omsloten door enerzijds de Annie Romeinstraat en anderzijds de Nienke van Hichtumstraat die ter hoogte van de Maria Tesselschadelaan uitmondt in een fietspad. In die beide straten zijn ook parkeerplaatsen. De twee aangewezen parkeerplaatsen bevinden zich voor huisnummer 45, nabij het fietspad vanuit de Maria Tesselschadelaan.
Standpunt eisers
5. Eisers verzetten zich tegen het aanwijzen van twee van de zes parkeerplaatsen direct voor hun huizenblok als laadplaatsen voor elektrische auto’s. Volgens eisers is de aanwijzing in strijd met de criteria - volgens hen zijn dat beleidsregels - die het college voor aanwijzing van laatplaatsen hanteert, omdat de laadpalen in het directe zicht van huisnummer 45 zullen worden geplaatst en bij het kiezen van de parkeerplaatsen in strijd met de voorkeur niet voor gestoken maar langsparkeerplaatsen is gekozen. Volgens eisers is er een viertal betere alternatieven. Zij achten de aanwijzing van twee van de zes parkeerplaatsen voor hun huizenblok een ingrijpende verslechtering van de leefbaarheid in de buurt en de bereikbaarheid van hun woningen, hetgeen de belangenafweging volgens eisers onevenredig maakt. Zij betwisten dat er een concrete, actuele laadbehoefte is in deze omgeving. Zelf hebben zijn helemaal geen behoefte aan een laadpunt.[_29414dbc-0b97-474e-9793-7237d9eeb6a3]
Beoordeling door de rechtbank
6. Het bestreden besluit is een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw). De bevoegdheid tot het nemen van verkeersbesluiten op wegen als de onderhavig berust op grond van artikel 18 Wvw bij het college. Uit de wettelijke systematiek volgt dat het college beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de (verkeers)belangen genoemd in artikel 2 Wvw[_9fe91d65-3b55-4882-ba7a-20d7b7297aa1] en dus welke verkeersbesluiten het college noodzakelijk acht. Het college moet verkeersbesluiten wel naar behoren motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beleids- en beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij gaat de bestuursrechter na of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op de manier heeft kunnen invullen als het in het concrete geval heeft gedaan. Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, weegt het die belangen tegen elkaar af. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan, zoals gezegd, beleids- en beoordelingsruimte. De rol van de bestuursrechter bij de toetsing is niet of hij – persoonlijk - in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. In zoverre moet de bestuursrechter ruimte laten aan het college voor een eigen afweging. De bestuursrechter kan aan de hand van de beroepsgronden wel beoordelen of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit – in redelijkheid - niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Oftewel of het college zijn beoordelings- en beleidsruimte heeft overschreden.[_8c5ffa97-c95f-41d2-a0bc-978c51d0c94b] Voor zover concrete feiten of omstandigheden in de beoordeling een rol spelen, kan de bestuursrechter de juistheid van de vaststelling daarvan wel integraal toetsen.
7. De rechtbank zal hierna de tegen het besluit aangevoerde beroepsgronden (mede) in licht van deze maatstaf en uiteraard overige toepasselijke rechtsregels beoordelen.
Strijd met beleidsregels?
8. Eisers stellen zich op het standpunt dat het besluit in strijd is met een beleidsregel, omdat niet aan criteria in een beleidsregel zou zijn voldaan.
9. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat het college geen beleidsregels in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vastgesteld waarmee het college zijn beoordelingsruimte voor het aanwijzen van parkeerplaatsen als laadplaatsen voor elektrische auto’s heeft ingevuld. Van handelen in strijd met artikel 4:84 Awb, dat voorschrijft dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig beleidsregels, kan dus geen sprake zijn. De rechtbank kan daarom eisers niet volgen in hun standpunt dat het besluit in strijd zou zijn met een beleidsregel, omdat er geen beleidsregels zijn vastgesteld voor de onderhavige beoordeling.
Motiveringsgebrek in het licht van gehanteerde criteria voor de bepaling van geschikte laadplaatsen?
