Uitspraak · Bestuursstrafrecht

Rechtbank Noord-Holland, 27 juli 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:10240Zaaknummer 12009346 WM VERZ 25-4386

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
11 augustus 2026
Zaaknummer
12009346 WM VERZ 25-4386
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WAHV – het negeren van een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: de geslotenverklaring aan de Botermarkt in Haarlem is naar het oordeel van de kantonrechter door middel van duidelijke en ondubbelzinnige bebording aangegeven. Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat de gemeente Haarlem overtreders onvoldoende tegemoet is gekomen met het gematigde handhavingsbeleid voor de periode mei 2025 tot en met augustus 2025. Het beroep is ongegrond verklaard.

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep ongegrond;

‒ wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending:

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. De verkeersboete en het beroep
  2. De beoordeling
  3. De uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknummer: 12009346 \ WM VERZ 25-4386

CJIB-nummer: ['nummer']

Uitspraakdatum: 27 juli 2026

Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en proces-verbaal van de zitting

in de zaak van

naam: [betrokkene]

adres: [betrokkene]

woonplaats: [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene)

gemachtigde: [gemachtigde]

De verkeersboete en het beroep

Aan betrokkene is een boete opgelegd voor het handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen aan de Botermarkt in Haarlem op 15 mei 2025.

Betrokkene is het niet eens met de boete en de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep en de gemachtigde heeft daartegen namens betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. Het beroep is behandeld op de zitting van 16 juni 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De gemachtigde van betrokkene is ook verschenen.

De gemachtigde heeft in het beroepschrift en op de zitting de gronden aangevoerd. Door de gemachtigde is aangevoerd dat de bebording die de geslotenverklaring aan de Botermarkt in Haarlem aangeeft na een wijziging daarvan onoverzichtelijk en tegenstrijdig is. Volgens gemachtigde is dit ook door de burgermeester tijdens het vragenuur van 28 augustus 2025 van de commissies van de gemeente Haarlem bevestigd. Volgens de gemachtigde blijkt namelijk uit het transcript van dat vragenuur dat de burgermeester heeft toegezegd dat, na het verstrijken van de waarschuwingsperiode, voorlopig nog (vanaf 1 juni 2025) geen constateringen van overtredingen aan het CJIB zouden worden verstrekt. Volgens de gemachtigde heeft dit ertoe geleid dat een aantal boetes van andere cliënten van het kantoor van de gemachtigde door de officier van justitie zijn vernietigd en de gemachtigde stelt zich daarom op het standpunt dat ook de boete in deze zaak moet worden vernietigd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de gemachtigde twee herstelbeslissingen van de officier van justitie uit andere zaken overgelegd waarin boetes met pleegdatum 30 mei 2025 en 10 juni 2025 zijn vernietigd. Subsidiair heeft de gemachtigde de kantonrechter verzocht de boete te matigen tot nihil wegens voornoemde omstandigheden.

De vertegenwoordiger van de officier van justitie (hierna de vertegenwoordiger) heeft op de zitting medegedeeld niet bekend te zijn met de situatie zoals die door de gemachtigde aan het licht is gebracht. De kantonrechter heeft daarom bij mondelinge uitspraak van 16 juni 2026 de officier van justitie een termijn van een week verleend om nadere inlichtingen te verschaffen en een standpunt in te nemen. Die termijn is op verzoek van de vertegenwoordiger met vier weken verlengd, waarna de officier van justitie op 16 juli 2026 een standpunt heeft ingenomen. Het standpunt is onderbouwd met een vergaderverslag van de gemeente Haarlem en een email van de veiligheidsmanager van de afdeling Veiligheid & Handhaving van de gemeente Haarlem.

Volgens de vertegenwoordiger blijkt uit die stukken dat na het verstrijken van de waarschuwingsperiode nog altijd een groot aantal overtredingen plaatsvond aan de bewuste geslotenverklaring en dat de gemeente daarom niet is overgegaan tot volledige handhaving. In plaats daarvan is ervoor gekozen om voor de kentekens waarvoor meerdere boetes zijn opgelegd, de eerste boete in stand te laten en de daarop volgende boetes te seponeren tot het moment waarop de kentekenouder de eerste boete heeft ontvangen. Vanaf dat moment is de kentekenhouder op de hoogte van de geslotenverklaring en kan de kentekenhouder het gedrag aanpassen.

De vertegenwoordiger heeft vervolgens medegedeeld dat voor de betrokkene in deze zaak geldt dat de onderhavige boete in stand is gelaten en een tweede boete van betrokkene met een latere pleegdatum (12 juni 2025), conform het voornoemde beleid is vernietigd. De vertegenwoordiger heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat tot vernietiging of matiging van de boete.

