Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Noord-Holland, 4 maart 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:4186Zaaknummer C/15/360900 / JU RK 25-44
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 4 maart 2025
- Publicatiedatum
- 16 april 2025
- Zaaknummer
- C/15/360900 / JU RK 25-44
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing bij de gezaghebbende vader
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 8 maart 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de gezaghebbende vader tot 8 september 2025;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing over het resterende verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing aan tot een nader te bepalen zitting eind augustus/begin september 2025;
bepaalt dat de griffie de GI, de Raad en de overige belanghebbenden oproept.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Brouwer als griffier, en op schrift gesteld op 18 maart 2025. |
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/360900 / JU RK 25-44
Datum uitspraak: 4 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats],
hierna te noemen: [de minderjarige 1],
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats],
hierna te noemen: [de minderjarige 2],
hierna samen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats],
advocaat: mr. J. Breeveld te Amsterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 januari 2025;
- het verweerschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2025. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. J. Breeveld;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI].
Aan de moeder is ter zitting bijstand verleend door een tolk in de taal [taal tolk].
Voor de behandeling van de zaak is door de kinderrechter bepaald en aan partijen bericht dat de door de moeder in haar verweerschrift ingediende verzoeken tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing en vaststelling van een zorgregeling buiten de omvang van het geschil vallen en niet gelijktijdig met de voorliggende verzoeken behandeld zullen worden.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen sinds 9 december 2024 bij de vader.
Bij beschikking van de kinderrechter van 8 september 2022 zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot 8 maart 2025.
Bij beschikking van de kinderrechter van 9 december 2024 is een machtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed uit huis te plaatsen bij de gezaghebbende vader. Deze machtiging is daarna verlengd en duurt nu nog tot 8 maart 2025.
3 De verzoeken
De GI heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de gezaghebbende vader te verlengen voor de duur van een jaar. De GI heeft tevens verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft de verzoeken als volgt toegelicht. De ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bestaat eruit dat de verstandhouding tussen de ouders niet goed is en de kinderen structureel niet veilig zijn geweest bij de moeder in verband met emotionele en fysieke mishandeling. De moeder geeft aan dat ‘corrigerende tikken’ bij de opvoeding horen. Ze sloeg [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] daarom – soms zelfs met voorwerpen – om respect af te dwingen als zij niet luisterden. Nadat de GI de moeder hierop had aangesproken, zei ze dat het niet meer zou gebeuren, maar er bleven meldingen vanuit de vader, school en de kinderen zelf, bij de GI binnenkomen over het geweld. De moeder zou de kinderen bovendien hebben verboden om over het geweld te vertellen. [de minderjarige 1] deed dit echter (in tegenstelling tot [de minderjarige 2]) wel, waardoor zij het [de minderjarige 2] soms ook kwalijk nam dat zij nooit dingen vertelde en de kinderen tegen elkaar werden opgezet. Verder was er sprake van emotionele mishandeling, zoals het lange tijd boos blijven op de kinderen, tegen de kinderen schreeuwen of het lang op de koude vloer laten zitten van de kinderen als straf. Ook waren er zorgen omtrent het alcoholgebruik van de moeder en liet de moeder de kinderen soms alleen. De ingezette hulpverlening van 10 voor Toekomst en het traject Parallel Solo Ouderschap hebben de situatie niet veranderd. Ook een gesprek vanuit school met de moeder en de GI heeft geen resultaat opgeleverd. Verder overtrad de moeder de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing met betrekking tot het geweld al na een week. Hierdoor had de GI er geen vertrouwen meer in dat de kinderen veilig waren bij de moeder, reden waarom de kinderen met spoed uit huis geplaatst zijn.
