Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Noord-Holland, 9 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:10255Zaaknummer AWB - 25 _ 2695
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- AWB - 25 _ 2695
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Douanerecht. Oorsprong ingevoerde elektrische fietsen. Omkering en verzwaring van de bewijslast. Redelijke schating.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, en mr. S.J. Richters en mr. E.M.R. Vennekens, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2695
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Douane, verweerder.
Procesverloop
Dit beroep gaat over de oorsprong van ingevoerde elektrische fietsen.
Verweerder heeft aan belanghebbende met dagtekening 22 maart 2024 een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt ter hoogte van € 1.894.123,34, bestaande uit € 1.300.755,88 aan definitieve antidumpingrechten, € 360.273,75 aan definitieve compenserende rechten en € 233.093,71 aan rente op achterstallen.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 april 2025 de utb gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende is verschenen [naam 1] (bestuurder). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] LL.M en mr. [naam 3].
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is een onderneming die zich bezighoudt met de handel, verkoop en inkoop van fietsen en bromfietsen alsmede fietsgerelateerde producten.
2. [bedrijf 1] B.V. heeft als direct vertegenwoordiger van belanghebbende zeventien aangiften in het vrije verkeer gedaan in de periode 15 januari 2019 tot en met 22 januari 2020 in Nederland ten aanzien van elektrische fietsen (e-bikes).
3. Op 5 november 2020 is er bij belanghebbende een controle na vrijgave op grond van artikel 48 van het Douanewetboek van de Unie (DWU) gestart. De controle had betrekking op voornoemde zeventien aangiften. In twaalf van de gecontroleerde aangiften werden elektrische fietsen aangegeven met de goederencode 8711 6010. Als land van oorsprong werd Taiwan aangegeven. De controle heeft geresulteerd in een controlerapport met datum 19 februari 2024 (controlerapport).
4. In het controlerapport staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“2.7Verloop onderzoek.
(…)
Van 2 van de 17 aangiften met land van verzending Thailand is vast komen te staan [dat] sprake is geweest van een bezwaarprocedure met een uitspraak op het bezwaarschrift. Hierin is samengevat onder andere opgenomen dat is gesteund op het OLAF rapport dat de E-bikes van China naar Thailand zijn verzonden, aldaar geïmporteerd en aldaar weer 1 op 1 geëxporteerd naar Nederland. Tevens is onderzoek op de Thaise locatie uitgevoerd en is vast komen te staan dat een laatste bewerking dan wel verwerking niet mogelijk is geacht. Daarnaast is een door de Thaise autoriteiten (Kamer van Koophandel) naar Thais recht afgegeven preferentieel certificaat niet afgegeven in het kader van een systeem van administratieve samenwerking tussen de Europese Unie en Thailand. Hierdoor is vast komen te staan dat de in Nederland in het vrije verkeer gebrachte E-bikes de oorsprong China hebben en geen oorsprong Thailand.
(…)
3. Controlebevindingen
Indeling
Met de aangiften genoemd in bijlage 2 van dit rapport werden “elektrische fietsen (E-bikes)” aangegeven met goederencode 8711 6010 00 (6% douanerecht). Als land van oorsprong werd Taiwan aangegeven. Op basis van de bij de aangiften behorende bescheiden en de ontvangen informatie van [belanghebbende] B.V. is komen vast te staan dat als land van oorsprong China had moeten worden aangegeven. Als gevolg hiervan is er een aanvullende Taric-code van toepassing.
Op grond van de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/72 en 2019/73 is met ingang van 19 januari 2019 een definitief antidumpingrecht en een definitief compenserend recht verschuldigd. De aanvullende Taric-code is in dit geval C999 aangezien de aangegeven E-bikes niet zijn vervaardigd door een onderneming waarvoor een verlaagd tarief geldt.
Op grond van de indelingsregels 1 en 6 van de Gecombineerde Nomenclatuur en het Gebruikstarief hadden deze elektrische fietsen moeten worden ingedeeld met goederencode 8711 6010 00 C999. Doordat in deze aangiften een onjuiste goederencode is aangegeven werd er ten onrechte geen antidumpingrecht (62,1%) en compenserend recht (17,2%) in rekening gebracht.
