Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13686Zaaknummer C/15/378305
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/15/378305
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort geding
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding; betalingen tussen voormalig vrienden; onverschuldigde betaling/vernietigde schenkingen/bovenmatige giften? Artt. 1:88 en 1:89 BW. Vorderingen afgewezen.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van voldoening,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
1998
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/378305 / KG ZA 26-277
Vonnis in kort geding van 23 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] (Bondsrepubliek Duitsland),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. S. van der Eijk,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. drs. E. Horbeek.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 juni 2026 met 10 producties- de producties 11 tot en met 13 van [eiser]- de (schriftelijke) reactie van [gedaagde] met 13 producties- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser]- de pleitnota van [gedaagde].
2 De feiten
[eiser] en [gedaagde], ooit oud-collega’s, en hun wederzijdse echtgenotes waren lange tijd bevriend.
[gedaagde] heeft [eiser] bijgestaan in financiële zaken. Zo heeft hij belastingaangiften van [eiser] verzorgd en is hij betrokken geweest bij de aanvraag van een persoonsgebonden budget (PGB) voor de echtgenote van [eiser] en de financiële afwikkeling met Veiligdouchen.nl van door Veiligdouchen.nl in de woning van [eiser] geplaatste badkamer waarover [eiser] niet tevreden was.
De echtgenote van [eiser] (hierna: [betrokkene 1]) leed aan de ziekte van Huntington en werd de laatste jaren van haar leven thuis door [eiser] verzorgd. [betrokkene 1] is op 13 november 2024 overleden. Na haar overlijden is [eiser] van [plaats 2] naar zijn huidige woonplaats in Duitsland verhuisd.
[betrokkene 1] heeft op 30 maart 2022 bij notariële akte een zogeheten ‘levenstestament’ laten opstellen. Daarin heeft [betrokkene 1] naast [eiser] aan [gedaagde] en zijn echtgenote een algemene volmacht gegeven, die in de akte nader is omschreven.
Op 9 juni 2022 heeft [eiser] een testament opgemaakt. Daarin heeft hij een bedrag in contanten van 30% van de waarde van zijn gehele nalatenschap aan [gedaagde] gelegateerd, opeisbaar negen maanden na het overlijden van [betrokkene 1]. Verder heeft [eiser] daarin [gedaagde] tot (eerste) executeur over zijn nalatenschap benoemd en voor het geval [eiser] ná [betrokkene 1] zou komen te overlijden [gedaagde] voor 30% en zijn kinderen voor 70% (voor gelijke delen) tot enige erfgenamen benoemd.
[eiser] heeft tussen augustus 2019 en mei 2024 in 55 keer een bedrag van in totaal € 40.359,00 overgemaakt op bankrekeningen van [gedaagde] (47 keer), zijn echtgenote (één keer) en [betrokkene 2] en [betrokkene 3], familieleden van [gedaagde] (acht keer). Het laagste bedrag betreft € 20,00, het hoogste € 8.000,00. In twintig gevallen gaat het om bedragen van € 500,00 en meer.
Drie keer staat bij de omschrijving op de door [eiser] overgelegde bankafschriften ‘schenking’ vermeld. Het gaat om betalingen op 18 en 23 mei 2024 van € 8.000,00, € 500,00 en € 3.500,00 betaald aan [gedaagde]. Drie keer is de omschrijving ‘sparen’ gebruikt. Het gaat om betalingen aan [gedaagde]. 24 keer is géén omschrijving gebruikt. Ook dit betreffen betalingen aan [gedaagde]. Bij de overige 25 betalingen zijn andere omschrijvingen gebruikt, waaronder ‘schade’ en ‘auto schade’ (acht keer bij betalingen aan [gedaagde], een keer aan diens echtgenote en drie keer aan een familielid van [gedaagde] ).
In totaal heeft [eiser] in die periode een bedrag van € 35.934,00 naar bankrekeningen van [gedaagde] overgemaakt, € 2.500,00 naar de bankrekening van diens echtgenote en € 1.925,00 naar de bankrekeningen van zijn familieleden [betrokkene 2] en [betrokkene 3].
Bij aangetekende brief en e-mail van 12 juni 2024 heeft mr. Van der Eijk [gedaagde] aangeschreven en hem namens [gedaagde] gesommeerd binnen veertien dagen € 40.499,00 terug te betalen, voorts om alle stukken van [eiser] die zich bij [gedaagde] bevinden aan [eiser] terug te geven en ook de sleutels van het appartement van [eiser].
