Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 11 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:908Zaaknummer UTR 25/6160
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 11 maart 2026
- Publicatiedatum
- 31 maart 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/6160
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk; geen connexiteit.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6160
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
de staatssecretaris van Participatie en Integratie
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de stopzetting van het lesgeld en kosten voor het afleggen van een inburgeringsexamen.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar of een beroep tegen (het niet tijdig beslissen op) een besluit, voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek is gericht tegen de stopzetting van het lesgeld en kosten voor het afleggen van een inburgeringsexamen[_77d62ff7-9b21-4a92-a765-026d59520d65]. Niet is niet gebleken dat verzoeker tegen dit bericht een bezwaarschrift heeft ingediend bij de gemeente van zijn woonplaats en/of bij DUO. Verzoeker heeft ook niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een bezwaarschrift over te leggen. Evenmin is gebleken dat het verzoek ziet op een beroep inzake het niet tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat het verzoek niet connex is aan een besluit en/of een bezwaar- of beroepsprocedure zodat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.