Oorsprong
Op de 12 aangiften genoemd in bijlage 2 van dit rapport wordt als land van oorsprong Taiwan aangegeven. Bij de aangiften is een certificaat van oorsprong overgelegd. Dit certificaat van oorsprong betreft een niet-preferentieel certificaat van oorsprong, en is in Taiwan niet afgegeven door de douane autoriteiten, maar door de “chamber of commerce”. Een dergelijk certificaat kan in de Unie niet dienen voor het aantonen van de Taiwanese oorsprong, omdat de criteria waaronder een dergelijk certificaat wordt afgegeven niet binnen de Unie bekend zijn.”
5. Gedurende het onderzoek is door belanghebbende aanvullende informatie overgelegd waaronder een “Warehouse services agreement”, gesloten tussen [bedrijf 2], Inc. [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ), later genoemd [bedrijf 4] Inc. (hierna: [bedrijf 4]) en belanghebbende over de verlening van opslagservices aan [bedrijf 3]. In bijlage A bij deze overeenkomst is een passage opgenomen over fietsen die worden verzonden van China naar belanghebbende. Hierin staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“SHIPMENT CHINA – ROTTERDAM
[bedrijf 3] will process the shipment from China to [belanghebbende]. They are open and free to choose their forwarder themselves.
Forwarder information must provide [bedrijf 3] and [belanghebbende] the following information:
- Status of arrival to port
- Status of bikes going through customs and when this has cleared
- Status of trucking from Port to [belanghebbende]
All costs from China to [belanghebbende] will be on account [bedrijf 3]; transport, insurance, import duty, custom costs.”
6. Verweerder heeft belanghebbende bij brief van 29 augustus 2023 meegedeeld dat haar vanaf november 2020 meermaals is gevraagd om informatie. Het gaat om de volgende informatie:
- Betalingsbewijzen met betrekking tot de invoices die bij de aangiften zitten;
- Eventueel koopcontracten/purchase orders;
- Originele Certificaten van oorsprong (Chamber of commerce).
Verweerder heeft in de brief belanghebbende verzocht om de gevraagde informatie uiterlijk 5 september 2023 over te leggen.
7. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende de op haar rustende informatieverplichting van artikel 15 van het DWU niet is nagekomen en dat op grond van artikel 8:2, zesde lid, onder b, van de Algemene Douanewet (Adw) de – verzwaarde – bewijslast op belanghebbende rust. Verweerder heeft in dit verband in de uitspraak op bezwaar vermeld dat dit betekent dat het bewijscriterium “aannemelijk maken” verandert in “overtuigend aantonen”. Verweerder heeft de verschuldigde rechten bij invoer vastgesteld op basis van de beschikbare informatie ten aanzien van de oorsprong, zoals volgt uit het controlerapport. Uit deze informatie volgt volgens verweerder dat de oorsprong China is.
Geschil
8. In geschil is of de utb terecht aan belanghebbende is uitgereikt.
9. Belanghebbende stelt dat de utb onterecht is en voert aan dat sprake is van een onjuiste of onvolledige weergave van haar standpunten in bezwaar, dat er geen sprake is van een inhoudelijke weerlegging van de door belanghebbende ingebrachte standpunten, dat het fair-play-beginsel is geschonden en dat het besluit onevenredig en onbillijk is. Belanghebbende heeft voorts ter zitting naar voren gebracht dat zij te goeder trouw en naar eer en geweten heeft gehandeld. Er is volgens haar geen opzet in het spel en het is nooit de bedoeling geweest om antidumpingheffing of andere heffingen te ontwijken. Als de utb wel terecht is uitgereikt, dan dient [bedrijf 4] deze te betalen in plaats van belanghebbende.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging dan wel matiging van de utb.