10. Het college heeft het besluit gemotiveerd door te verwijzen naar een aantal criteria die hij bij de keuze van laadplaatsen van belang vindt.
11. Eisers voeren aan dat die criteria niet juist zijn toegepast en de motivering daarom niet overtuigt. Ten eerste betreft de gekozen locatie een situatie van langsparkeren terwijl de criteria uitgaan van gestoken – dwars – parkeren. Ten tweede is de plek, aldus eisers, in strijd met het criterium dat er geen directe zicht mag zijn vanuit een woning op de laadplaatsen, terwijl dat in dit geval wel aan de orde is: vanuit nummer [nummer 3], de woning van eiser [eiser 1], zal er direct zicht zijn op de laadpaal. De aanwezige haag (circa 1,20 hoog) vormt volgens eisers geen substantiële visuele afscherming. Eisers onderbouwen deze grond met foto’s (foto 1 en 2). Afwijking van de criteria is volgens eisers onvoldoende gemotiveerd.
12. Het college stelt zich op het standpunt dat bij de locatiekeuze zoveel mogelijk rekening is gehouden met de richtlijnen. Die criteria hebben het karakter van richtlijnen en niet van bindende voorwaarden. Er is geen sprake van het niet voldoen aan de vereiste criteria, maar van een beperkte afwijking van de voorkeurscriteria. Het enkele feit dat niet volledig aan alle voorkeuren wordt voldaan, betekent volgens het college niet dat het de keuze voor deze parkeerplaatsen niet kon maken.
13. De rechtbank ziet, anders dan eisers, geen grond voor het oordeel dat de criteria strikt moeten worden gehanteerd. Gelet op de door eisers overgelegde foto’s heeft verweerder bovendien in redelijkheid kunnen oordelen dat geen sprake is van direct zicht vanaf de laadpaal in woningen in de nabijheid, zodat het college heeft kunnen oordelen dat aan dat criterium is voldaan. Het college heeft daarbij kunnen betrekken dat de laadpaal niet direct naast enig raam of deur van een woning komt te staan, maar daar minstens een trottoir, een fietspad en een strook groen is gelegen tussen de geplande plaats voor de laadpaal en (ramen in) de dichtstbijgelegen woning(en), zodat van onnodige privacyinbreuk geen sprake is. Het college heeft daarnaast voldoende overtuigend gemotiveerd dat gestoken – dwarse – parkeerplaatsen wel de voorkeur verdienen, maar ook voldoende overtuigend toegelicht dat het feit dat ter plaatse sprake is van langsparkeren, niet meebrengt dat van de keuze voor deze plaats moet worden afgezien.
Alternatieven?
14. Eisers hebben erop gewezen dat er in de wijk meerdere alternatieve locaties zijn die volgens hen wel aan de criteria voldoen en geschikter zijn om een laadpaal te plaatsen. Eisers hebben gewezen op vier alternatieve locaties. Het college heeft volgens eisers de beoordeling van de alternatieve locaties niet concreet heeft onderbouwd met technische rapportages, netbeheerderstoetsen of objectieve gegevens.
15. Ten aanzien van de alternatieve locaties reageert het college als volgt. De Annie Romeinstraat aan de zijkant van Maria Tesselschadelaan 31 acht het college niet geschikt, omdat er te weinig ruimte – op gemeentegrond - is achter de parkeervakken om een laadpaal te plaatsen. Bovendien staat er veel groen dat verwijderd zou moeten worden om daar een laadpaal te plaatsen. Het college wil geen groen verwijderen om laadpalen te realiseren. Maar ook al zou het groen verwijderd kunnen worden, dan zal deze locatie niet optimaal benut kunnen worden, omdat de laadpaal naast het vak geplaatst zal moeten worden en daarmee maar één vak, dus één voertuig kan voorzien van stroom.
De Annie Romeinstraat nabij de afvalcontainers acht het college ongeschikt, omdat er te weinig ruimte – op gemeentegrond - is voor het plaatsen van een laadpaal. Ook bij deze locatie zou groen verwijderd moeten worden.