In de brief staat dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van zijn kennis van de financiële situatie van [eiser], het financiële advies dat hij [eiser] verstrekte en de broze positie waarin [eiser] zich bevond vanwege de ziekte van [betrokkene 1] en zijn zorg voor haar door [eiser] meerdere keren te vertellen zelf financieel krap te zitten en hem meermaals om geld te vragen. [eiser] ging vervolgens tot betaling over, maar wilde dat eigenlijk niet, aldus de brief. Ook staat in de brief dat [betrokkene 1] de giften op de voet van artikel 1:88 en 1:89 BW heeft vernietigd omdat zij niets van de giften wist en hiervoor geen toestemming heeft gegeven. Van der Eijk verwijst in dit verband naar een schriftelijke verklaring en een video-opname van [betrokkene 1].
Naar aanleiding van de brief heeft [gedaagde] mr. Van der Eijk gevraagd een overzicht en berekening te sturen van de opbouw van het gevorderde bedrag als ook de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] en de video-opname.
Mr. Van der Eijk heeft een financieel overzicht gestuurd, waarop [gedaagde] op 21 augustus 2024 heeft gereageerd dat dit overzicht voor hem niet leesbaar is.
Op 4 november 2024 heeft mr. Van der Eijk [gedaagde] geschreven dat [eiser] de gevraagde stukken en sleutels van zijn appartement nog steeds niet heeft ontvangen.
Op 10 november 2024 heeft [gedaagde] mr. Van der Eijk onder meer geschreven dat hij geen stukken van [eiser] onder zich heeft en dat [eiser] hem een sleutel van diens appartement heeft gegeven en deze kan terugkrijgen. [gedaagde] verzoekt voor dat geval hem een voldoende gefrankeerde retourenveloppe te sturen. Ook vraagt [gedaagde] om een ‘leesbare berekening’ van de vordering en de video-opname van [betrokkene 1].
Op 27 november 2024 heeft mr. Van der Eijk [gedaagde] onder meer geschreven:
Ik begrijp niet goed waarop uw eisen gebaseerd zijn [een ‘leesbare’ berekening en de video-opname van [betrokkene 1], vz]. Wellicht dat u zult stellen dat u zich naar behoren moet kunnen verweren, maar u beschikt over voldoende gegevens om een
adequate reactie te kunnen formuleren. Die reactie blijft tot op heden nog steeds uit. Bijgaand zend ik u een afschrift van de bewijsstukken waaruit blijkt dat cliënt aan u per
bank gedurende een fors aantal jaren daadwerkelijk enorm veel geldbedragen heeft uitbetaald. Los van deze girale betalingen zijn er ook veel contante betalingen verricht. Het zwaartepunt ligt thans bij de betalingen die via de bank zijn gegaan. De partner van cliënt is inmiddels komen te overlijden. Cliënt betwist met klem dat zij ooit met deze
ongebruikelijke uitgaven heeft ingestemd. Mevrouw [eiser] stond hier absoluut niet achter. Daarbij komt dat client op heel veel momenten niet het gevoel heeft gehad dat hij nee kon zeggen. Ik heb u eerder beschreven hoe het standpunt van cliënt in dezen luidt.
Zijn standpunt over deze betalingen is helder en namens cliënt worden zijn rechten en weren ook uitdrukkelijk voorbehouden. Dezerzijds bestaat niet de verwachting dat u nog inhoudelijk zult reageren, maar mocht u dat toch van plan zijn dan zie ik uw reactie uiteraard met belangstelling tegemoet.
Ook staat in deze e-mail dat [gedaagde] de sleutels per aangetekende post kan verzenden aan [eiser].
Bij e-mail van 10 december 2024 heeft [gedaagde] mr. Van der Eijk onder meer geschreven:
U stelt een vordering in van € 40.499,00, maar weigert een normaal leesbare berekening te verstrekken. U beroept zich op een video-opname als bewijsstuk die u
weigert met mij te delen. Onder deze omstandigheden is het voor mij niet mogelijk om inhoudelijk te reageren op uw stellingen.