10. Verweerder stelt dat de utb terecht is uitgereikt. Verweerder is bevoegd op grond van artikel 61 van het DWU elk aanvullend bewijs te eisen dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de vermelding van de oorsprong voldoet, als er gegronde twijfel is aan de oorsprong van de goederen. Belanghebbende heeft niet voldaan aan deze informatieplicht en daarom is de bewijslast omgekeerd. De ingevoerde producten hebben de oorsprong China in plaats van Taiwan, zoals volgt uit de bij verweerder beschikbare informatie. Verweerder verwijst hiervoor naar de informatie uit het controlerapport en de overgelegde stukken. Belanghebbende heeft niet met stukken aangetoond dat de utb onjuist is.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Juridisch kader
11. Door de Commissie werd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/73 van
17 januari 2019 (Publicatieblad L 16) een definitief antidumpingrecht ingesteld op fietsen met trapondersteuning, met een elektrische hulpmotor, van oorsprong uit China. Het betrokken product is momenteel ingedeeld onder de GN-codes 8711 60 10 en ex 8711 60 90 (Taric-code 8711 60 9010). Daarbij is het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor alle elders in de verordening niet geduide ondernemingen gesteld op 62,1%.
12. Door de Commissie werd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/72 van
17 januari 2019 (Publicatieblad L 16) een definitief compenserend recht ingesteld op fietsen met trapondersteuning, met een elektrische hulpmotor, van oorsprong uit China. Het betrokken product is momenteel ingedeeld onder de GN-codes 8711 60 10 en ex 8711 60 90 (Taric-code 8711 60 9010). Daarbij is het definitieve compenserende recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor alle elders in de verordening niet geduide ondernemingen gesteld op 17,2 %.
Beoordeling van het geschil
Omkering en verzwaring van de bewijslast
13. Op grond van artikel 8:2, zevende lid, onderdeel b, van de Adw wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard indien niet of niet volledig is voldaan aan een verzoek op de voet van artikel 15 van het DWU. Op grond van artikel 61, eerste lid, van het DWU kunnen de douaneautoriteiten van de aangever eisen dat hij de oorsprong aantoont, indien in de douaneaangifte de oorsprong van de goederen is vermeld. Op grond van het tweede lid kunnen de douaneautoriteiten, indien het bewijs van oorsprong van de goederen wordt geleverd overeenkomstig de douanewetgeving of andere Uniewetgeving met betrekking tot specifieke gebieden, in geval van gegronde twijfel, elk aanvullend bewijs eisen dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de vermelding van de oorsprong voldoet aan de regels die bij de desbetreffende Unievoorschriften zijn vastgesteld.
14. Uit het controlerapport volgt dat belanghebbende bij de aangiften een certificaat van oorsprong heeft overgelegd. Dit certificaat van oorsprong betreft een niet-preferentieel certificaat van oorsprong, en is in Taiwan niet afgegeven door de douaneautoriteiten, maar door de “chamber of commerce”. Een dergelijk certificaat kan in de Unie niet dienen voor het aantonen van de Taiwanese oorsprong, omdat de criteria waaronder een dergelijk certificaat wordt afgegeven niet binnen de Unie bekend zijn. Omdat er daarom gegronde reden voor twijfel is, mocht verweerder op grond van artikel 61 van het DWU van belanghebbende nadere stukken eisen die de oorsprong van de goederen kunnen aantonen, zoals betalingsbewijzen met betrekking tot de invoices die bij de aangiften zitten, koopcontracten/purchase orders en originele certificaten van oorsprong.
15. Gedurende het onderzoek van november 2020 tot en met augustus 2023 is er meermaals gevraagd om informatie met betrekking tot de twaalf aangiften waarop als land van oorsprong Taiwan staat vermeld. Het betrof informatie met betrekking tot de originele certificaten van oorsprong, koopcontracten c.q. purchase orders en betalingsbewijzen van de bij de aangifte ingediende invoices. In de brief van 29 augustus 2023 staat vermeld dat de informatie uiterlijk 5 september 2023 alsnog verstrekt dient te worden en als dat niet gebeurt, in fiscale procedures de bewijslast bij belanghebbende komt te liggen op grond van artikel 8:2, zesde lid, onder b, en artikel 8:2, zevende lid, onder b, van de Adw.
