Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Noord-Holland, 4 november 2024

ECLI:NL:RBNHO:2024:12382Zaaknummer C/15/356036 / JU RK 24-1249

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
4 november 2024
Publicatiedatum
19 augustus 2026
Zaaknummer
C/15/356036 / JU RK 24-1249
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor de duur van minderjarigheid.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 4 november 2024 tot [datum];

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 4 november 2024 tot [datum];

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2024 door mr. M.A.J. Berkers, kinderrechter, in aanwezigheid van T.B.A. Verbeij als griffier, en op schrift gesteld op 2 december 2024.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/356036 / JU RK 24-1249

Datum uitspraak: 4 november 2024

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,

hierna te noemen de Raad,

over

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats],

hierna te noemen [de minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats],

advocaat mr. P.J. van de Pol, gevestigd in Haarlem.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de pleegmoeder],

hierna te noemen: de pleegmoeder,

wonende te [plaats],

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 augustus 2024;

- het gewijzigd verzoek van de Raad van 31 oktober 2024.

1.2.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 november 2024. Daarbij waren aanwezig:

  • [de minderjarige];
  • de vader en zijn advocaat;

- [vertegenwoordiger van de raad] van de Raad;

- een vertegenwoordiger van De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna te noemen de GI).

De pleegmoeder is opgeroepen als informant en niet verschenen.

1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2 De feiten

2.1.

De vader is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].

2.2.

[de minderjarige] verblijft sinds 1 november 2024 bij oriëntatiegroep [oriëntatiegroep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] (hierna [oriëntatiegroep] ).

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt voor [de minderjarige] om een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpverlener, beide tot meerderjarigheid van [de minderjarige], te weten [datum]. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

[de minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er is sprake van persoonlijke problematiek bij [de minderjarige] en problemen binnen het gezinssysteem. Ook het schoolverzuim en het ontbreken van een dagbesteding is een bron van zorg. [de minderjarige] is op 3-jarige leeftijd verlaten door haar moeder en dat heeft zijn sporen nagelaten. De vader van [de minderjarige] is op dit moment onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid die bedreiging weg te nemen. De vader accepteert de geboden hulpverlening, maar deze komt niet van de grond omdat [de minderjarige] zich onttrekt aan het gezag van haar vader. De vader is op dit moment onmachtig het tij te keren. De verwachting is dat de vader de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen aanvaardbare termijn weer zelf kan dragen.

3.3

Een machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] is noodzakelijk omdat [de minderjarige] niet meer bij haar vader verblijft. Het was de bedoeling dat [de minderjarige] bij haar pleegmoeder zou gaan wonen. Op 20 augustus 2024 heeft [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] echter aan de Raad laten weten niet meer achter een plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegmoeder te staan omdat het belangrijk is dat de relatie tussen de pleegmoeder, die een belangrijk persoon is voor [de minderjarige], in stand blijft. Na dit advies is [de minderjarige] weer tijdelijk bij de vader gaan wonen. Op 1 november 2024 is [de minderjarige] bij [oriëntatiegroep] geplaatst en het is de bedoeling dat zij daar voorlopig blijft. Een machtiging tot uithuisplaatsing is nodig om die plaatsing te borgen.

4 De standpunten

4.1.

De vader is het eens met het verzoek. [de minderjarige] en hij houden veel van elkaar, maar het is beter voor [de minderjarige] als zij nu niet bij de vader woont. Dat doet de vader verdriet omdat [de minderjarige] al op driejarige leeftijd door haar moeder is verlaten en zij zich mogelijk nu ook door hem in de steekgelaten voelt. De vader wil liever een machtiging tot uithuisplaatsing voor een half jaar, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek, zodat getoetst kan worden of een langere machtiging nog nodig is. Hij is bang dat er met [de minderjarige] ‘geleurd’ zal worden. Na uitleg en overleg met zijn advocaat, is de vader het ermee eens dat een machtiging tot meerderjarigheid het meest in het belang van [de minderjarige] is.

4.2.

[de minderjarige] is het eens met het verzoek. Hoewel de plaatsing bij [oriëntatiegroep] niet haar voorkeur heeft, staat zij wel achter het voorgenomen traject. Zij is bereid mee te werken en hoopt toe te kunnen werken naar een eigen woonplek. Ondanks de problemen in de relatie met haar vader en pleegmoeder, heeft zij een goede band met hen. Het ontbreken van contact met haar moeder valt haar zwaar, maar daar is aandacht voor in therapie. [de minderjarige] zou haar moeder een keer willen zien om te vragen hoe het met haar gaat.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.2.

Het is de kinderrechter duidelijk dat [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

Er zijn zorgen over het mentale welzijn van [de minderjarige] en haar schoolverzuim, dan wel het ontbreken van een dagbesteding. [de minderjarige] kampt met depressieve gedachten, een negatief zelfbeeld en laat zelfbepalend, boos en opstandig en conflict vermijdend gedrag zien, mogelijk als gevolg van trauma en hechtingsproblematiek. Het plotseling vertrek van de moeder uit haar leven op zeer jonge leeftijd en het ontbreken van contact sindsdien speelt daarbij mogelijk een belangrijke rol. [de minderjarige] heeft een niet-gezond coping mechanisme ontwikkelt. Zij voelt zich niet begrepen en het lukt haar niet om daarover op constructieve wijze te communiceren. Het boos, opstandig en zelfbepalend gedrag van [de minderjarige] heeft een negatieve invloed op de relatie met anderen, zoals haar vader en pleegmoeder, waardoor [de minderjarige] niet meer bij hen kan verblijven. Het gebrek aan een veilige en stabiele basis, maakt dat niet toegekomen wordt aan de onderliggende problematiek bij [de minderjarige]. Dit belemmert haar ontwikkeling tot evenwichtig volwassene.

5.3.

Gelet hierop zal de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht stellen. Nu er naar verwachting veel tijd nodig zal zijn om een veilige, gestructureerde en stabiele basis voor [de minderjarige] te creëren alvorens effectief aan de onderliggende problematiek kan worden gewerkt, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen tot meerderjarigheid.

5.4.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De machtiging is nodig om het verblijf van [de minderjarige] bij [oriëntatiegroep] te waarborgen en bovendien verplicht als een minderjarige niet meer thuis woont en onder toezicht is gesteld. Ook deze machtiging zal worden verleend tot meerderjarigheid. Dat betekent niet dat [de minderjarige] tot 18 jaar bij [oriëntatiegroep] zal moeten blijven wonen. Als eerder duidelijk is dat [de minderjarige] weer bij de vader kan wonen, zal de machtiging ook eerder beëindigd kunnen worden. En de machtiging kan ook worden gebruikt voor verblijf op een andere, meer geschikte plek (voor zover aan te merken als een accommodatie jeugdhulpaanbieder). Vanzelfsprekend zullen de vader en [de minderjarige] bij de in dit kader te maken keuzes worden betrokken.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 4 november 2024 tot [datum];

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 4 november 2024 tot [datum];

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2024 door mr. M.A.J. Berkers, kinderrechter, in aanwezigheid van T.B.A. Verbeij als griffier, en op schrift gesteld op 2 december 2024.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.