Wel wijs ik u op de volgende vaststaande feiten:
De rechtsgeldigheid van de schenkingen staat onmiskenbaar vast op grond van artikel 7:175 BW. Er was sprake van een 40-jarige vriendschapsrelatie tussen uw cliënt
en mij, waarbinnen gedurende vele jaren vrijwillige schenkingen hebben plaatsgevonden met weldegelijk en uitdrukkelijke toestemming van [betrokkene 1] [ [betrokkene 1], vz]. Alle
transacties zijn transparant via de bank verlopen.
De schenkingen zijn reeds lang geleden besteed aan reguliere levensbehoeften. Deze schenkingen werden door uw cliënt gedaan zonder enig voorbehoud of voorwaarde tot terugbetaling.
Ik hoefde daarom geen rekening te houden met een eventuele terugvordering en hoefde daarvoor geen geldbedrag te reserveren. Ik heb daarvoor dan ook geen geldbedrag gereserveerd. Ik mocht interen op de schenkingen.
Voor wat betreft de sleutel van het appartement: zodra u mij een aangetekend verzendlabel verstrekt, zal ik deze zoals reeds eerder door mij aangegeven aangetekend
retourneren aan uw cliënt.
3 Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 25.000,00 en met een dwangsom versterkte afgifte aan [eiser] van alle roerende zaken, stukken, administratieve documenten en overige bescheiden van [eiser] die [gedaagde] nog onder zich heeft, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] legt – verkort weergegeven – aan de vordering het volgende ten grondslag.
[eiser] heeft de bedragen die hij tussen 2019 en 2024 aan [gedaagde] heeft overgemaakt onverschuldigd aan [gedaagde] voldaan. Bij [eiser] heeft nooit de wil bestaan om de bedragen aan [gedaagde] te doen toekomen. [gedaagde] moet zich daar gelet op de privéomstandigheden van [eiser] waaronder deze betalingen plaatsvonden, zijn verzoeken om financiële steun en hun langdurige vriendschap ook van bewust zijn geweest.
Voor het geval de betalingen moeten worden gezien als giften geldt dat sprake is geweest van ongebruikelijke en bovenmatige giften, waarvan [betrokkene 1] niet op de hoogte was en waarvoor zij geen toestemming heeft gegeven. Zij heeft deze giften daarom in 2024 buitengerechtelijk vernietigd. Ook op die grond is [gedaagde] gehouden tot terugbetaling.
[gedaagde] heeft de afgelopen jaren diverse, originele, administratieve bescheiden van [eiser] onder zich gekregen die zien op de financiële aangelegenheden van [eiser]. Het gaat daarbij onder meer om de online beleggingen van [eiser] die op zijn naam zijn gedaan en waarvan [eiser] niet duidelijk is wat daarvan de status is. Ook beschikt [gedaagde] nog over sleutels van het appartement van [eiser].
[eiser] is inmiddels 73 jaar en kampt met ernstige hartklachten. Ook gebruikt hij veel medicatie. Mocht [eiser] overlijden, dan zal hij de afgifte van de stukken die zich nog bij [gedaagde] vinden en die [eiser] nog niet heeft teruggekregen niet meer kunnen vorderen. Verder is alleszins invoelbaar dat [eiser] voorafgaand aan zijn overlijden tot een oplossing wil komen in de uiterst pijnlijke kwestie van de aan [gedaagde] betaalde giften. Er rust in dat opzicht ook een morele verplichting op de schouders van [eiser] in de richting van [betrokkene 1]. [eiser] wenst dat het handelen van [gedaagde] op een zo kort mogelijke termijn juridisch wordt getoetst.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in primair de daadwerkelijke door de voorzieningenrechter te begroten kosten van deze procedure en subsidiair conform het toepasselijke liquidatietarief.
[gedaagde] voert onder meer het volgende aan.
Het ontbreekt [eiser] aan spoedeisend belang. De eerste sommatie dateert al van 12 juni 2024. De medische situatie van [eiser] maakt niet geschikt voor behandeling in kort geding. Daarvoor is het geschil te complex. De geldvordering is onvoldoende aannemelijk om in kort geding te kunnen worden toegewezen. Er zullen meerdere vragen moeten worden beantwoord en daarvoor is nader feitenonderzoek nodig. Het staat niet vast dat [eiser] zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald. Dit zal per betaling moeten worden vastgesteld. [eiser] presenteert de betalingen ten onrechte als één homogene vordering. De berekening is niet eenduidig en de posten zijn ook niet zuiver gekwalificeerd.
