Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13196Zaaknummer C/15/380570
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/15/380570
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Ondernemingsrecht, Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort geding
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vordering tot afgifte wijnvoorraad waarop gedaagde retentierecht uitoefent. Buitenproportioneel? Economische waarde of Executiewaarde?
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
wijst de vorderingen van CLV af,
veroordeelt CLV in de proceskosten van € 2.060,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
veroordeelt CLV om aan HFB te betalen een bedrag van € 7.261,15, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt CLV in de proceskosten van € 736,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt CLV tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als CLV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt CLV tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2, 5.3, 5.4, 5.5 en 5.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.
936
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/380570 / KG ZA 26-448
Vonnis in kort geding van 6 oktober 2026
in de zaak van
C'EST LE VIN B.V.,
te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: CLV,
advocaten: mr. I.A. Hoedemaeker en mr. A.M. Namba,
tegen
HET FULFILMENT BEDRIJF B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: HFB,
advocaten: mr. S. Vletter en mr. R.R.E. Roosjen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 september 2026 met in totaal 31 (deels nagekomen) producties
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met in totaal 18 producties
- de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van de advocaten van CLV
- de spreekaantekeningen van de advocaten van HFB.
2 De feiten
CLV drijft een wijnspeciaalhandel die zich bezighoudt met de import en verkoop van kwaliteitswijnen.
HFB is een onderneming die zich richt op het in ontvangst nemen, opslaan, verwerken en verzenden van goederen.
Op 17 maart 2023 hebben partijen een ‘Fulfilment overeenkomst’ (hierna: de Overeenkomst) gesloten, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
(…)
6 Opgave van diensten en betaling
(…)
6.1.b Alle bedragen die, uit welken hoofde ook, door de opdrachtgever aan HFB verschuldigd zijn, zullen worden betaald door opdrachtgever, met inachtneming van de overeengekomen termijn of bij gebreke aan een overeengekomen termijn binnen zeven dagen ingaande vanaf de dag van ontvangst factuur.
(…)
10 Beëindiging van de overeenkomst
(…)
Het gereedmaken voor transport van de aanwezige voorraad zal aanvangen op het moment dat er geen openstaand saldo meer is ten taste van HFB.
(…)
13 Opschorting van werkzaamheden
HFB heeft het recht haar werkzaamheden op te schorten bij uitblijven van een betaling zoals vermeld in 6.1.b
Indien HFB gebruik wenst te maken van haar recht om activiteiten op te schorten dient HFB dit met inachtneming van 5 werkdagen aan Opdrachtgever aan te kondigen.
HFB heeft het recht de opschorting van haar werkzaamheden en het blokkeren van de afgifte van goederen, gelden en de producten van haar werk eerst ongedaan te maken nadat opdrachtgever aan al haar financiële en contractuele verplichtingen heeft voldaan.
(…)
Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Het Fulfilment Bedrijf B.V. versie 2022 van toepassing.
Opdrachtgever verklaard deze voorwaarden te hebben ontvangen.
(…)
In de op de Overeenkomst van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden van HFB is onder meer het volgende opgenomen:
(…)
Artikel 6 – Retentierecht
1. Totdat de Opdrachtgever alle verplichtingen uit de Overeenkomst volledig is nagekomen, in het bijzonder tot voldoening van alle openstaande facturen, rente en kosten daaronder begrepen, is Opdrachtnemer gerechtigd alle zaken van de Opdrachtgever onder zich te houden (retentierecht).
2. Het recht van retentie heeft Opdrachtnemer ook in geval de Opdrachtgever in staat van faillissement komt te verkeren dan wel dreigt komen te verkeren of surseance van betaling heeft aangevraagd.
(…)
Gedurende de looptijd van de Overeenkomst is meermaals sprake geweest van niet-tijdige betaling door CLV van de facturen van HFB.
Na constatering door CLV van door HFB gemaakte facturatiefouten heeft HFB de volgende tussentijdse creditfactuur aan CLV gestuurd:
Nadien heeft CLV aan HFB om een definitieve berekening en creditfactuur verzocht.
Bij e-mail van 29 december 2025 heeft HFB het volgende aan CLV geschreven:
{Afbeelding}
Bij e-mail van 6 januari 2026 heeft HFB nogmaals de "Intermediate creditnote" voor C'est le Vin B.V. over 2025" (zie hierboven in 2.6) gestuurd.
Bij e-mail van 13 januari 2026 heeft HFB onder meer het volgende aan CLV bericht:
(…)
Zodra je bij bent t/m oktober kunnen wij deze uitslag (tussendoor) voor je uitvoeren.
Daarna verwachten wij een inloop t/m November.
(…)
Volgens CLV staat er nog een door haar aan HFB te betalen bedrag open van € 7.261.15. Volgens HFB heeft zij een openstaande vordering op CLV van € 30.493,77. CLV heeft geen van beide bedragen betaald. HFB heeft haar werkzaamheden opgeschort en oefent sindsdien haar retentierecht uit.