In de brief van 29 augustus 2023 wordt (wederom) verzocht om voornoemde informatie. Er staat in de brief weliswaar genoemd Originele Certificaten van oorsprong (Chamber of commerce), maar ter zitting is door verweerder medegedeeld dat “Chamber of commerce” een verschrijving is, omdat een dergelijk certificaat in de Unie niet kan dienen voor het aantonen van de Taiwanese oorsprong, zoals hiervoor onder 14 is weergegeven. De rechtbank kan dit volgen, nu in de overige verzoeken om stukken deze toevoeging niet staat vermeld.
16. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de door verweerder opgevraagde nadere gegevens, ondanks meerdere verzoeken daartoe, niet heeft verstrekt. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat hij die nadere gegevens nodig heeft om inzicht te krijgen in de oorsprong van de goederen en dat de door belanghebbende overgelegde stukken daarvoor ontoereikend zijn. Verweerder heeft een verzoek om informatie op de voet van artikel 15 van het DWU naar belanghebbende verzonden. Belanghebbende heeft de gegevens desondanks niet overgelegd.
17. Belanghebbende heeft ter zitting als verklaring voor het niet meer kunnen overleggen van die informatie aangevoerd dat de stukken in handen zijn van [bedrijf 4], maar dat [bedrijf 4] vanaf 2022 heeft geweigerd om de benodigde documenten aan haar te verstrekken. Voorts heeft belanghebbendes bestuurder verklaard dat hij in 2022 als werknemer is aangenomen bij [bedrijf 4], maar daarbij geen toegang tot de benodigde documenten had en hem daartoe ook geen toegang werd verleend door het andere personeel. Hij heeft wel de CEO hierover aangesproken, maar desondanks de documenten niet gekregen. Dit brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Belanghebbende is als persoon die direct is betrokken bij het vervullen van douaneformaliteiten op grond van artikel 15 van het DWU zelf verplicht desgevraagd de benodigde documenten te verstrekken. Dat belanghebbende niet reeds over deze documenten beschikte en het feit dat [bedrijf 4] niet heeft willen meewerken waardoor belanghebbende de documenten niet kon overleggen, dient voor rekening en risico van belanghebbende te blijven. Door het niet verstrekken van gegevens, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld wat de oorsprong is van de goederen, heeft belanghebbende haar verplichtingen van artikel 15 van het DWU geschonden.
18. Deze schending van artikel 15 van het DWU is dermate substantieel dat verweerder in de uitspraak op bezwaar terecht artikel 8:2, zevende lid, van de van de Adw heeft toegepast. In beroep heeft belanghebbende niet alsnog de door verweerder eerder gevraagde informatie overgelegd. Nu belanghebbende niet heeft voldaan aan de informatieverplichting van artikel 15 van het DWU, dient ingevolge artikel 8:2, zevende lid, van de Adw het beroep ongegrond te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het is aan belanghebbende om dat overtuigend aan te tonen.
19. Belanghebbende voert aan dat de utb niet aan belanghebbende had moeten worden uitgereikt, maar aan [bedrijf 4] (voorheen [bedrijf 3]) omdat de verantwoordelijkheid voor de inkoop en de bijbehorende documentatie bij dit bedrijf lag.
20. Niet in geschil is dat [bedrijf 1] B.V. bij de aangiften is opgetreden als direct vertegenwoordiger van belanghebbende. [bedrijf 1] B.V. heeft de aangiften in naam en voor rekening van de opdrachtgever ingediend. Dat betekent dat de opdrachtgever, belanghebbende, wordt aangemerkt als de aangever en dat [bedrijf 1] B.V. als vertegenwoordiger van de opdrachtgever in beginsel buiten de aansprakelijkheid valt. Op grond van artikel 77, derde lid, van het DWU is de aangever, in dit geval dus belanghebbende, gehouden tot betaling van het bedrag van de douaneschuld. De utb is daarom terecht uitgereikt aan belanghebbende.