De betalingen moeten worden gezien tegen de achtergrond van de jarenlange vriendschap tussen partijen. Binnen die relatie heeft [eiser] vrijwillig bedragen betaald of geschonken. Daarnaast hadden diverse betalingen een concrete andere achtergrond, zoals schade, voorgeschoten aankopen, betalingen aan derden of uitgaven ten behoeve van [eiser] of diens omgeving.
Voor zover wel sprake was van schenkingen, geldt dat niet voor iedere gift de toestemming van de echtgenoot is vereist. Beslissend is onder meer of de gift, gelet op de omstandigheden van het geval, ongebruikelijk of bovenmatig was. [eiser] werkt dit onvoldoende uit. Hij stelt in algemene bewoordingen dat sprake was van ongebruikelijke en bovenmatige giften, maar onderbouwt dat niet per betaling. [betrokkene 1] was ook op de hoogte van de betalingen en stemde daarmee in. [gedaagde] is voorts als algemeen gevolmachtigde in het levenstestament van [betrokkene 1] opgenomen, met onder meer een bevoegdheid tot toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW. Partijen hebben daar discussie over, maar dat vergt nader feitelijk en juridisch onderzoek.
Het is onjuist dat [gedaagde] bij het overlijden van [betrokkene 1] aanspraak had op 30% van haar nalatenschap en dat [eiser] in dat geval om die reden zijn woning had moeten verkopen. Deze stelling berust op een verkeerde lezing van de testamenten van [eiser] en [betrokkene 1].
[gedaagde] heeft geen administratie of documenten van [eiser] onder zich en kan die dus ook niet verstrekken. De sleutels van het appartement kunnen worden afgegeven, maar dit rechtvaardigt niet het opleggen van de gevorderde dwangsom.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De voorzieningenrechter zal beide vorderingen afwijzen en licht dat oordeel als volgt toe.
Juridisch kader toewijzing geldvordering in kort geding
In zijn algemeenheid geldt dat terughoudend op zijn plaats is bij het treffen van een voorziening in kort geding die bestaat uit een veroordeling tot betaling van een geldsom. De voorzieningenrechter zal niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar, in beginsel, ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Daarbij geldt dat als een geldvordering zeer ‘hard’ is – bijvoorbeeld omdat de gedaagde deze niet betwist of zelfs erkent – voldoende spoedeisend belang snel(ler) kan worden aangenomen. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Het is (nog) niet voldoende aannemelijk dat [eiser] een vordering van meer dan € 25.000,00 heeft op [gedaagde]
[eiser] vordert een voorschot van € 25.000,00 van [gedaagde]. Hij stelt een vordering op [gedaagde] te hebben van ruim € 40.000,00. [eiser] heeft zich er niet op beroepen dat zijn financiële situatie dusdanig is dat hij op korte termijn over dit voorschot dient te beschikken en daarom een kort geding aanhangig heeft gemaakt. Uit zijn stellingen volgt dat hij verwacht niet meer heel lang te leven, het geschil met [gedaagde] zeer op hem drukt en graag een rechterlijk oordeel ziet over de door hem gestelde handelwijze van [gedaagde].
In kort geding kan alleen een voorlopig oordeel worden gegeven en is voor nader feitenonderzoek geen plaats. Om een oordeel te krijgen over hoe een zaak feitelijk en juridisch precies in elkaar steekt is een bodemprocedure de aangewezen weg, zoals [gedaagde] terecht stelt. Hoewel de medische situatie van [eiser] door [gedaagde] niet ter discussie is gesteld, is deze niet zo prangend dat dit op zichzelf al toekenning van een voorschot kan dragen, maar wel om in dit geding nader te onderzoeken of de voor bevoorschotting vereiste aannemelijkheid van de achterliggende vordering sprake is. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
Overzicht en rubricering door [gedaagde]
Bij de weergave van de betalingen door [eiser] aan [gedaagde], diens echtgenote en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] onder de kop ‘feiten’ is uitgegaan van de producties 12a en b. Dit zijn door [gedaagde] opgestelde overzichten. [gedaagde] heeft alle betalingen aan de hand van de omschrijvingen in productie 12a gerubriceerd. Van de zijde van [eiser] is de juistheid van die overzichten niet weersproken. De overzichten zijn volgens [gedaagde] opgesteld aan de hand van de door [eiser] verstrekte bankafschriften. Ook dat is niet weersproken. Een betaling van € 450,00 met de omschrijving ‘voor [naam 1] ’ en betaling van € 100,00 met de omschrijving feest ‘ [naam 1] en [naam 2] ’ heeft [gedaagde] onder de categorie ‘Betaling aan een derde’ geschaard, maar omdat de bedragen zijn overgemaakt naar een bankrekening van [gedaagde] is die betaling in de feiten als betaling aan [gedaagde] opgenomen.
