Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 24 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13206Zaaknummer K/4104/12094642
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- K/4104/12094642
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zaanstad
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Partijen hadden een relatie met elkaar en woonden met hun minderjarige kind in een gezamenlijke huurwoning. Beide partijen willen in de woning blijven wonen en vorderen dat de ander de huur van de woning niet langer voortzet. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van de vrouw en het minderjarige kind om in de woning te blijven zwaarder weegt dan dat van de man. De vordering van de vrouw wordt daarom toegewezen en de vordering van de man, althans diens bewindvoerder, wordt afgewezen.
6 De beslissing
De kantonrechter
de vordering
bepaalt dat de vrouw, met uitsluiting van de man, het huurrecht van de woning aan de [adres] te [woonplaats] met ingang van 26 september 2026 voortzet,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst de vordering voor het overige af,
de tegenvordering
wijst de vordering af,
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
| Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 12094642 \ CV EXPL 26-511 (rvk)
Vonnis van 24 september 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats],
eisende partij,
verwerende partij tegen de tegenvordering,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. D.E. Oud,
[toevoegingsnr.: 4RA7586]
tegen
1 [gedaagde sub 1]
te [woonplaats] ,2. de vennootschap onder firma [de VOF], in hoedanigheid van bewindvoerder over de gelden en goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [gedaagde sub 1],
te Aalsmeerderbrug,
gedaagde partijen,
eisende partijen met een tegenvordering,
hierna samen te noemen: de man en/of de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. N.H. Fridsma,
[toevoegingsnr.: 4RD1248]
1 De zaak in het kort
Partijen hadden een relatie met elkaar en woonden met hun minderjarige kind in een gezamenlijke huurwoning. Beide partijen willen in de woning blijven wonen en vorderen dat de ander de huur van de woning niet langer voortzet. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van de vrouw en het minderjarige kind om in de woning te blijven zwaarder weegt dan dat van de man. De vordering van de vrouw wordt daarom toegewezen en de vordering van de man, althans diens bewindvoerder, wordt afgewezen.
2 De procedure
De vrouw heeft bij dagvaarding van 28 januari 2026 een vordering tegen de bewindvoerder ingesteld. De bewindvoerder heeft namens de man schriftelijk geantwoord en een tegenvordering in gediend.
Op 27 augustus 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De bewindvoerder heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. Beide partijen hebben op de zitting hun eis verminderd. Voorafgaand aan de zitting heeft de vrouw met e-mails van 19 en 26 augustus 2026 stukken in het geding gebracht. De bewindvoerder heeft met een brief van 14 augustus 2026 nog stukken in het geding gebracht.
3 De feiten
De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samen een dochter, [dochter], geboren op 14 mei 2020, en dus nu nog minderjarig.
De relatie tussen de vrouw en de man is eind 2025 geëindigd.
De vrouw en de man huren sinds oktober 2021 de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) van Parteon. De vrouw en de man hebben beiden het huurcontract ondertekend, zij huren de woning dus samen.
Na het verbreken van de relatie hebben de man en de vrouw in eerste instantie de zorg voor hun minderjarige dochter geregeld volgens de ‘birdnesting- regeling’. Dit betekende dat dochter [dochter] in de woning bleef wonen en dat de man en de vrouw om de beurt een week in de woning verbleven. Partijen zijn gestopt met deze regeling omdat de verstandhouding tussen de vrouw en de man zodanig is verslechterd dat het naleven van de birdnesting-regeling niet werkbaar meer is.
In een vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Holland van 31 maart 2026 is het uitsluitend gebruik van de woning voorlopig aan de vrouw toegewezen. Het gerechtshof Amsterdam heeft in de beslissing in hoger beroep van 28 juli 2026 de uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd.
Op dit moment is bij de familierechter van deze rechtbank een procedure aanhangig over de vraag bij welke ouder [dochter] haar hoofdverblijf zal hebben en op welke manier de zorg zal worden verdeeld. De uitkomst van deze procedure is nog niet bekend. [dochter] verblijft (ten tijde van de zitting in deze procedure) de ene week bij de vrouw in de woning, en de andere week bij de man in de voormalige woning van de moeder van de man (de oma van [dochter] ), die recent is overleden.
4 Het geschil
de vordering
De vrouw vordert dat aan haar het huurrecht van de huurwoning toegewezen wordt. Zij legt aan de vordering ten grondslag dat haar belang om in de woning te blijven wonen zwaarder moet wegen dan het belang van de man. De vrouw heeft namelijk in de praktijk het grootste deel van de zorg over de minderjarige dochter [dochter], die dan met haar in de woning woont. De vrouw komt niet in aanmerking voor een andere huurwoning als zij de woning moet verlaten en dat draagt niet bij aan een stabiele situatie voor [dochter]. De man heeft wel een inkomen en een netwerk en hij komt wel voor een andere huurwoning in aanmerking.
