Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Noord-Holland, 31 oktober 2025

ECLI:NL:RBNHO:2025:12682Zaaknummer C/15/366348 / FA RK 25-2962

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/366348 / FA RK 25-2962
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Schorsing ouderlijk gezag en voogdij: er is sprake van een gezagsvacuüm ten aanzien van de kinderen, omdat de verblijfplaats van de moeder onbekend is en de vader niet in staat is het gezag uit te oefenen. Ter voorziening in het opengevallen gezag benoemt de rechtbank, conform het advies van de Raad, de grootmoeder tot voogd over de kinderen.

De rechtbank:

4.1.

stelt vast dat het gezag is geschorst van [de moeder] en [de vader] over de minderjarigen:

- [de minderjarige 1];

- [de minderjarige 2];

- [de minderjarige 3];

4.2.

benoemt [de grootmoeder (moederszijde)] (grootmoeder moederszijde) tot voogd over voornoemde minderjarigen;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.M. Swinkels, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De verdere beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

schorsing ouderlijk gezag en voogdij

zaak-/rekestnr.: C/15/366348 / FA RK 25-2962

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 18 februari 2026

in de zaak van:

[de grootmoeder (moederszijde)],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de grootmoeder (moederszijde),

advocaat mr. S.A.S. Matheij, kantoorhoudende te Haarlem,

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de vader],

wonende te [plaats] (thans verblijvende in [land] ),

hierna te noemen de vader,

[de moeder],

zonder bekende woon en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,

hierna te noemen de moeder,

--betreffende--

[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] );

[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] );

[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] te [land],

hierna mede te noemen: de minderjarigen/de kinderen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van 31 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;

- het rapport van de Raad van 29 januari 2026, ingekomen op 4 februari 2026;

- de bereidverklaring van de grootmoeder tot aanvaarding van de voogdij over de minderjarigen, ontvangen op 4 februari 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak is verder gegaan op de zitting van 4 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: de grootmoeder met haar advocaat en een tolk in de [taal] taal. Ook was als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

1.3.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De vader is ook niet ter zitting verschenen en heeft de rechtbank op 31 januari 2026 bericht dat hij niet aanwezig kan zijn, omdat hij nu in [land] verblijft.

2 De feiten

2.1.

De kinderen verblijven alle drie bij de grootmoeder.

2.2.

Bij beschikking van 31 oktober 2025 zijn de kinderen onder voorlopige voogdij gesteld van Nidos. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek van de grootmoeder over het gezag en de voogdij aangehouden, in afwachting van het onderzoek van de Raad.

2.3.

Bij beschikking van 31 december 2025 is Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering in plaats van Nidos met de voogdij over de kinderen belast. Daarbij is vastgesteld dat de voorlopige voogdij van rechtswege eindigt op 31 januari 2026 (drie maanden na de beslissing van 31 oktober 2025), tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over de kinderen is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist.

3 De verdere beoordeling

3.1.

Aan de orde is nu nog het gewijzigde verzoek van de grootmoeder om het gezag van de ouders te schorsen en de grootmoeder als voogd over de kinderen te benoemen.

3.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253r, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in samenhang met artikel 1:253q BW, benoemt de rechtbank een voogd als één of beide ouder(s) al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert/verkeren het gezag uit te oefenen of als het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is. Volgens het tweede lid van artikel 1:253r BW is het gezag, dat aan één of beide ouders toekomt, geschorst gedurende de tijd waarin één van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253r jo. 1:253q, tweede lid, BW kan de rechtbank een voogd benoemen als het gezag van de gezaghebbende ouder(s) geschorst is. De grootmoeder valt verder onder de in artikel 1:253q, vierde lid, BW genoemde kring van verzoekers, waardoor zij kan worden ontvangen in haar verzoek.

3.3.

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat sprake is van een gezagsvacuüm. De verblijfplaats van de moeder is al langer onbekend, omdat zij op een onbekende plek in [land] zit ondergedoken waardoor er sinds februari/maart 2025 geen contact is geweest tussen haar en de familie. De moeder is daardoor al lang onbereikbaar voor grootmoeder, die de kinderen verzorgt en bij wie de kinderen verblijven. Wat de vader betreft is uit het raadsonderzoek en de eerdere zittingen gebleken dat hij wel bereikbaar is, maar vanwege onder mee ziekte en wisselende verblijfplaatsen geacht moet worden niet in staat te zijn om het gezag uit te oefenen. De vader verblijft namelijk afwisselend in het Verenigd Koninkrijk en [land] en oefent feitelijk zijn gezag niet uit. Op de zitting van 21 oktober 2025 heeft de vader aangegeven dat hij gezondheidsproblemen heeft en het daarom lastig vindt om de verantwoordelijkheid te dragen en de plichten te vervullen die horen bij het ouderlijk gezag. Ondanks dat de vader dit mogelijk nu anders ziet, volgt uit het raadsonderzoek dat de vader niet of nauwelijks taken op zich neemt die bij een gezaghebbende ouder horen. Zo lijkt hij geen rol te hebben gespeeld in het organiseren van de schoolgang van de kinderen of bij het aanvragen van hun verblijfsvergunning. Ook is er nog veel onduidelijkheid over zijn plannen voor de toekomst. Ter zitting is duidelijk geworden dat de grootmoeder feitelijk alle verantwoordelijkheid draagt maar formeel niets voor de kinderen kan beslissen omdat zij geen gezaghebbende ouder is.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat vanwege het voorgaande het gezag van beide ouders (van rechtswege) is geschorst, zolang als deze situatie voortduurt. Ter voorziening in het opengevallen gezag benoemt de rechtbank, conform het advies van de Raad, de grootmoeder als voogd over de kinderen. De grootmoeder is daartoe bereid, zorgt sinds maart 2025 voor de kinderen en wordt in staat geacht belangrijke beslissingen over hen te nemen.

3.5.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het gewijzigde verzoek van de grootmoeder toewijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

stelt vast dat het gezag is geschorst van [de moeder] en [de vader] over de minderjarigen:

- [de minderjarige 1];

- [de minderjarige 2];

- [de minderjarige 3];

4.2.

benoemt [de grootmoeder (moederszijde)] (grootmoeder moederszijde) tot voogd over voornoemde minderjarigen;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.M. Swinkels, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.