Onverschuldigde betaling onvoldoende aannemelijk
Dat [eiser] los van de gestelde vernietiging door [betrokkene 1] onverschuldigd, dus zonder enige rechtsgrond, aan [gedaagde] en diens familieleden heeft betaald heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het gaat namelijk steeds om betalingen per bank door [eiser] zelf die in een aanzienlijk aantal gevallen van een omschrijving zijn voorzien. Dit veronderstelt een wil tot betaling bij [eiser] en ook een grondslag. Ook als het juist zou zijn dat [eiser] zich door [gedaagde] op enigerlei manier onder druk gezet voelde om [gedaagde] geld te schenken omdat [gedaagde] geld tekortkwam, dan is daarvoor nog steeds een rechtsgrond. [eiser] heeft zich in dit verband in deze procedure niet beroepen op misbruik van omstandigheden door [gedaagde] op grond waarvan [eiser] die schenkingen heeft vernietigd en in zoverre gehouden is de als gevolg van die vernietiging onverschuldigd betaalde bedragen terug te betalen.
€ 4.425,00 is niet aan [gedaagde] betaald (en dus ook niet onverschuldigd aan [gedaagde] betaald)
Vooralsnog is voldoende aannemelijk dat in ieder geval een bedrag van € 4.425,00 niet door [eiser] aan [gedaagde] is overgemaakt, maar naar bankrekeningen van [betrokkene 4] (de echtgenote van [gedaagde] ), [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Wat de grondslag voor deze betalingen ook is geweest, [eiser] kan zich niet zonder meer met tot [gedaagde] wenden en terugbetaling vorderen. Hij zal daarvoor dan diens echtgenote en familieleden moeten aanspreken. Een reden waarom [eiser] [gedaagde] daarvoor toch in rechte kan betrekken is niet gesteld en ook niet gebleken. Deze betalingen laat de voorzieningenrechter daarom bij de verdere beoordeling buiten beschouwing.
Rubriek schade/verzekeringsvergoedingen
Bij de juistheid van de omschrijving bij de betalingen door [eiser] aan [gedaagde] in de categorie “schade/verzekeringsvergoedingen” zijn de nodige vraagtekens te plaatsen. In totaal gaat het om acht betalingen van steeds ronde bedragen in de periode 2020 tot en met 2024 € 6.875,00. Op de zitting heeft [gedaagde] desgevraagd toegelicht dat [eiser] regelmatig gebruik maakte van zijn auto, daarbij schade veroorzaakte en die dan vervolgens ruimhartig vergoedde. [eiser] heeft dat weersproken en toegelicht dat hij deze omschrijvingen heeft gebruikt om bij de fiscus geen argwaan te wekken.
Het ligt op zich niet voor de hand dat iemand zijn auto ter beschikking blijft stellen aan een ander als blijkt dat die daarmee regelmatig schade rijdt. Deze verklaring komt de voorzieningenrechter daarom op het eerste gezicht niet heel geloofwaardig voor. Maar die geloofwaardigheid kan in het midden blijven omdat ook in het door [eiser] gestelde scenario sprake is van een schenking en geen onverschuldigde betaling.
De rubrieken door gedaagde voorgeschoten aankopen
Voor de overige gevallen heeft [eiser] niet gesteld dat sprake is van omschrijvingen die niet juist zijn, ook al is sprake van vier betalingen aan [betrokkene 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 2] met de omschrijvingen ‘autoschade’, ‘fiets schade’, ‘schade’ en ‘auto schade’. Maar ook als dat schenkingen zouden zijn, zijn dat nog geen onverschuldigde betalingen.