De bewindvoerder voert verweer. De bewindvoerder voert aan dat het belang van de man om in de woning te blijven wonen zwaarder moet wegen dan dat van de vrouw. De man huurt al sinds 2004 zelfstandig een woning, en hij heeft altijd de huur voldaan. De man kan ook voor [dochter] zorgen; hij is nu weliswaar arbeidsongeschikt, maar als hij weer beter is dan is zijn werkgever bereid afspraken te maken over flexibele werktijden. De man heeft een inkomen en dat waarborgt dat hij de huur van de woning kan blijven voldoen; dat is bij de vrouw niet zo. Als de woning aan haar wordt toegewezen is de kans groot dat zij de huur niet kan betalen en de woning verliest. Dat is niet in het belang van [dochter]. Er zijn ook zorgen over het middelengebruik van de vrouw dat van invloed kan zijn op haar beschikbaarheid als verzorger van [dochter].
de tegenvordering
De bewindvoerder vordert op haar beurt bij wijze van tegenvordering dat het huurrecht van de woning aan de man wordt toegewezen. De bewindvoerder legt daaraan hetzelfde ten grondslag als aan haar verweer, namelijk dat het belang van de man om in de woning te blijven zwaarder moet wegen dan dat van de vrouw.
De vrouw betwist de tegenvordering.
5 De beoordeling
de vordering en de tegenvordering
De vordering en de tegenvordering lenen zich voor een gezamenlijke behandeling
De kantonrechter is van oordeel dat de vrouw het gebruik van de woning mag voortzetten. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
De vrouw en de man zijn allebei contractueel medehuurder van de woning en zij willen allebei het exclusieve huurrecht van de woning; zij beroepen zich ook allebei op dezelfde grondslag, namelijk artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Wetboek (BW). Daarin staat dat de kantonrechter kan bepalen dat één van de huurders de huur niet mag voorzetten, als dat gelet op de omstandigheden van het geval naar billijkheid geboden is. De kantonrechter zal dus een belangenafweging moeten maken. Bij die belangenafweging weegt het belang van het minderjarige kind zwaar. Dat is bepaald in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Partijen zijn het erover eens dat zij niet langer samen in de woning kunnen wonen en dat een birdnesting-regeling niet meer mogelijk is. Ook de kantonrechter gaat daarvan uit, gelet op de verstandhouding tussen partijen. Dat betekent dat maar één van hen de huurovereenkomst kan voortzetten. Voor zowel de vrouw als de man is het heel belangrijk om in de woning te kunnen blijven wonen. Voor de vrouw speelt dat zij momenteel een groot deel van de zorg voor [dochter] heeft, dat zij een beperkt sociaal netwerk heeft en dan nog alleen in de buurt van de woning. De vrouw heeft op dit moment een geringe kans op toewijzing van een andere huurwoning.
Voor de man speelt dat het voor hem in verband met zijn werk (in Amsterdam) belangrijk is om in de woning te kunnen blijven wonen. Verder heeft hij al een langdurige huurrelatie, heeft hij een vast inkomen en is daardoor in staat de huur te blijven voldoen. Dat is ook in het belang van [dochter], voor wie het belangrijk is dat zij in de huidige woning kan blijven wonen. De woning voelt ook als zijn thuis en hoewel er mogelijk plek zal zijn in Diemen (in een project voor zelfstandig wonen met begeleiding), is het maar de vraag of hij zich daar ooit thuis zal voelen.
De kantonrechter is van oordeel dat het belang van de vrouw zwaarder moet wegen dan dat van de man. In de eerste plaats omdat de vrouw op dit moment al langere tijd (sinds de uitspraak van de kortgedingrechter op 31 maart 2026) samen met [dochter] in de woning woont, in de weken dat [dochter] bij de vrouw is. De vrouw heeft uitgelegd dat de woning vlakbij de basisschool van [dochter] is en dat het nu goed gaat met [dochter] op school. Voor [dochter] zijn stabiliteit en continuïteit in de woonomgeving van groot belang. Het nu weer omdraaien van die situatie (dus dat [dochter] in de woning woont samen met de man, in de weken dat [dochter] bij de man is), zou nóg een verandering in het leven van [dochter] betekenen in deze toch al (zeer) onrustige tijd. Dat acht de kantonrechter niet in het belang van [dochter]. Dat belang weegt in deze beslissing zwaar mee. Dat de man in de toekomst de mogelijkheid heeft om op variabele tijden te werken en zo zijn werkrooster aan te passen aan de zorg voor [dochter], is zeker positief, maar rechtvaardigt niet dat de op dit moment stabiele woonsituatie van [dochter] wordt doorbroken. De door de man opgeworpen vraag wie schuldig is aan het eindigen van de birdnesting-regeling laat de kantonrechter ook in het midden, omdat deze discussie tussen partijen (hoe dan ook) niet opweegt tegen de belangen van [dochter] bij continuïteit en stabiliteit.
