Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7466Zaaknummer C/16/616943 / KG ZA 26-536
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/16/616943 / KG ZA 26-536
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Kort geding
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Executiegeschil; Eiseres vraagt om te verbieden dat de door haar gekochte, nog te leveren woning door de bank/hytheekhouder openbaar wordt verkocht. Eiseres heeft aangeboden de betalingsachterstand van de verkoper te voldoen, maar de bank weigert die betaling te executeren. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van de bank ter hoogte van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026 door mr. A.A.T. van Rens. |
JO/4972
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/616943 / KG ZA 26-536
Vonnis in kort geding van 14 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. D. Vong te Rijen,
tegen
ABN AMRO HYPOTHEKEN GROEP B.V.,
gevestigd in Amersfoort,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. A.J.H. Peters te Rosmalen.
1 De procedure
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 22 september 2026 met producties 1 tot en met 5
- de door [eiseres] op 28 september 2026 ingediende producties 6, 7 en 8
- de door de bank op 29 september 2026 ingediende producties 1 tot en met 4.
Op de mondelinge behandeling van 30 september 2026 zijn namens [eiseres] verschenen: de heer [A] (statutair bestuurder van [eiseres] ), de heer [B] (adviseur van [eiseres]) en mr. Vong. Namens gedaagde is mr. Peters verschenen. De zittingsgriffier heeft aantekeningen gemaakt en zowel door mr. Vong als door mr. Peters zijn spreekaantekeningen voorgedragen. Een afschrift van die spreekaantekeningen is aan het dossier toegevoegd. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat op woensdag 14 oktober 2026 vonnis wordt gewezen.
2 Waar de zaak over gaat
De bank heeft een hypotheekrecht op de woning[_069f6415-5ac4-481e-ad0b-1fc90c1d6639] (hierna: de woning) van [C] en zijn echtgenote [D] (hierna: het echtpaar [achternaam van C] ), tot zekerheid van de lening waarmee het echtpaar [achternaam van C] de woning destijds heeft aangekocht. De bank heeft aangekondigd[_08ea418d-1b96-4c72-a266-15ec89826e1e] dat zij haar hypotheekrecht gaat uitwinnen en dat zij het traject voor de openbare executieverkoop van de woning heeft opgestart.
Op 30 oktober 2025 heeft het echtpaar [achternaam van C] de woning verkocht aan [eiseres]. De eigendom van de woning is echter nog niet overgedragen. [eiseres] heeft de woning op 2 september 2026 doorverkocht aan derden, waarbij is afgesproken dat het echtpaar [achternaam van C] de woning rechtstreeks aan die derden zal leveren (hierna: de ABC-transactie). Die levering staat gepland op 30 oktober 2026.
[eiseres] heeft kort geleden de volledige betalingsachterstand van de hypotheekschuld van het echtpaar [achternaam van C] (€ 6.082,25 per 1 augustus 2026) naar de bank overgemaakt. De bank heeft die betaling geweigerd en heeft het bedrag weer terug gestort.
Op 28 september 2026, twee dagen voor de mondelinge behandeling, heeft de bank toegezegd dat zij de woning niet vóór 1 november 2026 openbaar zal laten verkopen, zodat de ABC-transactie op 30 oktober 2026 kan worden uitgevoerd. Als bank dan volledig uit de verkoopopbrengst wordt voldaan, zoals partijen verwachten, zal verdere tenuitvoerlegging niet meer nodig zijn.
Vanwege die toezegging heeft [eiseres] op de mondelinge behandeling haar eis verminderd. Aanvankelijk vorderde zij:
- een verbod om de woning vóór 1 januari 2027 openbaar te laten verkopen;
- een verbod om voorbereidingen voor die openbare verkoop te (laten) treffen;
- veroordeling van de bank om voorbereidingen die al voor die openbare verkoop zijn getroffen ongedaan te maken;
- een verbod om betalingen van [eiseres] ter voldoening van de hypotheekschuld van het echtpaar [achternaam van C] (opnieuw) te weigeren.
met dwangsom, proceskosten en rente.
Na eiswijziging vordert [eiseres] alleen nog proceskosten van de bank en de rente daarover. Volgens [eiseres] had de bank veel eerder met de toezegging kunnen en moeten gekomen. De bank betoogt dat [eiseres] juist haar daadwerkelijk gemaakte proceskosten moet vergoeden, die zij begroot op € 3.321,96. Volgens de bank is dat gerechtvaardigd omdat [eiseres] zich schuldig maakt aan onrechtmatig procederen omdat zij deze procedure alsnog doorzet terwijl het alleen nog maar om de proceskosten gaat.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. [eiseres] wordt veroordeeld om aan de bank een proceskostenvergoeding te betalen, begroot volgens het liquidatietarief.
3 De beoordeling
[eiseres] krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen
[eiseres] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt in de proceskosten veroordeeld, inclusief de nakosten. De verwijten die [eiseres] de bank heeft gemaakt, zijn namelijk onterecht.