De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld tot wederhoor en heeft op 23 juli 2026 een standpunt ingenomen. Volgens de gemachtigde blijkt uit de door de vertegenwoordiger overgelegde stukken dat de onduidelijkheid van de verkeerssituatie door de gemeente wordt erkend en is onvoldoende gemotiveerd waarom dit slechts gevolgen zou moeten hebben voor opvolgende boetes en niet voor de boete die als eerste aan de kentekenhouder wordt opgelegd. De gemachtigde verzoekt daarom de kantonrechter het beroep gegrond te verklaren en ook onderhavige boete te vernietigen.

De kantonrechter ziet zich voldoende ingelicht en zal uitspraak doen.

De beoordeling

De verkeerssituatie

De kantonrechter zal allereerst de verkeerssituatie ter plaatse beoordelen aan de hand van de schouwrapporten in het dossier. Van de geslotenverklaring aan de Botermarkt bevinden zich in het dossier twee schouwrapporten. Eén van 7 mei 2025 en één van 2 juni 2025, beide voorzien van foto’s. Op die foto’s is de bebording te zien die betrokkene is gepasseerd. Eerst een vooraankondigingsbord vanaf de Gedempte Oude Gracht waarop betrokkene is gewaarschuwd voor een naderende geslotenverklaring na twintig meter. Vervolgens het zonebord C1 met daarboven het bord “controle”, waarmee betrokkene tevens is gewaarschuwd voor handhaving. Uit de schouwrapporten blijkt dat deze bebording ten tijde van de gedraging duidelijk en ondubbelzinnig aanwezig was, goed zichtbaar was vanaf de doorgaande weg en dat ter plaatse geen sprake is van een zogenoemde fuik waarbij weggebruikers niet anders kunnen dan de richting blijven volgen die leidt tot het negeren van de geslotenverklaring. Ter plaatse kan namelijk, nadat het waarschuwingsbord al gepasseerd is, door middel van steken worden gekeerd. Het standpunt van de gemachtigde dat de verkeersituatie ter plaatse onduidelijk is kan dan ook, ongeacht hetgeen daarover is opgemerkt in de overgelegde vergaderstukken van de gemeente, door de kantonrechter niet worden gevolgd.

Uit het voorgaande volgt dat van betrokkene als weggebruiker mag worden verwacht dat zij acht slaat op de bebording en daar ook naar handelt. Nu betrokkene dit heeft nagelaten kan worden vastgesteld dat de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, door betrokkene is begaan en dus ook dat aan betrokkene een boete kon worden opgelegd.

Handhavingsbeleid

Vervolgens moet worden beoordeeld of de opgelegde boete gelet op het beleid van de gemeente Haarlem in stand kan blijven. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt als volgt.

Uit de door de vertegenwoordiger overgelegde stukken van de gemeente Haarlem blijkt dat in de periode mei 2025 tot en met augustus 2025, na het verstrijken van de waarschuwingsperiode, een groot aantal overtredingen is geconstateerd en dat is besloten tot een gematigd handhavingsbeleid daarvan. Boetes die aan kentekenhouders als eerste zijn opgelegd zijn daarbij in stand gelaten en daaropvolgende boetes werden vernietigd, tot het moment waarop de kentekenhouder de eerste boete heeft ontvangen. Naar het oordeel van de kantonrechter getuigt dit aangepaste handhavingsbeleid van responsief optreden van de gemeente. Gelet op de duidelijke en ondubbelzinnige verkeersborden ter plaatse, stond het de gemeente na het verstrijken van de waarschuwingsperiode immers ook vrij over te gaan tot volledige handhaving. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding te oordelen dat overtreders van deze geslotenverklaring in de periode mei 2025 tot en met augustus 2025 onvoldoende tegemoet zijn gekomen.

Aan de betrokkene in deze zaak zijn twee boetes opgelegd voor overtredingen die hebben plaatsgevonden op 15 mei 2025 en 12 juni 2025. Gebleken is dat de boete voor de overtreding van 15 mei 2025 (de boete in deze zaak) in stand is gebleven en de boete die volgde voor de overtreding van 12 juni 2025, is vernietigd. Dat betekent dat betrokkene conform het aangepaste handhavingsbeleid van de gemeente is behandeld.

In hetgeen is aangevoerd ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om tot matiging van de boete over te gaan.

Gelet op het voorgaande verklaart de kantonrechter het beroep ongegrond.

Er is geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat het beroep ongegrond wordt verklaard.

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep ongegrond;

‒ wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending:

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.