[gedaagde] heeft een betaling van 15 februari 2021 door [eiser] aan hem van € 4.630,00 concreet toegelicht, mede aan de hand van twee facturen. Het gaat volgens [gedaagde] om het voorschieten van de aankoop van twee televisies: een voor [gedaagde] en een voor [eiser]. Op de zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat [eiser] hem had gevraagd te adviseren welke nieuwe televisie hij moest kopen en dat [gedaagde] hem vervolgens adviseerde een bepaald model te kopen. [eiser] heeft toen volgens [gedaagde] gezegd dat [gedaagde] er dan ook een voor zichzelf mocht kopen omdat de televisie van [gedaagde] verouderd was. [gedaagde] heeft vervolgens twee televisies bij de Mediamarkt gekocht en betaald. [eiser] heeft deze gang van zaken ter zitting niet weersproken. Feitelijk is dan sprake van een schenking van een televisie (of het aankoopbedrag) aan [gedaagde]. Volgens de overgelegde facturen van 15 februari 2021 kostten de televisies respectievelijk € 2.194,14 (geleverd op het adres van [gedaagde]) en € 2.199,00 (geleverd op het adres van [eiser] ), dus samen € 4.393,14 terwijl op 15 februari 2021 € 4.630,00 door [eiser] is overgemaakt. Het verschil van € 236,86 is door [gedaagde] niet verklaard.
De overige vijf betalingen in deze rubriek betreffen volgens [gedaagde] de aanschaf van twee fietsen voor [eiser] voor € 1.000,00, de aanschaf voor een broekje voor [betrokkene 1] (€ 35,00) en aankoop van een fiets (€ 50,00) en de aankoop van een ladder (€ 400,00). Wat [eiser] en [betrokkene 1] met drie fietsen moeten doen, zeker gelet op de ernstige aandoening van [betrokkene 1], doen is de voorzieningenrechter niet duidelijk. Dat geldt ook voor de aanschaf van een ladder ter waarde van € 400,00, terwijl [eiser] en [betrokkene 1] een appartement bewoonden. [eiser] heeft de door [gedaagde] gestelde achtergrond echter niet weersproken.
Betalingen zonder omschrijving
De niet omschreven betalingen door [eiser] aan [gedaagde] tellen op tot € 9.994,00. Een betaling van € 50,00 van 28 februari 2020 is wel omschreven met ‘waar is het feest hier is het feest’, maar niet duidelijk is waar die betaling precies betrekking op heeft. Negentien keer gaat het om een bedrag van € 100,00 of minder. Vier keer is een bedrag van € 1.000,00 of meer naar [gedaagde] overgemaakt.
Volgens [gedaagde] gaat het hier om schenkingen. [eiser] heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat dit niet juist is en dat er, zoals hiervoor al is overwogen, geen enkele rechtsgrond was voor de betaling. Dat sprake was van voor [gedaagde] kenbare vergissing, is niet gesteld of gebleken.
Voorshands geoordeeld moeten ook deze betalingen als schenkingen worden gezien.
De rubrieken ‘schenking’ en ‘sparen’
Dit geldt ook de bedragen in de rubrieken ‘schenkingen’ en ‘sparen’. In de eerste plaats heeft [eiser] de drie betalingen van in totaal € 12.000,00 medio mei 2024 voorzien van de omschrijving ‘schenking’. In de dagvaarding stelt [eiser] dat [gedaagde] hem veelvuldig liet weten krap te zitten of althans geen financiële ruimte te hebben bepaalde uitgaven te doen. Op de zitting heeft [eiser] desgevraagd toegelicht dat [eiser] en [gedaagde] een plan hadden gemaakt voor zonnepanelen op het dak van de woning van [gedaagde], maar dat [gedaagde] vervolgens de ontvangen gelden had gestoken in de aankoop van een andere woning. [gedaagde] heeft toegelicht dat [eiser] vond dat [gedaagde] zonnepanelen op zijn woning moest plaatsen en daar bij [gedaagde] op aandrong en dat [gedaagde] dat zo’n anderhalf jaar lang heeft tegengehouden. Hij maakte zich zorgen over mogelijk brandgevaar. Op enig moment vertelde [gedaagde] aan [eiser] dat hij een andere woning ging kopen en toen heeft [eiser] volgens [gedaagde] gezegd dat het geld voor de zonnepanelen dan zou kunnen gebruiken voor de financiering daarvan. De € 12.000,00 is aldus [gedaagde] in dat kader aan hem overgemaakt.