21. Belanghebbende voert verder aan dat in de uitspraak op bezwaar wordt verwezen naar de inhoud van de hoorzitting, maar dat deze eenzijdig en incompleet wordt weergegeven. De argumentatie en toelichting is op diverse punten genegeerd of slechts gedeeltelijk samengevat. Hierdoor lijkt het alsof er slechts een mening is gegeven terwijl belanghebbende zich heeft gebaseerd op feiten, toepasselijke regelgeving en de concrete situatie van belanghebbende. De tegenargumenten van belanghebbende zijn door verweerder niet serieus gewogen. Het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden, aldus nog steeds belanghebbende.
22. Verweerder verwijst naar zijn e-mail van 16 december 2024 waarin aan belanghebbende het hoorverslag is toegestuurd, met daarbij uitdrukkelijk de vraag of dit verslag juist en volledig is. Hierop heeft verweerder geen reactie ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende voldoende mogelijkheid gehad om haar bezwaren ten aanzien van het hoorverslag kenbaar te maken. Verweerder mocht daarom ervan uitgaan dat het een adequaat verslag betrof.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het feit dat verweerder in de uitspraak op bezwaar een ander standpunt inneemt dan belanghebbende wenselijk acht, niet maakt dat de tegenargumenten van belanghebbende in de uitspraak op bezwaar niet serieus zouden zijn gewogen. Niet gebleken is dat verweerder de uitspraak op bezwaar heeft gedaan in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het fair-playbeginsel is geschonden. Dat er bepaalde toezeggingen zouden zijn gedaan door verweerder met betrekking tot documenten en het verloop van de procedure, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.
Redelijke schatting
23. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 augustus 2023[_48af97a1-ee05-4259-ab36-3576b272f2cc] heeft overwogen, geldt bij de omkering en verzwaring van de bewijslast dat de berekening van de verschuldigde belasting redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Dit arrest is weliswaar gewezen in het kader van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, maar de rechtbank ziet geen aanleiding dit niet ook van toepassing te achten op de omkering en verzwaring van de bewijslast in douanezaken. Uit voornoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat verweerder op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten zal moeten geven waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een redelijke schatting. Hij hoeft echter niet aannemelijk te maken dat die schatting overeenkomt met de werkelijk verschuldigde douanerechten.
24. Verweerder heeft voor de ingevoerde goederen antidumpingrechten en compenserende rechten berekend omdat volgens verweerder de oorsprong van de goederen China is. Verweerder heeft dit standpunt onderbouwd met de bevindingen van het controlerapport en de stukken die door belanghebbende zijn overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van de beschikbare informatie tot deze conclusie heeft kunnen komen.
In de eerste plaats neemt de rechtbank in aanmerking dat ten aanzien van twee van de zeventien aangiften een afzonderlijke bezwaarprocedure heeft gelopen, waarna verweerder op 16 maart 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Daarin heeft verweerder geconcludeerd dat de in Nederland in het vrije verkeer gebrachte e-bikes genoemd in deze twee aangiften, de oorsprong China hebben en niet de in de aangiften vermelde oorsprong Thailand, zoals blijkt uit het OLAF-rapport van 19 juli 2019 (met nummer OCM(2019) [#]) (het OLAF-rapport). Uit dit OLAF-rapport blijkt volgens verweerder dat de goederen opgenomen in de douaneaangiften met aanvaardingsdatum 15 januari 2019 en door belanghebbende in Nederland ten invoer zijn aangegeven, eerder uit China zijn uitgevoerd, in een vrije zone in Thailand zijn ingevoerd en daarna uit de vrije zone in Thailand zijn uitgevoerd. De goederen zijn één op één vanaf de import- en exportlijst in Thailand te volgen tot de douaneaangiften in Nederland met behulp van de door OLAF verkregen informatie. Tevens is onderzoek op de Thaise locatie uitgevoerd en is komen vast te staan dat een laatste bewerking dan wel verwerking niet mogelijk is geacht. Daarnaast is een door de Thaise autoriteiten (Kamer van Koophandel) naar Thais recht afgegeven preferentieel certificaat niet afgegeven in het kader van een systeem van administratieve samenwerking tussen de Europese Unie en Thailand. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar geen beroep ingesteld.