Sinds de uithuisplaatsing lijkt er rust bij de kinderen te zijn ontstaan. De kinderen praten veel met de vader over hun ervaringen bij de moeder. [de minderjarige 1] plast weer in bed en heeft veel buikpijnklachten. De kinderen hadden een periode veel last van nachtmerries en zijn bang om de moeder in [plaats] tegen te komen. De kinderen hebben bij de GI aangegeven dat zij alleen nog begeleid met de moeder willen bellen, omdat zij bang zijn voor haar reactie. De uithuisplaatsing is nog recent en er hebben nog geen veranderingen plaatsgevonden in het gedrag van de moeder. Op dit moment kan de veiligheid van de kinderen bij de moeder dan ook (nog) niet gegarandeerd worden. De GI wil het aankomende jaar werken aan een nieuwe omgangsregeling tussen de moeder, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Ook wil de GI hulpverlening voor de moeder inzetten om haar opvoedstijl te verbeteren en haar de gevolgen van haar acties te leren inzien. Gelet op het bovenstaande is het van belang dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing worden verlengd, zodat kan worden gewerkt aan de gestelde doelen en de ontwikkelingsbedreigingen worden weggenomen.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat er inmiddels vier belmomenten zijn geweest tussen de moeder en de kinderen. Deze gaan goed, maar er was vooraf wel vaak weerstand vanuit [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De GI heeft ook gemerkt dat er een heftige reactie of ondervraging vanuit de moeder komt als er een lastig onderwerp besproken moet worden, zoals het blijven zitten van [de minderjarige 2] of het feit dat de kinderen niet willen bellen. De GI wil – in samenspraak met een jurist en gedragsdeskundige – het tempo van de kinderen volgen met betrekking tot het opbouwen van de omgang. In het verweerschrift van de moeder en de bijlagen ziet de GI geen aaneiding om hiervan af te wijken. De hulpverleners van de moeder dringen weliswaar aan op het in gang zetten van de omgang, maar zij hebben geen zicht op de kinderen. De coach van de kinderen, van het Centrum voor Jeugd & Gezin (hierna: CJG) ziet bij hen signalen van trauma. De GI ziet het belang van contactherstel, maar in het tempo van de kinderen. Als [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aangeven dat zij meer omgang met de moeder willen, zet de GI dat in gang. Er moet ook onderzocht worden waar het trauma bij de kinderen vandaan komt. De coach vermoedt dat sprake is van intergenerationeel trauma en zal binnenkort doelen opstellen, waarmee de kinderen met spoed aangemeld kunnen worden voor trauma therapie. Ook dient er hulpverlening voor de moeder te komen. Het traject Parallel Solo Ouderschap wordt binnenkort afgerond. Mogelijk zal er nog cultuur sensitieve hulpverlening ingezet worden voor de moeder. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor de duur van een jaar, zodat er op basis van nieuwe informatie een goed oordeel over de situatie gegeven kan worden. De GI denkt dat er dan ook al fysieke omgangsmomenten zijn geweest.
4 De standpunten
De moeder
In het verweerschrift en ter zitting is door en namens de moeder het volgende naar voren gebracht. Primair verzoekt de moeder afwijzing van het verzoek tot uithuisplaatsing. Subsidiair verzoekt de moeder inkorting van de duur van de uithuisplaatsing tot maximaal drie maanden. Daarbij verzoekt de moeder om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) te laten uitvoeren naar het perspectief van de kinderen, waarbij het resterende verzoek om uithuisplaatsing wordt verwezen naar de meervoudige kamer. Uithuisplaatsing is een ultimum remedium en in de huidige situatie disproportioneel en niet noodzakelijk. Er is geen sprake van jarenlange fysieke en emotionele kindermishandeling of een onveilige leefomgeving. Er was enkel discussie met de kinderen tijdens het tandenpoetsen en haren kammen. De moeder erkent dat het geven van een corrigerende tik onwenselijk is en is bereid om de aanwijzingen van de hulpverlening op te volgen. Dit wordt bevestigd door de betrokken hulpverleners van Levvel en het Leger des Heils. De moeder heeft de (vooraankondiging) schriftelijke aanwijzing over de corrigerende tikken na het gesprek op school met de GI ook opgevolgd. Zij begrijpt niet waarom de kinderen plotseling uit huis zijn geplaatst. Zij is een warme, betrokken en zorgzame moeder, die zorgt voor structuur en regelmaat en beschikt over een warm sociaal netwerk. De moeder is bereid om te werken aan het herstellen van de relatie met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en acht het in hun belang dat zij zo snel mogelijk weer bij haar worden teruggeplaatst. Een verlenging van de uithuisplaatsing zal schadelijk zijn voor hun geestelijke gezondheid en kan leiden tot verlatingsangst, een loyaliteitsconflict en het verstoten van de moeder. Dit geldt temeer nu er op dit moment geen fysieke omgang is vastgesteld door de GI, omdat dit de wens van de kinderen zou zijn. De twee begeleide contactmomenten tussen de moeder en de kinderen verliepen echter goed, waardoor de moeder denkt dat de kinderen beïnvloed worden door de vader. Daarbij wijst zij op de jarenlange heftige strijd tussen de ouders, waarbij de moeder door de vader gediskwalificeerd wordt als ouder. De moeder is bang dat hij de kinderen van haar af wil nemen. De ondertoezichtstelling was in eerste instantie op deze onderlinge strijd gericht.
