Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 28 februari 2024

ECLI:NL:RBNHO:2024:2054Zaaknummer 10872636 \ CV EXPL 24-108

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28 februari 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
10872636 \ CV EXPL 24-108
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Verstek
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verstekvonnis, toetsing algemene huurvoorwaarden op mogelijk oneerlijke bedingen. Vordering ontbinding, ontruiming, betaling huurachterstand en gebruiksvergoeding.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;

4.2.

veroordeelt de gedaagde partij om het perceel aan de [adres] te [plaats] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken (voor zover deze laatste niet het eigendom van de eisende partij zijn) en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de eisende partij te stellen;

4.3.

veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 2.457,63 aan achterstallige huurpenningen;

4.4.

veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 645,27 per maand aan gebruiksvergoeding, voor iedere maand, of gedeelte daarvan, dat de gedaagde partij het gehuurde vanaf 1 januari 2024 in gebruik houdt;

4.5.

veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:

€ 129,85 wegens dagvaardingskosten,

€ 496,00 wegens griffierecht en

€ 204,00 wegens salaris gemachtigde;

4.6.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De vordering
  3. 3 De beslissing
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 10872636 \ CV EXPL 24-108

Uitspraakdatum: 28 februari 2024

Verstekvonnis in de zaak van:

stichting

Stichting De Woonschakel Westfriesland

gevestigd te Medemblik

de eisende partij

gemachtigde: [gemachtigde]

tegen

[gedaagde]

wonende te [plaats]

de gedaagde partijen

niet verschenen

1 De procedure

1.1.

De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2 De vordering

2.1.

De eisende partij vordert – samengevat – ontbinding en ontruiming van het gehuurde en om de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van de huurachterstand vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente, een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft en de proceskosten.

2.2.

De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding en ontruiming van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

3 De beslissing

Ambtshalve toetsing van: Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte 1 januari 2004

3.1.

Voordat de kantonrechter een eindoordeel over de vordering kan geven, moet de kantonrechter eerst ambtshalve beoordelen of op de overeenkomst met de gedaagde partij algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van de

Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), omdat dit gevolgen kan hebben voor (de hoogte van) de vordering. Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.

3.2.

De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of bedingen, waaraan een consument gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar consequenties aan verbinden, met de bedoeling dat de consument erop kan vertrouwen dat de ‘kleine lettertjes’ niet oneerlijk voor hem uitpakken – en dat hij wordt beschermd als hij zijn handtekening heeft gezet onder een overeenkomst waarin oneerlijke bedingen blijken te zijn opgenomen.

3.3.

De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat het gaat om een beoordeling van de bedongen afspraken, die de rechten en plichten van partijen over en weer vastleggen en waar de consument door het sluiten van de overeenkomst contractueel aan kan worden gehouden. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant. De omstandigheid dat een eisende partij alleen een beroep doet op wettelijke bepalingen ontslaat de kantonrechter namelijk niet van de verplichting om ambtshalve te toetsen. In dat laatste geval heeft de eisende partij ook geen recht op de gevorderde wettelijke vergoeding.[_9c9fc6c0-deef-48ff-8cd8-b85278b18cea] Dat geldt voor de gevorderde hoofdsom, maar ook voor bijkomende vorderingen, zoals de gevorderde vergoedingen voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten of rente.

3.4.

Samenvattend moet de kantonrechter in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).

Huurprijswijziging

3.5.

In de huurovereenkomst is een huurprijswijzigingsbeding opgenomen en dit luidt als volgt: “De huurprijs wordt jaarlijks gewijzigd overeenkomstig de bij of krachtens de wet bepaalde wijze.”

3.6.

Omdat het beding verwijst naar de wettelijke regels omtrent het wijzigen van de huurprijs, is de kantonrechter van oordeel dat voornoemd artikel als niet oneerlijk kan worden beschouwd.

Buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten

3.6.

In de Algemene Huurvoorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 6.1: ‘(…) Vanaf de eerste dag van de maand is huurder de termijn voor die maand verschuldigd, bij verzuim is huurder wettelijke rente verschuldigd.’

Artikel 13.1: ‘Wanneer één der partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van die ene partij inclusief alle kosten van juridische bijstand.’

Artikel 13.2: ‘De ingevolge dit artikel door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft en bedragen tenminste € 40,-- met het hoge BTW-percentage.’

