Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Noord-Holland, 7 januari 2025

ECLI:NL:RBNHO:2025:112Zaaknummer 11092551 BM VERZ 24-942

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
7 januari 2025
Publicatiedatum
20 februari 2025
Zaaknummer
11092551 BM VERZ 24-942
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek opheffing bewind door rechthebbende. Toegewezen ondanks dat de kantonrechter er niet geheel van overtuigd is dat het bewind niet langer noodzakelijk is. Rechthebbende is niet bereid om samen te werken met de bewindvoerder, waardoor voortzetting niet meer goed mogelijk is.

beslissing

De kantonrechter:

  • heft op, met ingang van twee weken na heden, het bij beschikking van 16 maart 2018 ingestelde bewind over de goederen toebehorende aan [verzoeker];
  • verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
  • stelt vast dat de beloning die de bewindvoerder eenmalig voor de werkzaamheden betreffende het opmaken van de eindrekening en verantwoording in rekening mag brengen (thans) € 248,00 (exclusief btw) bedraagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Merkus, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknummer: 11092551 BM VERZ 24-942 sc

Uitspraakdatum: 7 januari 2025

Beschikking van de kantonrechter

op verzoek van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

van wie het adres bekend is bij deze rechtbank,

hierna ook te noemen: verzoeker,

van wie de bewindvoerder is:

Bewindvoering aan Zee B.V.,

gevestigd te Den Helder.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • het verzoek, ter griffie ingekomen op 2 mei 2024;
  • het verweer van de bewindvoerder, ter griffie ingekomen op 22 mei 2024;
  • de reactie op het verweer, ter griffie ingekomen op 21 juni 2024.

Op 4 november 2024 heeft een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.

beoordeling

Het verzoek strekt tot opheffing van het bij beschikking van 16 maart 2018 ingestelde bewind over de goederen die aan verzoeker (zullen) toebehoren.

Verzoeker stelt dat zijn lichamelijke/geestelijke gesteldheid inmiddels voldoende is verbeterd om zelfstandig zijn financiën te beheren: hij bezoekt zelden zijn huisarts omdat het, naast zijn chronische aandoening waar hij pijnmedicatie voor krijgt, lichamelijk goed met hem gaat. Het gebrek aan eigen regie en zelfstandigheid levert hem frustratie op, hij heeft het gevoel dat hij zijn zaken beter zelf kan behartigen en hij vindt het zonde om geld te moeten betalen voor bewindvoeringskosten. Verzoeker stelt dat hij prima kan omgaan met maandgeld in plaats van weekgeld, dat hij zeer zelden extra geld vraagt, dat hij veel niet financiële zaken zelf oppakt en dat hij een goed netwerk om zich heen heeft. Tot slot stelt hij dat hij meer controle over zijn uitgaven heeft door zijn geld contant uit te geven.

De bewindvoerder staat niet achter het verzoek en is van mening dat de grond voor bewind nog altijd bestaat. Verzoeker gebruikt nog steeds zware pijnstilling. De bewindvoerder voert aan dat verzoeker maandgeld ontvangt en dat zij hebben afgesproken dat verzoeker zoveel mogelijk pint in de winkels. Omdat hij dit zeer weinig doet en zijn geld vaak bij de pinautomaat pint, kan de bewindvoerder niet zien wat verzoeker met zijn geld doet. De bewindvoerder is niet op de hoogte van enige frustratie en vraagt zich af welke zaken verzoeker zelf oppakt.

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen.

Gelet op de stukken en de aantekeningen van de mondelinge behandeling zal de kantonrechter het bewind opheffen, ondanks dat de kantonrechter er niet geheel van overtuigd is dat het bewind niet langer noodzakelijk is. Doorslaggevend voor de beslissing om het bewind op te heffen is, dat verzoeker van alles aan het bedenken is om onder het bewind uit te komen, zoals emigreren. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn frustratie hem erg hoog zit en dat hij niet bereid is om samen te werken met de bewindvoerder, waardoor voortzetting van het bewind door de bewindvoerder niet meer goed mogelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat verzoeker de kans moet krijgen om zijn eigen financiën te beheren.

beslissing

De kantonrechter:

  • heft op, met ingang van twee weken na heden, het bij beschikking van 16 maart 2018 ingestelde bewind over de goederen toebehorende aan [verzoeker];
  • verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
  • stelt vast dat de beloning die de bewindvoerder eenmalig voor de werkzaamheden betreffende het opmaken van de eindrekening en verantwoording in rekening mag brengen (thans) € 248,00 (exclusief btw) bedraagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Merkus, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.