De vader
De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij het eens is met het verzoek. De vader denkt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het belang zijn van de kinderen. Hij ziet dat de kinderen een trauma hebben en het zwaar hebben. Zo durven de kinderen het centrum van [plaats] niet in, omdat zij bang zijn om de moeder tegen te komen. Verder plast [de minderjarige 1] weer in bed, waardoor ze met een luier moet slapen. Ook heeft zij een achterstand op school en loopt zij tegen dingen aan, zoals veters strikken en sociaal contact met andere kinderen. Ook hebben de kinderen nachtmerries. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben de vader verteld dat er sprake was van substantiële mishandeling. Zij uiten zich hier steeds meer over. Zij hebben nu ook gesprekken met een CJG coach op school. Het is fijn dat er eindelijk wordt geluisterd naar de kinderen. De vader hoopt dat er vooral wordt gekeken naar hun belang. Er moet (verdere) hulp komen voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] na wat zij hebben meegemaakt. De vader wil de kinderen niet weghouden bij de moeder. Als [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] contact willen met de moeder, staat de vader hiervoor open, mits de moeder hulp krijgt en het veilig is bij haar. Het traject Parallel Solo Ouderschap is inmiddels (voor de vader zelf) positief afgesloten.
5 De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Door de omstandigheid dat de kinderen en de vader de Nederlandse nationaliteit
hebben en de moeder de Keniaanse nationaliteit, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking de onderhavige verzoeken.
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) juncto artikel 8 Brussel II ter rechtsmacht toe en kan de rechter een oordeel geven over deze verzoeken.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is in deze zaken. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing op de onderhavige verzoeken.
Ondertoezichtstelling
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan uit de slechte verstandhouding tussen de ouders, het loyaliteitsconflict waarin [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich (daardoor) bevinden en de vermeende structurele fysieke en emotionele mishandeling van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder bestrijdt de zorgen over de mishandeling, maar op dit moment zijn er voldoende sterke aanwijzingen dat die mishandeling bij haar heeft plaatsgevonden gedurende lange tijd. Zo hebben beide kinderen hierover verteld aan de GI, de vader, de onafhankelijke coach van het CJG en op school. Daarbij komen de kindsignalen, zoals buikpijn, bedplassen, nachtmerries en angst om de moeder in het centrum van [plaats] tegen te komen. De omgang is door de GI op dit moment beperkt tot begeleide belmomenten, conform de eigen wens en het tempo van de kinderen en na raadpleging van een gedragswetenschapper. De moeder heeft stukken ingediend, waaronder berichten van Levell en het Leger des Heils, waarin de hulpverleners aangeven dat de moeder meewerkt aan de hulpverlening, een groei heeft doorgemaakt en de omgang in hun optiek snel op gang moet komen. Dit heeft de GI echter niet tot een andere koers hoeven brengen, omdat die hulpverleners geen (goed) zicht hebben op de kinderen. Mede gelet op het loyaliteitsconflict waarin de kinderen verkeren, zal de GI wel voortdurend de mogelijkheden tot uitbreiding van de omgang onderzoeken, waarbij zowel de belangen van de kinderen, als de belangen van de moeder – waaronder het recht op familieleven – zullen worden meegewogen.
Tevens blijkt dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreigingen noodzakelijk is in dit geval ook nu niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, omdat de verstandhouding tussen de ouders niet goed is en zij niet in staat worden geacht de noodzakelijke hulpverlening/diagnostiek voor henzelf en/of de kinderen, in het vrijwillig kader effectief in te zetten. De regie van de jeugdbeschermer is daarom nog nodig.
De verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de kinderen aanvaardbaar te achten termijn, in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer zelf te dragen.
Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het BW. Gelet op de aanwezige problematiek, de in te zetten hulpverlening en de gestelde doelen, zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen met een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Uithuisplaatsing
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting volgt ook dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding en tot onderzoek van hun geestelijke gesteldheid. Op dit moment wonen de kinderen bij de vader, wat nu de beste plek voor hen lijkt. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komen daar namelijk tot rust en er wordt onderzoek gedaan naar wat zij hebben meegemaakt en wat zij nodig hebben. Het verzoek van de GI zal daarom worden toegewezen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zoals is verzocht. Het resterende verzoek zal worden aangehouden tot een nader te bepalen zitting eind augustus/begin september 2025. Gelet op de jonge leeftijd, de kwetsbaarheid van de kinderen en het loyaliteitsconflict waarin zij zitten, is een tussentijds toetsingsmoment namelijk wenselijk.
Het verzoek van de moeder omtrent het gelasten van een onderzoek door de Raad wijst de kinderrechter af, nu hier op dit moment geen aanleiding voor bestaat. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de Raad op te roepen voor de vervolgzitting, ter advisering over het resterende verzoek en of op dat moment aanvullend raadsonderzoek wenselijk is.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 8 maart 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de gezaghebbende vader tot 8 september 2025;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing over het resterende verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing aan tot een nader te bepalen zitting eind augustus/begin september 2025;
bepaalt dat de griffie de GI, de Raad en de overige belanghebbenden oproept.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Brouwer als griffier, en op schrift gesteld op 18 maart 2025. |
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.