Artikel 15: ‘Huurder is verplicht ten behoeve van verhuurder een onmiddellijk opeisbare boete van € 25,-, jaarlijks geïndexeerd met 2,5%, per kalenderdag te betalen, als hij enige bepaling uit deze algemene voorwaarden of wanneer er gedragsregels zijn overeengekomen, overtreedt, onverminderd zijn verplichting om alsnog overeenkomstig deze algemene voorwaarden te handelen en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding. Deze boete is zonder rechterlijke tussenkomst voor elke dag waarin de overtreding voortduurt, verschuldigd.’

3.7.

Het rentebeding in artikel 6.1 is in overeenstemming met de regeling in artikel 6:119 BW. Dit beding is daarom op zichzelf voor wat betreft de verschuldigdheid van rente niet oneerlijk.

3.8.

In combinatie met het boetebeding in artikel 15 is het rentebeding wel oneerlijk. Het boetebeding wijkt immers ten nadele van de consument aanzienlijk af van de aanvullend rechtelijke bepalingen in artikel 6:92 BW. In artikel 15 is namelijk opgenomen dat naast deze rente op iedere tekortkoming, dus ook niet tijdige huurbetaling, de huurder nog een boete van € 25,00 per dag verschuldigd is en deze is niet gemaximeerd. Gelet hierop wordt het evenwicht tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de gedaagde partij verstoord. Het rentebeding is daarom een onredelijk bezwarend beding als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW en zal worden vernietigd.

3.9.

De incassobedingen in de artikelen 13.1 en 13.2 zijn op zichzelf, maar ook in combinatie met artikel 15, oneerlijk. Deze bedingen wijken ten nadele van de consument af van het bepaalde in artikel 6:96 BW in samenhang met het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 13.2 is geen maximum opgenomen en er wordt gesproken over tenminste € 40,00, waardoor een hoger bedrag kennelijk ook mogelijk is, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Bovendien kunnen op grond van artikel 13.1 ook alle kosten, in en buiten rechte, op de consument worden verhaald indien er als gevolg van een niet-nakomen door de consument maatregelen moeten worden genomen. Hiermee wordt het evenwicht onevenredig verstoord. Ook geldt dat de cumulatie met het boetebeding in artikel 15, zoals hiervoor ook al is overwogen, de oneerlijkheid van de bedingen alleen nog maar versterkt. Dit leidt ertoe dat de bedingen zullen worden vernietigd.

3.10.

Artikel 13.1 ziet ook op de proceskosten. Voor zover de eisende partij op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.

Gevolgen van deze toetsing

3.11.

De eisende partij heeft zich in de dagvaarding al op het standpunt gesteld dat de overeenkomst en de Algemene Huurvoorwaarden geen onredelijk bezwarende bedingen bevat. De kantonrechter volgt de eisende partij daarin niet vanwege hetgeen hiervoor is overwogen en vernietigt de rente- en incassobedingen in artikel 6.1, 13.1 en 13.2 van de Algemene Huurvoorwaarden. Dat betekent dat de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Huurachterstand en proceskosten

3.11.

De gevorderde huurachterstand tot en met december 2023 bedraagt € 2.457,63 (€ 4.498,17 - € 2.040,54 aan deelbetalingen). Dit bedrag is toewijsbaar.

Ontbinding, ontruiming, en gebruiksvergoeding

3.12.

De vordering wordt voor het overige toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarbij is van belang dat de huurachterstand meer dan drie maanden bedraagt.

3.13.

Gelet op de ingrijpende gevolgen voor de gedaagde partij wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

Conclusie

3.14.

De vordering wordt gedeeltelijk toewezen.

3.15.

De gedaagde partijen wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;

4.2.

veroordeelt de gedaagde partij om het perceel aan de [adres] te [plaats] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken (voor zover deze laatste niet het eigendom van de eisende partij zijn) en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de eisende partij te stellen;

4.3.

veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 2.457,63 aan achterstallige huurpenningen;

4.4.

veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 645,27 per maand aan gebruiksvergoeding, voor iedere maand, of gedeelte daarvan, dat de gedaagde partij het gehuurde vanaf 1 januari 2024 in gebruik houdt;

4.5.

veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:

€ 129,85 wegens dagvaardingskosten,

€ 496,00 wegens griffierecht en

€ 204,00 wegens salaris gemachtigde;

4.6.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.