Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Noord-Holland, 18 april 2018
ECLI:NL:RBNHO:2018:3245Zaaknummer AWB - 18 _ 84
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 18 april 2018
- Publicatiedatum
- 27 november 2018
- Zaaknummer
- AWB - 18 _ 84
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
bijzondere bijstand - weigering toelating tot collectieve zorgverzekering
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Artikel 35, derde lid, van de Participatiewet geeft de gemeente de mogelijkheid beleid te maken, waarmee bepaald wordt wie toegelaten wordt tot de collectieve zorgverzekering. In Zaanstad gaat het om mensen die wat betreft het netto-inkomen onder het sociaal minimum zitten. Dat is 110% van de bijstandsnorm. Het inkomen van eisers is hoger dan dit sociaal minimum. Op grond van de geldende wet- en regelgeving komen eisers dus niet in aanmerking voor toelating tot de collectieve zorgverzekering.
De gemeente is met zijn beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven.
Er is geen grondslag om rekening te houden met zware lasten zoals eisers dat zouden willen.
2. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Buiskool, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 18/84
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], te [woonplaats], eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verweerder
(gemachtigde: mr. M.G. Böhm).
Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder heeft verweerder geweigerd eisers toe te laten tot de collectieve zorgverzekering van de gemeente Zaanstad.
Bij besluit van 22 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam].
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Artikel 35, derde lid, van de Participatiewet geeft de gemeente de mogelijkheid beleid te maken, waarmee bepaald wordt wie toegelaten wordt tot de collectieve zorgverzekering. In Zaanstad gaat het om mensen die wat betreft het netto-inkomen onder het sociaal minimum zitten. Dat is 110% van de bijstandsnorm. Het inkomen van eisers is hoger dan dit sociaal minimum. Op grond van de geldende wet- en regelgeving komen eisers dus niet in aanmerking voor toelating tot de collectieve zorgverzekering.
De gemeente is met zijn beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven.
Er is geen grondslag om rekening te houden met zware lasten zoals eisers dat zouden willen.
2. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Buiskool, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.