Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 15 mei 2025

ECLI:NL:RBNHO:2025:5179Zaaknummer 10774562 \ CV EXPL 23-3692

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
21 mei 2025
Zaaknummer
10774562 \ CV EXPL 23-3692
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Verstek
Zittingsplaats
Zaanstad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Ambtshalve toetsing Algemene voorwaarden Select Car Lease B.V. 2020. Oneerlijk incassobeding.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 oktober 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 107,84

griffierecht € 128,00

salaris gemachtigde € 132,00;

3.3.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De verdere procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 10774562 \ CV EXPL 23-3692

Uitspraakdatum: 15 mei 2025

Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Select Car Lease B.V.

te Woerden

de eisende partij

gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De verdere procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 1 februari 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van een beding uit de toepasselijke algemene voorwaarden van de eisende partij. Dit heeft zij gedaan bij akte van 29 februari 2024 (hierna: de akte).

2 De verdere beoordeling

2.1.

In de akte erkent de eisende partij dat het incassobeding van artikel 13 onder I van de algemene voorwaarden niet voldoet aan de huidige wettelijke regeling. Zij stelt echter dat zij zich in consumentenzaken niet beroept op dit beding maar uitgaat van de dwingendrechtelijke wettelijke regeling. Ook stelt zij dat in de onderhavige zaak gezien de hoogte van de vordering feitelijk geen verschil is tussen het beding en de wettelijke staffel zodat het beding materieel gezien niet als oneerlijk is te beschouwen.

2.2.

De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen over de oneerlijkheid van het incassobeding in de algemene voorwaarden (zie r.o. 2.10). Dat de eisende partij zich, zoals zij stelt, in consumentenzaken niet beroept op het beding in de algemene voorwaarden is niet relevant. Het beding moet immers worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst is aangegaan en beslissend is daarom niet of en hoe de handelaar het beding heeft toegepast, maar hoe het zou kunnen worden toegepast. Het gaat erom dat de eisende partij op grond van het beding de mogelijkheid heeft meer kosten dan wettelijk is toegestaan in rekening te brengen en dat de bepalingen het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk kunnen verstoren. De kantonrechter vernietigt daarom het beding in artikel 13 onder I van de algemene voorwaarden. Er bestaat dan ook geen recht op de gevorderde wettelijke vergoeding.

Wat is toewijsbaar?

2.3.

De gevorderde hoofdsom van € 506,65 en rente zijn toewijsbaar, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn gelet op het voorgaande niet toewijsbaar.

2.4.

Omdat de eisende partij haar vordering heeft beperkt tot € 500,00 zal dit bedrag worden toegewezen.

Proceskosten

2.5.

Artikel 13 onder I van de algemene voorwaarden ziet ook op de proceskosten. Voor zover de eisende partij op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief

2.6.

De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de genomen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze akte op te stellen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 oktober 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 107,84

griffierecht € 128,00

salaris gemachtigde € 132,00;

3.3.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.