Tekst
3 Het geschil
In conventie
CLV vordert in conventie om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair
I. gedaagde te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan de kosteloze afgifte van de volledige wijnvoorraad van eiser die zij onder zich houdt, door iedere blokkade van de afgifte op te heffen, de wijnvoorraad voor afgifte aan eiser kosteloos beschikbaar te houden en aan die afgifte geen nadere voorwaarden te verbinden;
II. te bepalen dat eiser gerechtigd zal zijn de volledige wijnvoorraad van eiser die gedaagde onder zich houdt binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te halen, op een door eiser te bepalen datum of data, na voorafgaand overleg met gedaagde;
III. te bepalen dat gedaagde een dwangsom verbeurt van EUR 5.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij, na afloop van de onder I genoemde termijn van 48 uur niet voldoet aan de onder I uitgesproken veroordeling, met een maximum van EUR 100.000;
IV. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten indien deze niet binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan.
Subsidiair
I. gedaagde te veroordelen om binnen 48 uur nadat eiser een bedrag van EUR 7.261,15, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, aan gedaagde heeft voldaan, haar volledige medewerking te verlenen aan de kosteloze afgifte van de volledige wijnvoorraad van eiser die gedaagde onder zich houdt, door iedere blokkade van de afgifte op te heffen, de wijnvoorraad voor afgifte kosteloos aan eiser beschikbaar te houden en aan die afgifte geen nadere voorwaarden te verbinden.
II. te bepalen dat eiser gerechtigd zal zijn de volledige wijnvoorraad van eiser die gedaagde onder zich houdt binnen één maand nadat gedaagde overeenkomstig de onder I uitgesproken veroordeling de wijnvoorraad voor afgifte beschikbaar heeft gesteld, op te halen, op een door eiser, na voorafgaand overleg met gedaagde, te bepalen datum of data.
III. te bepalen dat gedaagde een dwangsom verbeurt van EUR 5.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij, na afloop van de onder I genoemde termijn van 48 uur, niet voldoet aan de onder I uitgesproken veroordeling, met een maximum van EUR 100.000.
IV. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten indien deze niet binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan.
CLV legt aan haar vorderingen – samengevat – ten grondslag dat de uitoefening van het retentierecht door HFB op de volledige voorraad van CLV disproportioneel is. De economische waarde van de bij HFB opgeslagen wijnen van CLV bedraagt € 112.372,36, terwijl de openstaande vordering van HFB op CLV slechts € 7.261,15 bedraagt. HFB gaat ten onrechte uit van een in haar opdracht opgesteld (maar door CLV betwist) taxatierapport, op grond waarvan de executiewaarde van de wijn € 15.618,75 zou bedragen. HFB beschikt echter niet over een executoriale titel, zodat zij ten onrechte van de executiewaarde in plaats van de economische waarde uitgaat bij het uitoefenen van haar retentierecht. CLV heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, omdat HFB met het uitoefenen van haar retentierecht een substantieel deel van haar omzetcapaciteit blokkeert, aldus CLV.
HFB voert tot haar verweer aan dat de openstaande vordering van HFB op CLV geen € 7.261,15 maar (inclusief opslagkosten en rente) € 30.493,77 bedraagt, terwijl de executiewaarde van de voor CLV opgeslagen wijn een bedrag van € 15.618,75 vertegenwoordigt. Het contractuele opschortings- c.q. retentierecht wordt dan ook rechtmatig en proportioneel uitgeoefend. CLV heeft voorts geen spoedeisend belang bij haar vordering. HFB concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid van CLV, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van CLV in conventie, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van CLV in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
HFB vordert in reconventie om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
CLV te veroordelen tot betaling aan HFB van een bedrag van EUR 30.493,77, althans een door U.E.A. Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met opslagkosten vanaf 18 september 2026 tot de dag waarop de voorraad is vrijgegeven, althans een door U.E.A. Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de dag van opeisbaarheid van de respectieve facturen tot de dag van algehele voldoening, en de buitengerechtelijke incassokosten van EUR 1.079,94, met veroordeling van CLV in de proceskosten in reconventie en de gebruikelijke (na)kosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien niet binnen een week na dagtekening van het vonnis warden voldaan.
HFB legt aan haar vorderingen– samengevat – ten grondslag dat CLV structureel in verzuim is met de betaling van de door HFB verzonden facturen, als gevolg waarvan haar openstaande vordering op CLV thans € 30.493,77 bedraagt. HFB heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, omdat de vordering maandelijks verder oploopt als gevolg van doorlopende opslagkosten, aldus HFB.
CLV voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van HFB in reconventie.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
in conventie
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat CLV daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Met de uitoefening van haar retentierecht houdt HFB een aanzienlijk deel van de handelsvoorraad van CLV onder zich, als gevolg waarvan CLV een aanzienlijke omzetderving stelt te hebben. Daarmee is het spoedeisend belang van CLV bij haar vorderingen gegeven.