De locatie aan de zijkant van Maria Tesselschade 45 acht het college ongeschikt, omdat er ook daar te weinig ruimte – op gemeentegrond - is achter de vakken om een laadpaal te plaatsen. Het is mogelijk om een laadpaal tussen de parkeervakken te plaatsen, maar de vakken zijn niet heel breed. Door het daar plaatsen van een laadpaal worden de vakken nog smaller waardoor de kans op foutparkeren toeneemt. Om fijn uit te kunnen rijden bij een parkeervak van 2,50 meter breed is een weg van ongeveer 6,00 meter nodig. Dit parkeervak is een stuk smaller en de weg is 3,50 meter breed. In combinatie met de inrichting van de straat op dat verdere weggedeelte als een soort fietspad/erf is het zeer onwenselijk om hier een laadpaal te plaatsen. Ook lijkt de straat op een soort fietspad/woonerf waardoor het voor gebruikers van elektrische voertuigen niet goed zichtbaar is dat zij hun voertuig daar kunnen laden. Het college wil zoekverkeer tegengaan. Een laadplek op deze locatie zal niet goed opvallen en gaat daarmee aan zijn doel voorbij.
De locatie aan de overkant van de Maria Tesselschadelaan ter hoogte van huisnummer [nummer 1] is niet geschikt, omdat de laadpaal zijn eigen aansluiting nodig heeft op het laagspanningsnet. De dichtstbijzijnde aansluitingsmogelijkheid ligt vlak voor de woningen van eisers. Dat betekent dat de kabel onder het fietspad, het groen en de rijbaan doorgetrokken moet worden. Het college wil geen asfalt openbreken voor een laadpaal en boringen voor het aanleggen van een aansluiting onder een weg door zijn alleen mogelijk tot zes meter. Dat is volgens het college in dat geval niet toereikend.
16. De rechtbank stelt voorop dat het college terecht in de beoordeling heeft betrokken of de door eisers aangedragen alternatieven tot het niet kiezen van onderhavige locatie nopen[_fc00d715-2ea4-41c2-b908-890e51e7df5e]. Het college heeft de door eisers aangedragen alternatieve locaties onderzocht en ongeschikt bevonden. Ter zitting heeft de rechtbank onderzocht of de feiten, die het college aan dat standpunt ten grondslag legt, juist zijn. De rechtbank heeft daarbij – gelet op de niet weersproken toelichting van het college - geconstateerd dat de ruimte tussen de parkeerplaatsen en de erfgrens bij drie van de vier alternatieven te klein is, waardoor er onvoldoende ruimte is om daar een laadpaal te plaatsen. Er lijkt wel meer ruimte, maar begrijpelijk is dat het college alleen uit kan gaan van eigen (gemeente)grond en daar niet grond van burgers bij wil betrekken, omdat daarvoor wellicht tot onteigening zou moeten worden overgegaan. Drie alternatieven acht het college voorts niet geschikt, omdat er dan (veel) groen verwijderd moet worden. De rechtbank acht dat geen onredelijk criterium. Voor wat betreft het alternatief aan de overzijde van de Maria Tesselschadelaan hebben eisers niet kunnen weerleggen dat voor de aansluiting van de laadpaal het nodig is asfalt open te breken. Het college heeft gelet op deze feiten met zijn (overige) toelichting – waarvan ook niet is gebleken dat die op onjuiste feiten is gebaseerd -, voldoende overtuigend gemotiveerd waarom de aangedragen alternatieve locaties onvoldoende aanleiding vormen om de laadplaatsen niet nabij Maria Tesselschadelaan 45 te realiseren. De op alternatieven gebaseerde beroepsgrond van eisers slaagt dus niet.