Op grond van deze verklaringen en de omstandigheid dat het geld is overgemaakt onder de noemer schenking geldt ook voor deze bedragen dat van een onverschuldigde betaling geen sprake is. Voorshands geoordeeld geldt dat ook voor de bedragen gerubriceerd onder de post ‘sparen’ (totaal € 400,00).
Tussenconclusie
[eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem aan [gedaagde] betaalde bedragen (van meet af aan) onverschuldigd zijn betaald. Op die grond kan de vordering tot betaling van een voorschot dus niet worden toegewezen. Dat brengt de voorzieningenrechter bij de subsidiaire grondslag.
Ook bovenmatigheid giften en vernietiging door [betrokkene 1] nog niet voldoende aannemelijk
[eiser] stelt zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van bovenmatige giften waarvan [betrokkene 1] niet op de hoogte was en dat [betrokkene 1] die in juni 2024 buitengerechtelijk heeft vernietigd.
Op grond van artikel 1:88 BW heeft een echtgenoot de toestemming nodig voor het doen van andere, dan gebruikelijke, niet bovenmatige giften. Als die toestemming niet is gegeven kan de andere echtgenoot die rechtshandeling vernietigen (artikel 1:89 BW). De vraag of een gift bovenmatig is moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld; voor het aannemen van vrijgevigheid is voldoende dat dat degene die is verarmd, de verrijking van de andere partij heeft gewild. Als de rechtshandeling met succes is vernietigd zal de verrijkte partij bij een vernietigde schenking de ander op grond van onverschuldigde betaling tot terugbetaling kunnen aanspreken.
Met [gedaagde] is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser], mede gelet op het inkomen en vermogen van [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd om voorshands tot de conclusie te komen dat de betrokken schenkingen bovenmatig zijn. Bij de vaststelling van bovenmatigheid kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de bedragen die [eiser] tussen 2019 en 2024 naar de bankrekeningen van [gedaagde] heeft overgemaakt en hiervoor als schenking zijn gekwalificeerd niet zo maar bij elkaar worden opgeteld, zoals [eiser] doet. De al of niet bovenmatigheid zal in de context van de relatie tussen partijen en per schenking moeten worden beoordeeld. Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter gelet op de strekking van de artikel 1:88 en 1:89 BW geen reden ziet om bij het doen van vele kleine(re) giften de omstandigheid van het herhaaldelijk doen van die giften niet in ogenschouw te nemen.
Tijdens de zitting is van de zijde van [gedaagde] toegelicht dat [eiser] en [betrokkene 1] in 2024 een belastbaar inkomen hadden van zo’n € 90.000,00 bestaande uit AOW, een aanvullend pensioen en inkomsten van [eiser] uit het PGB van [betrokkene 1]. Dit is door [eiser] niet weersproken. Maar [eiser] heeft toegelicht ook in bitcoins te hebben belegd en enkele keren bitcoins te hebben verkocht en uit de opbrengst daarvan ook bedragen aan [gedaagde] te hebben betaald. Om hoeveel het precies ging is echter niet duidelijk geworden. Het financiële plaatje is hiermee onvoldoende inzichtelijk om voorshands met voldoende zekerheid te kunnen oordelen dat sprake is geweest van bovenmatige uitgaven, zeker omdat de aard van de relatie en de mate waarin daarin sprake was van door [gedaagde] verleende diensten ook niet helder is.
Bovenmatigheid zou wellicht wel kunnen worden aangenomen ten aanzien van de drie betalingen van € (in totaal) 12.000,00 die [eiser] in mei 2024 aan [gedaagde] heeft betaald onder de noemer schenking. Dat is ook bij een belastbaar inkomen van € 90.000,00 een serieus bedrag (naar schatting rond 20% van het inkomen). Het zou een zeer genereuze schenking zijn. Volgens [gedaagde] wist [betrokkene 1] echter van alle betalingen en stemde zij daarmee in. [gedaagde] heeft daarbij echter weer niet toegelicht hoe dit dan precies in zijn werk is gegaan. Maar ook als [betrokkene 1] niets wist van de betalingen die [eiser] tussen 2019 en 2024 aan [gedaagde] heeft gedaan kan voorshands nog niet met de in kort geding vereiste mate van aannemelijkheid worden geoordeeld dat [betrokkene 1] de schenkingen in 2024 buitengerechtelijk heeft vernietigd. [gedaagde] heeft namelijk ook gemotiveerd betwist dat de in het geding gebrachte verklaring door [betrokkene 1] is opgesteld en/of ondertekend en erop gewezen dat [eiser] niet de video-opname in het geding heeft gebracht waarop [betrokkene 1] dat ook zou verklaren. Mr. Van der Eijk heeft toegelicht dat hij dit niet heeft gedaan uit respect voor [betrokkene 1] omdat de beelden pijnlijk zijn gelet op de toenmalige toestand van [betrokkene 1]. Dat kan echter ook een aanwijzing zijn dat [betrokkene 1] op dat moment niet meer voldoende in staat was haar wil te bepalen.
