Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Noord-Holland, 19 april 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:4433Zaaknummer 23-6990
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 19 april 2024
- Publicatiedatum
- 6 mei 2024
- Zaaknummer
- 23-6990
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vovo, kennelijk ongegrond. Geen spoedeisend belang.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/6990
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 april 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker,
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de opschorting van de uitbetaling van zijn zorgverleners. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. Verweerder heeft met het besluit van 15 november 2023 de betalingen aan verzoekers zorgverleners geschorst na een melding van de gemeente Purmerend dat verzoeker ambtshalve is uitgeschreven uit de Basisregistratie personen (Brp) en daardoor mogelijk niet meer voldoet aan de voorwaarden voor het ontvangen van een maatwerkvoorziening. Met het bestreden besluit van 20 maart 2024 op het bezwaar van verzoeker heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
4. Nadat verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening had ingediend was het tijdelijk niet mogelijk om met verzoeker te corresponderen, aangezien verzoeker door de gemeente Purmerend ambtshalve was uitgeschreven uit de Brp. Na een procedure bij de voorzieningenrechter en bericht van verzoeker dat hij weer in het bezit was van een correspondentie adres, is de correspondentie met verzoeker opnieuw opgestart.
5. De griffier van de rechtbank heeft aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader te onderbouwen.
6. In reactie hierop heeft verzoeker per brief van 25 maart 2024 gereageerd en vermeld dat het spoedeisend belang gelegen is in het feit dat sinds november 2023 zijn zorgverleners en in het bijzonder zijn zorgverlener [naam] niet zijn uitbetaald en dat hij niet over leefgeld beschikt.
7. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker het spoedeisend belang niet nader heeft onderbouwd. Verzoeker stelt dat zijn zorgverlener [naam] niet meer wordt uitbetaald. Ambtshalve is de voorzieningenrechter ermee bekend dat verzoeker hierover al meerdere procedures[_e7e3ac72-6824-472c-a283-a27665e3d113] heeft gevoerd en dat de omstandigheid dat zijn zorgverlener [naam] niet wordt uitbetaald niet het gevolg is van de in de inleiding beschreven besluitvorming van verweerder. Nu niet is gebleken van acute financiële nood, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2024:1356 http://psi.rechtspraak.nl/sprongcassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2024:1356 Hoge Raad, 4 oktober 2024 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.