De rechtbank acht voornoemde informatie van belang voor de aangiften die in geschil zijn, omdat de e-bikes van voornoemde twee aangiften, zoals blijkt uit de utb van 20 oktober 2020, de namen [bedrijf 4] - [kleur 1], [bedrijf 4] - [kleur 2] en [bedrijf 4] - [kleur 3] hebben en dezelfde namen en kleuren ook in de stukken van de in geschil zijnde e-bikes worden genoemd. De rechtbank acht daarom de objectieve kenmerken en eigenschappen van de goederen van voornoemde twee aangiften vergelijkbaar met de objectieve kenmerken en eigenschappen van de goederen die in geschil zijn. De namen zijn te koppelen aan [bedrijf 4] en aan de aangiften in geschil. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van willekeur door ervan uit te gaan dat de goederen in geschil ook de oorsprong China hebben. Dit wordt versterkt door de informatie die genoemd wordt in de door belanghebbende overgelegde overeenkomst die is gesloten tussen [bedrijf 3] en belanghebbende over de verlening van opslagservices aan [bedrijf 3]. Uit deze informatie kan immers worden afgeleid dat de fietsen vanuit China naar Rotterdam zijn verscheept. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit een andere vaarroute blijkt.
Ten slotte heeft belanghebbende verklaard dat de goederen vóór 2019 uit China kwamen waarna zij advies heeft gegeven aan [bedrijf 4] om een fabriek in Taiwan te vinden vanwege de naderende antidumpingwetgeving. Zij heeft verklaard dat zij ervan is uitgegaan dat [bedrijf 4] het advies zou opvolgen, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat dit advies daadwerkelijk is opgevolgd.
25. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht voor de ingevoerde goederen antidumpingrechten en compenserende rechten berekend, ervan uitgaande dat de oorsprong van de goederen China is. De rechtbank heeft geen aanwijzingen voor het oordeel dat het bedrag van de utb van € 1.894.123,34, bestaande uit € 1.300.755,88 aan definitieve antidumpingrechten, € 360.273,75 aan definitieve compenserende rechten en € 233.093,71 aan rente op achterstallen, onjuist is berekend. Er is daarom sprake van een redelijke schatting.
Beroep op onevenredigheid en onbillijkheid
26. Belanghebbende voert aan dat de utb onevenredig zwaar is in verhouding tot het beoogde belang. Gelet op de omstandigheden, de inspanningen en het feit dat belanghebbende te goeder trouw is en conform de regels wenst te handelen, dient er in elk geval sprake te zijn van matiging of kwijtschelding.
27. Ten aanzien van het beroep op evenredigheid wijst de rechtbank op de vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:10816, r.o. 19) dat navordering van douanerechten uitsluitend wordt beheerst door de communautaire voorschriften dienaangaande. Ook als sprake zou zijn van een schending van het evenredigheidsbeginsel, kan dat dus niet tot vernietiging of matiging van de utb leiden. De rechtbank zal daarom in het midden laten of een dergelijke schending heeft plaatsgevonden.
28. Ten aanzien van het beroep op onbillijkheid geldt het volgende. Op grond van artikel 120 van het DWU wordt een bedrag aan invoerrechten kwijtgescholden indien een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest. De bijzondere omstandigheden worden geacht te bestaan indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de schuldenaar zich in een uitzonderlijke situatie bevindt ten opzichte van andere deelnemers die dezelfde activiteit uitoefenen, en indien de schuldenaar in afwezigheid van dergelijke omstandigheden niet het nadeel zou hebben geleden door de inning van het bedrag aan in- of uitvoerrechten. Op grond van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder a, van het DWU dient een verzoek tot kwijtschelding om redenen van billijkheid binnen drie jaar na de datum waarop de douaneschuld is meegedeeld, te worden ingediend. De rechtbank overweegt dat belanghebbende in onderhavige procedure geen verzoek om terugbetaling of kwijtschelding heeft gedaan. Reeds om deze reden kan deze beroepsgrond niet slagen.
Slotsom
29. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft.
Proceskosten
30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, en mr. S.J. Richters en mr. E.M.R. Vennekens, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- ECLI:NL:HR:2023:1093, r.o. 3.2.1 tot en met 3.2.3.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.