Inhoudelijk
Het geschil draait om het door HFB uitgeoefende retentierecht op een grote partij wijn van CLV. Dat retentierecht vloeit voort uit het contractuele opschortingsrecht zoals tussen partijen overeengekomen in artikel 13 van de Fulfilment overeenkomst (zie 2.3) en het in artikel 6 van de toepasselijke Algemene Voorwaarden van HFB opgenomen retentierecht (zie 2.4). Voor zover CLV meent dat het retentierecht niet is overeengekomen omdat de algemene voorwaarden niet aan haar ter hand zouden zijn gesteld, vindt die opvatting geen steun in het recht. Uit de overeenkomst volgt dat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden tussen partijen is overeengekomen. HFB heeft dus het contractueel retentierecht uit artikel 6 van de algemene voorwaarden. Het geschil spitst zich toe op de proportionaliteit van het ingeroepen recht.
Volgens de eigen stellingen van CLV bedroeg de vordering van HFB per januari 2026 in totaal € 12.436,15. Bij e-mail van 13 januari 2026 heeft HFB aan CLV bericht: “Zodra je bij bent t/m oktober kunnen wij deze uitslag (tussendoor) voor je uitvoeren”, waarmee zij in feite op dat moment haar retentierecht op de bij HFB aanwezige wijnvoorraad van CLV heeft uitgeoefend. Volgens CLV heeft zij tussen 12 januari 2026 en 14 april 2026 in totaal € 5.175,- aan HFB betaald, zodat er nog een schuld van € 7.261,15 zou moeten resteren. Dat standpunt miskent echter dat HFB op basis van de Overeenkomst maandelijks opslagkosten heeft doorberekend aan CLV, als gevolg waarvan het openstaande bedrag, inclusief rente en incassokosten, per 1 juni 2026 is opgelopen tot € 24.092,98.
CLV stelt dat HFB dat retentierecht niet proportioneel uitoefent, omdat de economische waarde van de wijn de vordering ruimschoots overstijgt. Dat betoog slaagt niet. In de eerste plaats niet omdat partijen zijn overeengekomen dat HFB het retentierecht op alle zaken heeft totdat alle openstaande facturen, rente en kosten daaronder begrepen zijn voldaan. In de tweede plaats biedt het retentierecht HFB de mogelijkheid om zich met voorrang op de wijn te verhalen, maar moet dat volgens de normale executieregels gebeuren (executoriale titel en executoriaal beslag). Dit brengt met zich dat voor de waarde van de wijn voor de retentor (HFB) moet worden uitgegaan van de executiewaarde.
Uit het taxatierapport dat in opdracht van HFB is opgesteld volgt dat de executiewaarde van de wijn een bedrag van € 15.618,75 vertegenwoordigt, terwijl de openstaande vordering van HFB op CLV ten tijde van het inroepen van haar retentierecht in januari 2026 € 12.436,15 bedroeg. Dat verschil is niet dermate groot dat op voorhand kan worden gezegd dat (een bodemrechter tot het oordeel komt dat) het inroepen en uitoefenen van het retentierecht níet proportioneel is. Het taxatierapport wordt weliswaar door CLV betwist, maar zij heeft niet (voldoende) met nadere stukken onderbouwd dat de getaxeerde executiewaarde van de wijn níet juist zou zijn.
Sinds januari 2026 is de vordering van HFB op CLV alleen maar toegenomen, als gevolg van in rekening gebrachte opslagkosten. Dat kan CLV ‘niet eerlijk’ vinden, maar dit is het gevolg van de afspraken tussen partijen. Het oplopen van de vordering van HFB heeft bovendien tot gevolg dat de executiewaarde van de wijn die zij onder zich houdt steeds minder toereikend is om haar gehele vordering op te verhalen. Inmiddels vertegenwoordigt de executiewaarde van de wijn nog maar de helft van de vordering van HFB op CLV.
Uit het bovenstaande vloeit voort dat HFB naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter haar retentierecht niet disproportioneel uitoefent. De vorderingen van CLV zullen daarom worden afgewezen.
CLV is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van HFB in conventie worden begroot op:
| - griffierecht | € | 735,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.177,00 | |
| - nakosten | € | 148,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 2.060,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
In conventie is geoordeeld dat HFB haar retentierecht niet disproportioneel uitoefent. Dit betekent niet dat de gehele vordering van HFB op CLV voldoende aannemelijk is om in kort geding te kunnen worden toegewezen. Het voorlopig karakter van het oordeel in kort geding, brengt mee dat een rechter in een bodemprocedure tot een ander oordeel kan komen. De vordering van HFB zal daarom worden toegewezen tot het door CLV erkende bedrag van € 7.261,15, te vermeerderen de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldagen van de onderliggende facturen tot de dag van voldoening. HFB heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vordering omdat zij onweersproken heeft gesteld dat CLV heeft aangegeven dat zij niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. HFB heeft dus belang bij een executoriale titel.
HFB vordert tevens vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
CLV is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van HFB in reconventie worden begroot op:
| - salaris advocaat | € | 588,50 | (factor 0,5 × 1.177,00) |
| - nakosten | € | 148,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 736,50 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
wijst de vorderingen van CLV af,
veroordeelt CLV in de proceskosten van € 2.060,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
veroordeelt CLV om aan HFB te betalen een bedrag van € 7.261,15, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt CLV in de proceskosten van € 736,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt CLV tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als CLV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt CLV tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2, 5.3, 5.4, 5.5 en 5.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.
936
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.