In de tweede plaats weegt mee dat de man tot november 2026 in de woning van zijn moeder, die onlangs is overleden, kan verblijven en dat hij daarna waarschijnlijk in aanmerking komt voor een woning in Diemen. Daartegenover staat dat de vrouw geen reëel perspectief op een andere woning heeft. De man heeft aanvankelijk voorgesteld dat de vrouw bij haar partner in Purmerend kon wonen, maar dat is door zijn recente overlijden geen optie meer, nog los van de vraag of dit een wenselijke oplossing zou zijn geweest, gelet op de belangen van [dochter]. Ook als zou blijken dat de man toch niet de woning in Diemen kan betrekken, zijn de kansen van de man om een vervangende woonruimte te vinden, groter dan die van de vrouw. De man heeft namelijk een vaste baan en dus een vast inkomen, wat zijn mogelijkheden vergroot, in tegenstelling tot de vrouw die (voorzienbaar) een bijstandsuitkering zal krijgen. Daarbij komt dat de man ook lang is ingeschreven voor een sociale huurwoning (sinds 2000), terwijl de vrouw pas sinds kort (sinds vorig jaar) is ingeschreven, waaruit ook blijkt dat de kansen van de vrouw op de woningmarkt veel beperkter zijn dan die van de man.
In de derde plaats houdt de kantonrechter er rekening mee dat de vrouw een klein netwerk heeft, beperkt tot de naaste omgeving van de woning, namelijk haar buren, de moeders die zij kent via de basisschool van [dochter] en hulp vanuit de kerk. Dit netwerk van de vrouw is sterk verbonden met de locatie van de woning en de kantonrechter acht het ook in het belang van [dochter] dat dit netwerk van de vrouw niet verloren gaat. Bij de man speelt de gebondenheid aan de locatie van de woning minder. Weliswaar was hij bang dat zijn hulpverlening in gevaar zou komen als hij niet langer op het adres van de woning zou staan ingeschreven, maar tijdens de zitting is gebleken dat die hulpverlening ondanks zijn uitschrijving kan worden voortgezet. Daarbij komt dat de man een auto heeft en de vrouw niet. De man heeft ook in dat opzicht dus meer mogelijkheden. De man is momenteel arbeidsongeschikt, maar kan met de auto naar zijn werk in Amsterdam zodra hij daar weer toe in staat is, ook als zijn vervangende woonruimte minder dichtbij zijn werk is dan de huidige woning van partijen.
De omstandigheid dat in het verleden de man altijd de huur heeft betaald, wordt verklaard door het feit dat de man inkomen had, terwijl de vrouw voor [dochter] zorgde en geen uitkering kon aanvragen omdat zij op hetzelfde adres stond ingeschreven als de man. Deze omstandigheid betekent daarom op zichzelf niet dat de man het huurrecht mag voortzetten. De kantonrechter neemt in de belangenafweging wel mee dat tijdens de zitting is gebleken dat er een huurachterstand is ontstaan nadat de man is uitgeschreven op het adres van de woning en de bewindvoerder de huur niet meer voldoet (omdat de huurtoeslag van de man is stopgezet). De kantonrechter acht het van groot belang voor beide partijen en voor [dochter] dat deze achterstand wordt ingelopen en niet verder oploopt. De gemachtigde van de vrouw heeft op de zitting echter toegezegd om meteen contact op te nemen met Parteon, de verhuurder, om de situatie uit te leggen en er op te wijzen dat er een bijstandsuitkering is aangevraagd en een voorschot is ontvangen. De verwachting is dus dat de vrouw in staat zal zijn om de huur te betalen. De kantonrechter heeft ook geen reden om te vermoeden dat aan de vrouw geen bijstandsuitkering zal worden toegekend. Gelet daarop gaat de kantonrechter er vanuit dat de verhuurder begrip zal hebben voor de situatie en de oorzaak van de (tijdelijke) betalingsachterstand, waarmee het voortzetten van de huurovereenkomst ‘veilig gesteld’ is.
De kantonrechter begrijpt tot slot dat de situatie voor beide partijen moeilijk is, ook omdat zij allebei te maken hebben met (zeer) recente sterfgevallen in hun nabije omgeving. Dat maakt de afweging van de belangen echter niet anders.
De conclusie van de kantonrechter, al het voorgaande afwegend, is dat het belang van de vrouw bij het behouden van de woning, zwaarder weegt dan het belang van de man en dat daarom moet worden bepaald dat de man de huur niet langer zal voortzetten. De vordering van de vrouw wordt dus toegewezen en de tegenvordering van de man wordt afgewezen.
Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten in de zaak van de vordering en in de zaak van de tegenvordering gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
6 De beslissing
De kantonrechter
de vordering
bepaalt dat de vrouw, met uitsluiting van de man, het huurrecht van de woning aan de [adres] te [woonplaats] met ingang van 26 september 2026 voortzet,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst de vordering voor het overige af,
de tegenvordering
wijst de vordering af,
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
| Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.