Belangenafweging
17. Eisers voeren tot slot aan dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Door het vervallen van twee parkeerplaatsen vermindert de parkeercapaciteit van zes naar vier plaatsen voor hun drie van acht woningen. Er is volgens hen al een hoge parkeerdruk. Het realiseren van de laadplaatsen nabij Maria Tesselschadelaan 45 betekent volgens eisers een ingrijpende verslechtering van de leefbaarheid in Hoofddorp en bereikbaarheid van nu woningen voor eisers en andere bewoners. Voor de keuze van deze locatie bestaat geen concrete noodzaak omdat er volgens eisers alternatieven beschikbaar zijn. Volgens eisers is niet gebleken van een concrete, actuele laadbehoefte in de directe nabijheid van deze locatie. Hoewel eisers het algemeen belang van de energietransitie onderkennen, rechtvaardigt dat gegeven volgens hen zonder nadere motivering niet dat de lasten van een laadplaats in onevenredige mate bij eisers als een beperkte groep bewoners worden geconcentreerd, terwijl minder belastende alternatieven beschikbaar zijn. Daarom achten eisers de belangenafweging onevenredig.
18. Het college voert hier tegen aan dat uit de bij hem voorhanden data blijkt dat de bezettingsgraad bij de verschillende laadpalen gedurende de hele dag boven de 40% is waardoor er wel degelijk noodzaak bestaat om het aantal laadpalen in de buurt van de Maria Tesselschadelaan uit te breiden. Het college wijst er op dat de gekozen locatie daarvoor geschikt is. Feitelijk gaan er bovendien geen parkeerplekken verloren, omdat er op deze manier sprake is van het reguleren van parkeren. Op het moment van laden houdt het elektrische voertuig namelijk geen reguliere parkeerplek bezet. Na het laden maakt deze weer ruimte voor een ander elektrisch voertuig. He college acht de keuze voor deze locatie niet onevenredig voor eisers.
19. De rechtbank volgt het college in dat standpunt. Zoals eerder overwogen is niet gebleken van alternatieven, zodat het besluit door de verwijzing van eisers naar alternatieven niet onevenredig kan zijn. Er is geen grond voor het oordeel dat het college de belangen van eisers onvoldoende kenbaar en onredelijkheid heeft meegewogen. Niet valt in te zien dat (enige) nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor eisers onevenredig zijn in verhouding tot de met het verkeersbesluit te dienen doelen. Het college heeft toereikend gemotiveerd dat er een algemeen belang is om hier laadpalen bij te plaatsen. Dat sprake zou zijn van een onaanvaardbare verhoging van parkeerdruk in de Maria Tesselschadelaan en daarmee een onaanvaardbare verslechtering van de leefbaarheid in en om hun woningen en de omgeving door de twee parkeervakken aan te wijzen als laadplaats voor elektrische auto’s, hetgeen het college gemotiveerd ontkent, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt. Dat er door het verkeersbesluit voor de deur van eisers, althans enkele huizen verder, twee parkeerplaatsen minder beschikbaar zijn voor het parkeren van voertuigen, heeft het college niet zo nadelig hoeven vinden dat het onevenredig is in verhouding tot het doel van het verkeersbesluit de laadplaatsen daar te realiseren. De rechtbank merkt daar bij op dat, zoals onder 4 is overwogen, er in de directe omgeving van de woningen van eisers vele andere parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Kortom het college is niet buiten zijn beleids- en beoordelingsvrijheid getreden. De beroepsgrond, dat het besluit onevenredig zou zijn, slaagt dus ook niet.
Conclusie en gevolgen
20. Er is in dit dossier geen grond gebleken om het bestreden besluit tot aanwijzing van de parkeervakken voor het alleen opladen van elektrische voertuigen in strijd met het recht te achten. Het beroep is daarom ongegrond. Het verkeersbesluit mag dus worden uitgevoerd. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zoals vermeld in de Bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
- Eiser [eiser 3] had in bezwaar nog aangevoerd, dat hij beperkt mobiel is door beenletsel en daarom dichtbij huis wil parkeren, maar heeft dat standpunt – gelet op de overige omstandigheden terecht - in beroep niet meer aangevoerd.
- Zie artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:599 en van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2081.
- Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2022
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.