Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Noord-Holland, 8 december 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:12515Zaaknummer 23/6454
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 8 december 2023
- Publicatiedatum
- 15 december 2023
- Zaaknummer
- 23/6454
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De weigering om gehoor te geven aan een verzoek om intrekking van een bepaling uit het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers kan niet inhoudelijk worden getoetst. Biovendien ontbreekt een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom als kennelijk ongegrond af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2023.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/6454
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2023 in de zaak tussen
[vereniging], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: ing. A.J.G. Zinken),
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de van 13 april 2023 daterende afwijzing door verweerder van onder meer het verzoek van verzoekster om artikel 3.3.4 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (het “nieuwe” Rechtspositiebesluit) in te trekken.
2. Het bezwaar van eiseres tegen dit deel van de beslissing van 13 april 2013 is door verweerder bij besluit van 18 augustus 2023 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.
3. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 26 oktober 2023 verzocht om een nadere onderbouwing van het spoedeisend belang van verzoekster bij haar verzoek om een voorlopige voorziening.
Verzoekster heeft hierop bij brief van 30 oktober 2023 gereageerd door te stellen dat het zo snel mogelijk intrekken van artikel 3.3.4 van het nieuwe Rechtspositiebesluit (en het herstellen van artikel 13 van het “oude” Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden) nodig is, omdat toepassing van artikel 3.3.4 van het “nieuwe” Rechtspositiebesluit vanaf 2014 al tien jaar ernstige bestuurlijke en financiële gevolgen voor haar heeft gehad en nog steeds heeft en dat jaren (door) procederen zal leiden tot het einde van verzoekster.
6. De stelling van verzoekster dat zij tien jaar strijdt voor rechtsbescherming maakt op zichzelf nog niet dat een beslissing op het beroep niet kan worden afgewacht en ondanks de door verzoekster gegeven nadere toelichting valt niet in te zien waarom van verzoekster niet gevergd zou kunnen worden de uitkomst van het door haar ingestelde beroep af te wachten. De stelling van verzoekster dat zij inmiddels in een bestuurlijke en financiële noodsituatie is komen te verkeren heeft eiseres niet van een nadere onderbouwing voorzien en verzoekster heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat het voor het treffen van een voorlopige voorziening benodigde spoedeisend belang vooralsnog ontbreekt.
7. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij de rechtmatigheid van de weigering om de wijziging van het “nieuwe” Rechtspositiebesluit ongedaan te maken niet inhoudelijk kan toetsen, omdat het Rechtspositiebesluit zelf dient te worden aangemerkt als algemeen verbindende voorschrift, waartegen op grond van het bepaalde in de artikelen 8:3 en 7:1 van de Awb geen rechtsmiddel openstaat. Aan beoordeling van de stelling dat het “nieuwe” Rechtspositiebesluit in strijd is met de Grondwet of verdragen komt de voorzieningenrechter daarom niet toe.
8. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht daarom geen grond om vooruitlopend op de uitkomst van het ingestelde beroep een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2023.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.