In de eerste plaats mocht de bank de betaling van de achterstallige hypotheekschuld van het echtpaar [achternaam van C] door [eiseres] weigeren. De hoofdregel is dat een verbintenis door een ander dan de schuldenaar kan worden nagekomen.[_b7f32bf0-b5dc-42e9-9bff-e38925c253fc] De schuldeiser die een dergelijke betaling door een derde weigert, komt in beginsel als schuldeiser in verzuim.[_e885b2ac-adc9-4ea5-82f9-e5e3fe65695b] Maar dat geldt niet als de schuldeiser de betaling met toestemming van de schuldenaar weigert.[_881fd25e-52a7-40a6-b83c-f455d31fb966] In dit geval had de bank die toestemming, want de heer [achternaam van C] heeft op 21 augustus 2026 duidelijk aan de bank te kennen gegeven dat de bank betalingen van derden (waaronder “ABC-partijen”) op de hypotheekschuld niet mocht accepteren.
De voorzieningenrechter volgt [eiseres] niet in haar betoog dat de bank toch, ondanks die toestemming om te weigeren, haar betaling had moeten accepteren. Die verplichting volgt niet uit artikel 6:150 BW, dat de gevallen noemt waarin een vordering, áls die door een derde wordt voldaan, bij wijze van subrogatie overgaat op die derde. Maar de vraag of een betaling door een derde tot subrogatie leidt, staat los van de vraag of de schuldeiser die betaling mag weigeren. Of in dit geval [eiseres] zou subrogeren, kan dan ook in het midden blijven.
De bank was ook anderszins niet gehouden om de instructie van de heer [achternaam van C] naast zich neer te leggen en de betaling alsnog te accepteren dan wel eerder had moeten toezeggen met de executie te wachten tot 1 november 2026. Het uitgangspunt is dat de bank met het echtpaar [achternaam van C] een klantrelatie heeft, en daarom aan hun verzoeken en belangen een groter gewicht mocht toekennen dat aan die van [eiseres] die geen klant van haar is. Daar komt nog bij dat [eiseres] haar belangen – dat de ABC-transactie door kon gaan – pas twee dagen voor de zitting behoorlijk met concrete stukken heeft onderbouwd, waaronder de koopovereenkomst tussen [eiseres] en het echtpaar [achternaam van C] en de koopovereenkomst tussen [eiseres] en de uiteindelijke kopers (partij C). Zolang [eiseres] die overeenkomsten niet had verstrekt, mocht zij in ieder geval niet van de bank verwachten dat zij tegen de uitdrukkelijke instructies van haar klant in de betaling van [eiseres] zou accepteren. Zonder die betaling hoefde de bank niet toe te zeggen te zullen wachten met de executie, in ieder geval niet zolang [eiseres] haar belangen niet behoorlijk had onderbouwd.
Het verwijt dat de bank niet eerder meer openheid van zaken heeft gegeven is evenmin terecht. Dat kon zij niet zomaar doen vanwege de uitdrukkelijke instructie van haar klant. De heer [achternaam van C] heeft de bank namelijk op 26 augustus 2026 geïnstrueerd om niet met derden over inhoudelijk over de hypotheekschuld te spreken.
De proceskosten van de bank worden zoals gebruikelijk begroot volgens het liquidatietarief
De bank vraagt om vergoeding van haar daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Dat wordt afgewezen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad biedt artikel 237 tot en met 240 Rv een limitatieve en exclusieve regeling voor de proceskosten. Een in het ongelijk gestelde partij kan in beginsel alleen worden veroordeeld tot vergoeding van een forfaitair (vooraf vastgesteld) bedrag aan proceskosten. De achtergrond hiervan is dat de vrijheid om te procederen niet in gevaar mag worden gebracht uit vrees voor omvangrijke proceskosten. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering in het geval van buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld als een partij misbruik heeft gemaakt van procesrecht of onrechtmatig heeft geprocedeerd. In dat geval kan een partij toch worden veroordeeld in de volledige proceskosten.
Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen is sprake als een partij een vordering of verweer achterwege had moeten laten, gelet op de evidente ongegrondheid en de belangen van de andere partij. Dit kan zo zijn als de vordering of het verweer gebaseerd is op feiten en omstandigheden waarvan een partij weet of hoorde te weten dat deze onjuist zijn en op voorhand moest begrijpen dat de stellingen geen kans van slagen hadden. Daarvan is niet snel sprake. De rechter is terughoudend met dit oordeel, omdat de toegang tot de rechter gewaarborgd moet blijven (artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens).[_bd4bec94-44b9-4804-a73a-de4ee4b6f497] Voor deze uitzondering geldt kortom een hoge drempel.
In dit geval is die drempel niet gehaald. Weliswaar zijn de verwijten aan het adres van de bank onterecht bevonden, maar [eiseres] hoefde nog niet op voorhand te begrijpen dat haar stellingen geen kans van slagen hadden. De proceskostenvergoeding zal dan ook zoals gebruikelijk worden begroot aan de hand van het liquidatietarief:
| - griffierecht | € | 735,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.177,00 | |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 2.101,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van de bank ter hoogte van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026 door mr. A.A.T. van Rens. |
JO/4972
Voetnoten
- Gelegen aan het [adres] te ( [postcode]) [plaats 2], kadastrale aanduiding Gemeente [gemeente] [.] [nummer].
- Onder meer op 5 en 17 augustus 2026.
- Artikel 6:30 BW lid 1. De daar genoemde uitzondering: “tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet” is hier niet aan de orde.
- Artikel 6:58 BW.
- Artikel 6:30 BW lid 2.
- Zie: Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.