Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 12 maart 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:999Zaaknummer UTr 26/871

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
UTr 26/871
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

vovo, buiten zitting, NO, geen griffierecht

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.

De griffier is buiten staat te ondertekenen

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
  2. Dienst Toeslagen, verweerder
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/871

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.

2. Verzoeker heeft op 13 maart 2025 verzocht om een persoonlijke betalingsregeling in verband met terugvorderingen van toeslagen. Bij besluit van 8 juli 2025 heeft Dienst Toeslagen een betalingsregeling aangeboden voor 24 maanden met een maandbedrag van

€ 586,-.

3. Naar aanleiding van het hiertegen door verzoeker ingediende bezwaar heeft Dienst Toeslagen bij besluit van 18 december 2025 de betalingsregeling verlaagd met als gevolg dat verzoeker een lager maandbedrag krijgt van € 338,- per maand.

4. Verzoeker is het niet eens met de betalingsregeling en heeft hiertegen beroep ingesteld.[_276f49ff-1354-4e17-92cc-214e46f60c0f] Tevens hij de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van de invordering van zijn toeslagschulden.

5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

6. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

7. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen.[_02fdda7f-217e-49d1-881f-8b7be209ede9] In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?

8. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 29 januari 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 31 januari 2026 om 13:31 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.

Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?

9. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Spoedeisend belang

10. Overigens stelt de voorzieningenrechter vast dat Dienst Toeslagen op 5 februari 2026 uitstel van betaling heeft verleend voor de duur van de beroepsprocedure. Dienst Toeslagen heeft in deze brief toegelicht dat in een periode van uitstel, verleend vanwege een lopende beroepsprocedure of in de vorm van een betalingsregeling, geen (verdere) aanmaningen en dwangbevelen worden gestuurd, en dat daarbij ook geen invorderingskosten in rekening worden gebracht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt daarom ook het spoedeisend belang.

Conclusie en gevolgen

11. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.

De griffier is buiten staat te ondertekenen

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.