Kortom, de voorzieningenrechter sluit niet uit dat [gedaagde] enig bedrag aan [eiser] zal moeten terugbetalen, maar er bestaat op dit moment te veel onzekerheid om in kort geding op een dergelijk oordeel in een bodemprocedure vooruit te lopen. Daarvoor is nader (feiten)onderzoek nodig. Daarvoor is in het kader van dit kort geding geen plaats. Daarbij komt dat niet gesteld of is gebleken dat [eiser] dringend verlegen zit om liquide middelen. De vordering tot betaling van een voorschot van € 25.000,00 zal daarom worden afgewezen. Partijen wordt geadviseerd een poging te ondernemen om op basis van dit vonnis tot een vergelijk te komen.
De sleutel is afgegeven en niet aannemelijk is geworden dat [gedaagde] nog originele stukken van [eiser] onder zich heeft
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] de gevorderde sleutels van het (voormalige) appartement van [eiser] in [plaats 2] aan mr. Van der Eijk gegeven. Dit deel van de vordering tot afgifte hoeft daarom niet meer te worden behandeld. [gedaagde] heeft betwist nog enig (origineel) stuk van [eiser] onder zich te hebben. [eiser] heeft verder ook niet toegelicht om welke stukken het precies gaat. Voor zover het gaat om stukken betreffende onlinebeleggingen heeft [eiser] niet nader toegelicht om welke onlinebeleggingen het precies gaat.
[gedaagde] heeft toegelicht wel ooit de beschikking te hebben gehad over de inloggegevens van de e-mail van [eiser] en dat [eiser] hem ooit eens heeft gevraagd het e-mailaccount van [eiser] te raadplegen, maar ook dat [eiser] daarna het benodigde wachtwoord heeft gewijzigd. Ook heeft [gedaagde] toegelicht dat hij eens op verzoek van [eiser] met door [eiser] verstrekte gegevens is ingelogd op diens bankrekening om een betaling in Spanje te doen toen [eiser] daar met [betrokkene 1] was en een pintransactie ter plekke niet lukte. [gedaagde] heeft dit alles niet weersproken. [gedaagde] heeft ook toegelicht de beschikking te hebben gehad over een pdf’s van de (levens)testamenten van [eiser] en [betrokkene 1]. Die stukken heeft [gedaagde] ook in het geding gebracht, maar om afgifte daarvan heeft [eiser] niet verzocht. Het gaat hem blijkens een toelichting in de dagvaarding ook om originele stukken waarover [eiser] kennelijk niet (meer) zelf beschikt. [gedaagde] kan in kort geding niet worden veroordeeld tot afgifte van stukken waarvan niet voldoende aannemelijk is dat hij daarover beschikt. Kortom, de vordering zal worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
[gedaagde] verzoekt [eiser] te veroordelen, in de werkelijke door de voorzieningenrechter te begroten proceskosten gelet op de aard van de vorderingen en de wijze waarop [eiser] een feitelijk complex geschil in kort geding aanhangig heeft gemaakt.
Voor een volledige proceskostenvergoeding moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden voldaan aan de maatstaf voor misbruik van procesbevoegdheid. Daaraan is niet snel voldaan, mede gelet op het door artikel 6 EVRM beschermde recht van eenieder toegang tot de rechter te hebben. Van misbruik van procesbevoegdheid is de voorzieningenrechter niet gebleken. Het enkele feit dat de vorderingen in kort geding zullen worden afgewezen is daarvoor niet voldoende. Voor toekenning van een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte proceskosten wordt dan ook geen aanleiding gezien.
De proceskosten zullen daarom volgens het wettelijke uitgangspunt conform het toepasselijke liquidatietarief worden begroot.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
| - griffierecht | € | 341,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.177,00 | |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.707,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van voldoening,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
1998
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.